Joop is rechts geworden

Ofschoon ik soms het angstige vermoeden heb dat ik meer van de Groene-lezers houd dan zij van mij vind ik het toch vreemd dat ik tegenwoordig om de week word uitgemaakt voor conservatief.

Ik, conservatief…

Ik stel mezelf dan voor in een keurig driedelig grijs pak, zwarte bolschoenen, prachtig onderhouden grijze haren, terwijl ik – om mijn progressieve vrinden min of meer een heel klein plezier te doen – het boek lees van een of andere modern christelijke denker die het kapitalisme niet afwijst, maar zeker niet toejuicht en die vooral oproept tot meer waarden en normen.

Ik schets hier het tegendeel van mezelf, maar voor menige _Groene-_lezer ben ik zo’n type.

Dat geldt ook voor mijn zogenaamde rechtsigheid.

Hier thuis hoor ik ook, van vrouwen en kind, dat ik zo ‘rechts’ ben geworden – ik moet er dus wel aan geloven – maar het verbaast me toch altijd.

‘Maar je bent ontzettend fel tegen de islam.’

‘Dat klopt. Net zo fel als ik vroeger was tegen elk ander geloof.’

‘En dan je standpunt over asielzoekers.’

‘Wijs mij aan waar ik afwijk van Paul Scheffer van de PvdA.’

(Ik schijn her en der van Scheffer af te wijken. Maar niet veel.)

Maar ja, ik ben voor een kleine overheid en ik zie onze beschaving teloorgaan. Mijn hoop op een betere toekomst is bijna weggesmolten en de politieke correctheid lijkt mij steeds meer een geestesziekte die veroorzaakt wordt door gemakzuchtig denken. En waar ik het somberst van word, is dat vrijheid geen gewenst product meer is. (En nu niet zeggen: als je zo voor vrijheid bent, ben je tóch een idealist.)

‘U zou eens gewoon met een paar moslims moeten ­kennismaken’

Dus ja, misschien ben ik wel rechts – niet dat het wat uitmaakt, want ik stem niet.

‘Je bent een saggerijnige, vervelende vent’, zegt mijn dochter wel eens. En dat is nu wel een uitspraak waar ik me totaal in kan vinden. Ik ben uiterst saggerijnig, hetgeen me, paradoxaal genoeg, in een goed humeur brengt.

Ik voel me thuis bij de woorden die worden toegeschreven aan Theo van Gogh: ‘We zijn blijmoedig op weg naar de afgrond.’

‘U zou eens gewoon met een paar moslims moeten kennismaken’, stond er laatst in een brief.

Nu ken ik moslims, maar omdat ik wel ongeveer begreep wat werd bedoeld (‘als je moslims ziet als gewone mensen zul je zien dat ze net zo zijn als jij en ik’) liet ik me overhalen met weer verse gelovigen kennis te maken. Aardige mensen. Echt. Maar ik geloof niet dat onze ontmoeting een groot succes was. ‘Homo’s? Prima, maar als een van mijn zonen homo zou zijn, zou ik toch wel heel verdrietig zijn, en dan hoop ik dat hij goed werk doet. In de verpleging of zo.’ ‘Cartoons? Tuurlijk, niets op tegen, maar als je Allah of de Profeet beledigt, dan zijn er mensen heel kwaad. Ik ook. Ik ben dan echt gekwetst. Ik vind ook dat men over alles mag schrijven en tekenen, maar voor bepaalde zaken moet je respect hebben.’

Misschien zijn dit standpunten die duiden op enig verlicht denken, maar ik vind het bij wijze van spreken SGP- en CU-visies en ik verafschuw die… conservatieve partijen.

Het vreemde is dat ik onlangs leeftijdgenoot Joop tegenkwam, na hem ongeveer dertig jaar niet te hebben gezien.

We stonden destijds sympathiek tegenover de RAF, Sartre en Mao en verder ook alles wat verkeerd was. ‘Zeg, stem jij nou Wilders?’ vroeg hij mij, ‘die indruk krijg ik als ik de krant lees.’

‘Misschien’, zei ik, ‘ik vind die Bosma wel aardig, maar ik ga niet stemmen. Of ik stem op Joop den Uyl.’

‘Ja, die doet het goed de laatste tijd.’

‘Maar Joop is wel erg rechts en conservatief geworden.’

We voelden de subtekst van deze dialoog goed aan.