20 februari 1937 – 25 oktober 2012

Joop Stokkermans

Op zijn tiende speelde Joop Stokkermans Schumanns Arabeske op het Haagse conservatorium, in korte broek en zonder vrees. Als liedjesschrijver, musicalcomponist en televisieregisseur bleef hij altijd pretentieloos.

Joop Stokkermans, die alles had kunnen worden en van alles werd, was tien toen hij op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag Schumanns Arabeske mocht komen voorspelen. Die Arabeske is geen Liszt-sonate, maar evenmin beginnerswerk, je moet wat kunnen. Joop kwam in korte broek en zonder vrees. ‘Ik werd daar als een soort wonderkind gelanceerd en ik kan me nog zo goed herinneren dat ik gewoon ging zitten en dat stuk speelde – hoe overmoedig je kunt zijn als je jong bent!’ Hij diste de herinnering op in de studio achter zijn huis, waar ik hem interviewde over zijn project And She Dances, de cd waarmee hij in 1996, bijna vijftig jaar later, even naar zijn oorspronkelijke métier van Klassiek Pianist terugkeerde. Hij deed het met dansante stukjes Albéniz, Glazoenov, Grieg, Rossini, Chaminade, Schumann en Chopin – te pretentieus moest het bij Stokkermans niet worden. Hij had het niettemin een zware klus gevonden. Met lood in de schoenen was hij aan de opname begonnen. De Arabeske was het ergst geweest. ‘Na vijftig jaar ga je erover nadenken en dan wordt pianospelen steeds moeilijker. Alleen al de inzet van die Arabeske, om daar dat zangerige element in de rechterhand zo te benadrukken dat de rest in het niets lijkt te verdwijnen, dat is zo geniaal geschreven en door de allergrootsten in het vak zo geniaal vertolkt, wie ben ik dat ik dat mag spelen?’

Denk niet dat aan die bescheidenheid een letter was gelogen. Stokkermans wist waar de lat lag. De latere liedjesschrijver, ­musicalcomponist en televisieregisseur was geen mislukte klavierleeuw maar, laat dat duidelijk zijn, een verschrikkelijk goede pianist. Hij had de Prix d’Unanimité gewonnen op het pianoconcours van Genève en in Nederland, in 1960, de Prix d’Excellence. In Genève had hij maar mooi de Paganini Rapsodie van Rachmaninoff gespeeld, met een gemak waarover hij zich later zou verbazen. Het trapezewerk, manman. Dan was er nog de serieuze componist in hem, die hij uit liefde aan de lichte muze had geschonken. In Den Haag had Stokkermans in de jaren vijftig compositie gestudeerd bij de schönbergiaan Kees van Baaren, opleider van avant-gardekanonnen als Louis Andriessen en Peter Schat. In Den Haag zat hij zij aan zij met die jongens, de toekomstige componist van de muziek bij Hamelen, Ti Ta Tovenaar, Peppie en Kokkie, Q Q en alle overige cliffhangers voor mijn generatie. De onuitwisbaar kinderlijk opwekkende muziekjes voor Venz-hagelslag en Kips-leverworst krijgt geen Alzheimer uit je geheugen. Tunes, wat was hij er angstwekkend goed in.

Toen ik Stokkermans vorig jaar over zijn conservatoriumtijd bevroeg, klonk hij even pril als toen ik hem in 1996 interviewde. Hij was in de zeventig, maar nog steeds een soort jongen uit een keurig jongensboek, met die hoge, blijmoedige stem waarin geen schaduw van somberheid wilde doordringen. Eeuwige glimlach: ‘Ik heb een vrij positieve kijk op het leven.’ Hij herinnerde zich Van Baarens componistenklas goed. ‘Een elitair klasje waar hij echt de Grote Mentor was, die jongens gedroegen zich als kleine jongetjes, ze hingen aan z’n lippen. Ik minder, omdat ik niet die kant op wilde. Van Baaren zag dat, die heeft me toen een beetje uit die klas gehouden. Die zei: dit is het niet voor jou, kom maar op een ander uur. Ik had hem mijn cabaretliedjes laten zien, die maakte ik toen ook al, en hij had er eigenlijk weinig op aan te merken. Het eerste wat hij zei was: ik heb in Enschede ook zo’n leerling als jij gehad – en dat bleek grappig genoeg Harry Bannink te zijn, van wie ik toen nog nooit had gehoord. Zelf had hij natuurlijk ook die andere kant. Hij heeft me eens verteld dat hij voor Louis Davids liedjes had geschreven die Davids gewoon op zijn naam had gezet.’

Het oude handwerk bleef wel als een latent verlangen in hem zeuren. Aan de telefoon vertelde Stokkermans me dat hij nog wel eens een strijkkwartet wilde schrijven. Wie weet heeft hij dat nog kunnen afmaken voor hij vorige week thuis in Hilversum overleed. Waarschijnlijker is dat het er niet meer van is gekomen. Er was altijd werk. In 2001 schreef hij nog de musical Nijntje, in 2006 de operette Villa Johanna. Stokkermans was het type dat ze in Nederland een handige jongen noemen, als duizendpoot te aardig klinkt: de regie voor Jonge mensen op weg naar het concertpodium, de Prinsengrachtconcerten, theatermuziek voor Jasperina de Jong, de hitjes tussendoor, waarvan Katinka in 1962 zomaar de Nederlandse finale van het Eurovisie Songfestival won. Weldenkenden in de cultuurwereld adviseerden hem ooit zijn light verse voortaan onder pseudoniem te schrijven. De luchtigheid waarmee hij dat advies aan zijn laars lapte pleit voor zijn grootheid.

Van liedjes vraag je je niet af hoe knap ze zijn gemaakt, die zing je mee. Bij nader inzien hoor je hoe gemakkelijk en soepel Stokkermans’ meezingers zich bewegen, hoe elegant en zingbaar de melodieën zijn, hoe goed ze in hun harmonieën en vormen steken. Zijn klassieke dispositie bleef voelbaar. Zijn muziek bij de ncrv-serie Armoede klonk als een middendeel uit een fictief romantisch pianoconcert, Chopin-pastiche met een vleug Rachmaninoff-weemoed. Zijn laatste werk, hoor ik hoopvol, was een stuk voor de piano­broers Lucas en Arthur Jussen.

Stokkermans was verbazingwekkend getalenteerd en zo Hollands informeel dat je te licht over het hoofd zag wat hij kon. Hij was de personificatie van de pretentieloosheid. En geen opportunist. Die neemt een schuilnaam voor Katinka en laat zich door de kranten villen voor een strijkkwartet. Het zou prachtig zijn geworden, maar de recensenten zouden hebben opgeschreven dat het te romantisch was geweest. Je zou daar gek zijn. Van dat Van Baaren-klasje was hij wel de enige geworden wiens muziek door slagersjongens werd gefloten.

Stokkermans was zo Hollands informeel dat je te licht over het hoofd zag wat hij kon