Joop van tijn

De dag voor de crematie kreeg ik mijn Vrij Nederland-collega MvW aan de telefoon met het verzoek in zijn krant iets over de overledene te schrijven, liefst over onze verschillende visie op het journalistenvak - ‘Want Joop was, zoals je weet, de man van het checken, checken en nog eens checken, terwijl jij immers…’ Het was, wat mij betreft, zo tegen het verkeerde been dat het van de weeromstuit komisch werd. Want het was nota bene dezelfde Joop van Tijn die op het dieptepunt van onze verstandhouding de giftige legende in circulatie heeft gebracht dat ík, omwille van de esthetiek, geneigd was de hand met de heilige feiten te lichten. Het is een verhaal dat mij zal achtervolgen tot op het moment dat ik op mijn beurt dood zal gaan en het bewijst dat Joop van Tijn, behalve charmant, ook malicieus kon zijn.

Het gaat, als een publieke persoonlijkheid sterft, meestal als volgt: Eerst krijg je stukken met een hagiografisch karakter, en als iedereen enigszins over de schrik heen is volgen de stukjes (Max Pam in de Volkskrant, Igor Cornelissen in Het Parool) waarin wordt geprobeerd het beeld te nuanceren. De tweede soort is heel wat moeilijker, merk ik, nu ik een poging doe iets over Joop van Tijn te schrijven, de man met wie ik bijna twintig jaar bij Vrij Nederland heb gewerkt. Wij hadden tamelijk veel gemeen, ook in emotionele zin (hij het Jappenkamp, ik de onderduik) en beiden waren wij vastbesloten alle ingeslapen instituties en Heilige Huizen rijp voor de sloop te maken. Toen ging het mis, in een reeks van conflicten, waarin meestal geen der strijdende partijen voor honderd procent de wijsheid in pacht had.
Vuijsje en Brugsma kregen achteraf toch wel een beetje gelijk: Ischa liet het nogal eens afweten. Voor de HP althans, want wanneer hij daarin soms maandenlang afwezig was, werkte hij aan een boek als Brief aan mijn moeder, door Eelke de Jong schertsend Briefje aan mijn moeder genoemd. Bert Vuijsje, van meet af aan Ischa’s vaste coach als het om de eindredactie van zijn stukken ging, kwam begin 1978 op een lumineus idee om meer continuïteit in Ischa’s werk te krijgen.
Alles wat ik over hem probeer te formuleren is terug te voeren op teleurgestelde liefde. Teleurgesteld in een man die herhaaldelijk verklaarde dat zijn weekblad zijn grote passie was waaraan niet getornd mocht worden, en ondertussen zijn energie in andere media investeerde, teleurgesteld in een man die zijn talenten helaas slechts ten dele heeft waargemaakt. Hij was een hartstochtelijk liefhebber van poëzie en kende complete gedichtenbundels uit zijn hoofd. Waarom heeft hij daar al zijn leven nooit één artikel over geschreven? Ik heb dat werkelijk nooit begrepen. Hij koos, tot mijn verwondering, liever voor het tijdgebonden schaakspel met de Haagse politiek, wat hij overigens virtuozer deed dan ieder ander, inclusief ik. Maar hoort een journalist op zo'n belangrijke post niet, al verslaggevende, aan een soort oeuvre te werken? Zo iemand kan toch niet voornamelijk de geschiedenis in gaan als de man die ooit zo'n opzienbarend interview uit Piet Steenkamp en Dries van Agt heeft weten te wringen?
De bonjes ter redactie van Vrij Nederland liepen halverwege de jaren tachtig zo hoog op dat ik op een gegeven moment dacht: ‘Ze kunnen me wat. Ik ga weg.’ Vrijwillig en geruisloos. Even later kwam ik bij(De Groene Amsterdammer terecht, een milieu waarin eveneens meningsverschillen bestonden, die op een faire en volwassen wijze bleken te worden uitgepraat.
Ondertussen circuleerden op de redactie van Vrij Nederland enige anonieme brieven en begon de ene redacteur de andere redacteur op democratische wijze te ontslaan. Ze gingen er allemaal uit, de redacteuren die hadden dwarsgelegen, plus de redacteuren die wellicht ooit lastig zouden kunnen worden. Ik zag het op verre afstand aan, met gemengde gevoelens, want je schept geen behagen in de morele neergang van een krant waarin je veel hebt geïnvesteerd.
De beroemde VN-persrubriek, gespecialiseerd in het kapittelen van concurrerende dag- en weekbladen, was trouwens inmiddels opgeheven.
Een enkele keer kwam ik Joop van Tijn nog wel eens tegen, in de trein of bij Arti et Amicitiae. Dan groetten wij elkaar. Eens, een paar jaar geleden, waren wij allebei per ongeluk betrokken bij de een of andere manifestatie, ik als spreker, hij als forumvoorzitter. Ik gaf hem een hand en zei dat wij, volgens mij, zouden moeten uitscheiden met dat vruchteloze gezeik van vroeger. Hij antwoordde effen: 'Daar moeten wij dan zeker eens over praten.’ Nooit iets van gekomen. Hij was geen man des vredes en hij vond elke vorm van dissident gedrag - jegens hem, jegens zijn krant - onvergeeflijk.
Er is, merk ik, tegen mijn bedoeling in, tóch een ondertoon van bitterheid in dit stukje geslopen.
Dat moet dan maar. Van de vergaderingen waarop wij elkander de oren wasten staan mij slechts de vage contouren bij. Noem het verdringing. Ging het werkelijk over het triviale feit dat de eindredactie niet zo bevredigend zou functioneren?
Daarentegen staat het twintigjarig ambtsjubileum van Rinus Ferdinandusse (toen ons beider hoofdredacteur) mij nog in alle details voor ogen. Het was 1979 en de nouvelle cuisine was net uitgevonden. Het keukenpersoneel van het Lido was nog niet met deze culinaire mode vertrouwd en serveerde hele kleine hapjes met een tussenpoos van vijf kwartier per gang, ondertussen genereus de glazen vullend, zodat iedereen tegen half elf redeloos beschonken was. Volgde mijn jubileumtoespraak, als senior editor. Volgde de officiële aanbieding van de jubileumkrant, waarin de VN-redacteuren elkaar parodieerden, ik Joop, Joop mij.
Toen werd hij aan de telefoon geroepen. Joop werd altijd aan de telefoon geroepen. Het duurde een half uur. Het duurde drie kwartier. Waar bleef die jongen toch? Ik begon het gebouw te doorzoeken en vond hem een etage hoger, liggend op een bank, amechtig en angstig - problemen met zijn hart. Razendsnel alarmeerde iemand een dokter en in afwachting van diens komst was ik blij dat ik er was om z'n hand vast te houden.