De droom van koning Abdullah II en koningin Rania

Jordanië wil groeien zonder olie

Koning Abdullah II en koningin Rania willen Jordanië tot nieuwe bloei brengen. Maar spanningen, vooral ook in buurland Irak, dreigen dat streven te dwarsbomen.

Koning Abdullah II staat bekend om zijn diplomatieke talenten. Maar nadat eerder deze maand een autobom ontplofte buiten de Jordaanse ambassade in Bagdad, waarbij ten minste negentien mensen werden gedood en tientallen gewond raakten, staat hij voor ongekende problemen. Het ambitieuze socio-economische hervormingsproces van de 42-jarige monarch zou op het spel kunnen staan.

De aanslag, door de Jordaanse minister van Informatie Nabil al-Sharif veroordeeld als een «lafhartige terroristische daad», kwam een week nadat Jordanië asiel verleende aan twee van Saddam Hoesseins dochters en hun kinderen. Daar werden sommige Irakezen woedend om. Bovendien wijzen velen van hen, en de moslimmeerderheid van het Jordaanse volk zelf, de pro-Amerikaanse houding van koning Abdullah af. Nu zit deze, die afhankelijk is van goedkope Iraakse olie en Amerikaanse schenkingen, gevangen tussen twee vuren.

Toen Abdullah in 1999 de macht overnam had hij duidelijke ideeën. Hij was opgeleid aan een Amerikaanse elite-universiteit en wilde meer vrijheid, meer democratie en meer busi ness voor zijn volk. Om zijn doel te bereiken was hij bereid onconventionele maatregelen te nemen — vooral door mensen te verrassen.

Hij vermomde zich als taxichauffeur, als een oude, eenogige bedoeïen of als patiënt, met de bedoeling de bureaucratie en de toestand van zijn koninkrijk te onderzoeken. «Ze raakten in paniek», herinnerde koning Abdullah zich toen hij de reactie beschreef van de ambtenaren in een belastingkantoor dat de koning bezocht op een van zijn undercovermissies als gewone Jordaniër. De koning was woedend toen hij zag hoe gewone mensen worden behandeld en kwam onmiddellijk in actie. Met zijn socio-economische hervormingsprogramma deed hij een ongeëvenaarde poging zijn koninkrijk te moderniseren om de kwakkelende economie een impuls te geven. Nu, na vier jaar aan de macht te zijn, hebben koning Abdullah en koningin Rania weten te bereiken wat enkele conservatieve krachten in het Arabische land beschouwden als onvoorstelbaar.

«Hij accepteert geen ‹nee› en het woord ‹onmogelijk› komt niet in zijn vocabulaire voor», zegt Akel Bitaji, hoogste commissaris van de Aqaba Special Economic Zone. «Voor bepaalde formulieren had je drie of vier handtekeningen nodig. Dat kon zo niet langer», herinnert Bitaji zich. «Nu zijn we een one stop shop. Je kunt tegenwoordig een bedrijf in de zone laten registreren op internet, en wel binnen een uur. Dat soort snelheid.»

De Aqaba Special Economic Zone is een rolmodel voor Jordanië. Binnen de 375 vierkante kilometer, inclusief de levendige havenstad Aqaba, profiteren bedrijven van een geliberaliseerd en belastingvrij zakelijk regime. «We hebben al 1,5 miljard dollar vastgelegd aan investeringen, voornamelijk in toeristische projecten», zegt Bitaji, die hoopt in de komende decennia zeventigduizend banen te scheppen.

Bitaji, die vele privileges werd vergund door koning Abdullah, vergelijkt Aqaba met de vroegere kroonkolonies Hongkong en Monaco. De belastingvrije oase trekt vele buitenlandse bedrijven aan, zoals Australische rijst- en tarweproducenten, en is ook populair in de regio. Sommige zakenmensen uit Saoedi-Arabië combineren graag hun zakenreizen met voordelig winkelen en een ontspannend dagje aan het strand.

Maar Aqaba is niet alleen beroemd om zijn prachtige diepzeeduikcentra in de Rode Zee. Alcohol, een drank die is verboden volgens de sharia, vloeit ongehinderd binnen de belastingvrije zone. Een fles whisky kost maar tien dollar. Islamitische fundamentalisten veroordelen de «zondige» houding van de regering jegens alcohol en de modernisering van het land. Daarom is Bitaji blij dat hij ver van de hoofdstad vandaan zit.

Op de weg door de woestijn van Aqaba naar Amman waarschuwen verkeersborden voor overstekende kamelen. Hier in het midden van het land is niet veel veranderd sinds de tijd van de profeet Mohammed. Bedoeïenen doorkruisen nog steeds het land zoals ze dat duizenden jaren geleden al deden. Met name de patriarchen van de grote stammen die vroeger het land bestuurden, zijn niet erg geporteerd voor de moderne, pro-Amerikaanse koning met zijn blauwe ogen en de moedige koningin die het aandurft om te proberen een eind te maken aan moorden uit eerwraak.

De reactie van koning Abdullah hierop was het opstellen van een enorme Jordaanse vlag in het midden van Amman, die vanaf elke plek in de hoofdstad is te zien, en de slogan «Jordanië Eerst» te verzinnen.

Maar de bommen op Irak, Jordanië’s islamitische broederland, en het bloedbad voor de Jordaanse ambassade in Bagdad hebben koning Abdullah toch in een moeilijke positie gebracht. Jordanië heeft geen olie, is afhankelijk van buitenlandse schenkingen — vooral van Amerika — en de levensbron van de woestijnstaat is zijn watervoorziening vanuit Israël.

Negentigduizend vaten goedkope Iraakse olie kwamen via de Bagdad-snelweg elke dag naar het koninkrijk. In tegenovergestelde richting gingen voedsel, medicijnen en goedkope consumptiegoederen. Toen de oorlog in maart begon werd de Iraakse olietoevoer stopgezet. De Jordaanse economie stond op het punt in te storten, en alleen een wonder kon de crisis bezweren.

Net op het moment dat hij tussen wal en schip belandde, had koning Abdullah net zulke diplomatieke vaardigheden ontwikkeld als die waar zijn vader koning Hoessein om bekend stond. En misschien stak een van zijn voorvaderen een helpende hand toe. Abdullah is namelijk een directe afstammeling van de profeet Mohammed en geniet om die reden bewondering en respect in de hele islamitische wereld. Ook al gruwen veel Arabieren van de Hasjemieten vanwege hun pro-Amerikaanse houding, toch deden Saoedi-Arabië, Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten een ongeëvenaarde inspanning. Drie maanden lang voorzagen zij Jordanië van gratis olie, wat de redding voor de Jordaanse economie betekende.

Het strategisch belangrijk gelegen Jordanië is afhankelijk van buitenlandse investeringen. Het vredesverdrag uit 1994 tussen Israël en Jordanië werd door de Amerikaanse regering beloond met de kwijtschelding van het grootste deel van Jordanië’s schulden.

Nadat koning Abdullah de macht had overgenomen werd een vrijhandelsverdrag met de VS gesloten, dat de export van Jordanië naar de VS enorm opvijzelde. Verdragen met Arabische en Europese staten en het lidmaatschap van de Wereldhandelsorganisatie versterkten sindsdien eveneens de buitenlandse handel van Jordanië. De export wordt gedomineerd door fosfaat en andere chemische en landbouwproducten; de belangrijkste importgoederen zijn olie, machines en voedselproducten.

Na de ondertekening van het Amerikaans-Jordaanse handelsverdrag in 2000 is de verkoop van Jordanië aan Amerika gegroeid van dertig miljoen tot bijna vierhonderd miljoen dollar. Niet langer Irak maar Amerika is nu de belangrijkste handelspartner van Jordanië. Om zijn invloed te vergroten stelde president Bush voor de vrijhandelszone uit te breiden over het hele Midden-Oosten.

Jordanië lijdt sterk onder de nasleep van 11 september 2001 en de Irak-crisis, die een golf van reisafzeggingen veroorzaakten. De toeristische industrie van Jordanië, die altijd zo’n miljard dollar aan inkomsten per jaar genereerde, heeft zich dan ook nog niet hersteld.

Steeds meer Jordaniërs raken intussen hun baan kwijt. Het officiële werkloosheidscijfer ligt rond de vijftien procent, maar in sommige gebieden loopt het tegen de dertig procent, waardoor een groeiend aantal gezinnen onder de armoedegrens leeft. Dit past niet in de ambitieuze plannen van koning Abdullah, die hoopt dat er dit jaar vier tot vijf procent economische groei zal zijn. Vrede en stabiliteit vormen daarvoor de belangrijkste basis. Daarom kleedde de koning zich hoogstpersoonlijk als toeristengids voor een documentaire die de beroemde toeristische trekpleisters van het land laat zien. Dat moest de 1,3 miljoen toeristen die vroeger jaarlijks zijn land bezochten inspireren om weer naar Jordanië te komen.

Om het vredesproces in het Midden-Oosten te versterken en de economie een impuls te geven, waren koning Abdullah en koningin Rania in juni gastheer en -vrouw van een «buitengewone jaarlijkse bijeenkomst», de Global Reconciliation Summit, georganiseerd door het World Economic Forum. Aan de Dode Zee kwamen dertienhonderd wereldleiders bij elkaar in een sprookjesachtige ambiance die deed denken aan duizend-en-een-nacht.

Palestijnse en Israëlische leiders onderhandelden over een mogelijk einde aan hun suïcidale conflict. In stille achterkamers besprak de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Powell die brandende kwestie met zijn Russische en Griekse collega’s Ivanov en Papan dreou, alsmede met VN-secretaris-generaal Annan en EU-vertegenwoordiger Solana. Met hulp van koning Abdullah en Klaus Schwab, de oprichter van het World Economic Forum, probeerden de heren oplossingen te vinden om de Road Map uit zijn doodlopende weg te krijgen en om de problemen rond de nasleep van de Irak-oorlog het hoofd te bieden.

Het World Economic Forum is niet langer een exclusieve herenclub. Koningin Rania is vooraanstaand lid van deze prestigieuze private Zwitserse organisatie. Rania, die microkredieten aan vrouwen verstrekt om de emancipatie in haar land te bevorderen, leidde een sessie over Empowerment of Women. Nadat een vrouwelijke professor uit Indonesië had geklaagd dat sommige islamitische mannen vrouwen dreigen dat ze worden gestraft met hellevuur als ze het lef hebben om gelijke rechten te eisen, werd koningin Rania woedend. «Ze zullen altijd een excuus weten te vinden», zei ze.

Anders dan de meeste Arabische mannen zoekt haar echtgenoot niet naar excuses. Bij de recente parlementsverkiezingen in Jordanië verzekerden vrouwen zich voor de eerste keer van het recht om zes procent van alle zetels in te nemen. En koning Abdullah hoopt dat de hoogopgeleide vrouwen in zijn land de Jordaanse economie een impuls zullen geven.

De wederopbouw van Irak zou ook een opleving kunnen brengen. «Ik verwacht dat Jordanië de toegangspoort naar Irak zal zijn», zegt Hatem Halawani, de voorzitter van de Kamer van Koophandel van Amman. «Jordanië en Irak hebben nauwe zakelijke banden», verklaart hij, in de hoop dat Jordaanse bedrijven profijt zullen hebben van het vele miljarden dollars omvattende Marshallplan voor Irak. Maar het grootste deel van het geld wordt gecontroleerd door de Amerikanen, die proberen Amerikaanse bouwbedrijven het land in te krijgen.

Intussen kunnen behalve het charismatische koninklijke paar — dat de aandacht van de wereld op het kleine koninkrijk vestigt — dus ook de ambitieuze jonge Jordaniërs gaan zorgen voor een krachtige impuls in de woestijnstaat. De meeste kinderen in Jordanië leren al in de eerste klas Engels en beginnen daar met een computer te werken; ruim dertig procent van de Jordaniërs heeft een academische graad.

Op dit moment omvat de IT-industrie van Jordanië zo’n tachtig starters. Hoewel Jordanië hoopt dat het in 2004 550 miljoen dollar zal verdienen aan IT-export, kan het niet concurreren met de IT-industrie van buurland Israël of met rijke olie-emiraten als Dubai.

Niet olie maar kennis is de brandstof die de machines van het informatietijdperk aandrijft. En misschien zullen de hoog opgeleide jonge Jordaniërs met hun goede wiskundige en analytische achtergronden de juiste formule vinden om van zand goud te maken.

Vertaling: Rob van Erkelens