10 december 1923 - 7 juni 2011

Jorge Semprún

Op de dag dat Primo Levi stierf, besloot Jorge Semprún zijn kampervaringen alsnog op te tekenen. Twintig jaar had hij zijn herinneringen aan Buchenwald weggestopt. Doelbewust, uit angst voor zelfmoord.

11 APRIL 1987 was het cruciale moment voor het literaire werk van Jorge Semprún. Op die dag, de 41ste verjaardag van de bevrijding van Buchenwald, kwam hij al schrijvend in zijn appartement in Parijs plotseling oog in oog te staan met de schim van zichzelf als kampbewoner. Het hoofdstuk in Schrijven of leven waarin Semprún vertelt hoe de kiem van deze autobiografie zich aan hem opdrong, heet De dag dat Primo Levi stierf. Want het was ook de dag dat de Italiaanse schrijver, die zijn leven lang de verschrikkingen van Auschwitz onder woorden had proberen te brengen, de dood koos door in zijn huis in Turijn het trapgat in te springen.
Semprún begreep dat heel goed. ‘Heel gewoon: een laatste maal had de angst zich van hem meester gemaakt, zonder uitweg of redmiddel. Zonder ontsnapping, zonder hoop. De angst waarvan hij in de laatste regels van Het respijt de symptomen beschreef. Buiten het kamp was, simpelweg, niets waar. De rest was slechts een korte vakantie, een zinsbegoocheling, een vage droom: zo was het.’
Jorge Semprún was een representant en een getuige van de verschrikkingen van de twintigste eeuw. Een deel van zijn tienerjaren bracht hij door in Den Haag, waar zijn vader van 1937 tot 1939 ambassadeur van de Spaanse republiek was. Ook na de overwinning van generaal Franco in de Burgeroorlog bleef de oude Semprún de republiek trouw en verhuisde als zoveel Spanjaarden naar Frankrijk. Daar raakte de filosofiestudent Jorge Semprún betrokken bij het communistisch verzet tegen de Duitse bezetters. Hij werd gepakt en begin 1944 afgevoerd naar het concentratiekamp Buchenwald, het 'politieke’ kamp waar onder anderen tienduizend 'rode’ Spanjaarden werden vermoord.
Na de bevrijding werd Semprún de organisator van de communistische ondergrondse tijdens de Spaanse dictatuur, en lid van het Centraal Comité van de Communistische Partij. In 1964 werd hij uit de partij gezet wegens zijn kritiek op de stalinistische koers. Eind jaren tachtig beleefde hij een laatste politiek avontuur als minister van Cultuur. Sinds zijn uitstoting uit de Communistische Partij in 1964 schreef hij. Vrijwel al zijn werk heeft een sterk autobiografische inslag, zoals Mémoires de Féderico Sánchez, zijn schuilnaam als verzetsleider in Spanje. Zijn romans zijn vooral gebaseerd op zijn ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog en zijn verblijf in Buchenwald, zoals De grote reis, Zo'n mooie zondag en Netsjajev is terug.
Grote faam verwierf Semprún in de jaren zestig en zeventig als scenarioschrijver. Met regisseur Costa-Gavras maakte hij de politieke speelfilms Z en L'Aveu, met Alain Resnais verfilmde hij La Guerre est finie en Stavisky, met Yves Boisset L'Attentat en met Joseph Losey Les Routes du sud.
De onmisbare kern van zijn oeuvre is zijn autobiografie Schrijven of leven, een van de meest indringende literaire getuigenissen van de vorige eeuw. Als jonge student stond het voor Semprún als een paal boven water dat hij schrijver zou worden. Maar na bijna twee jaar Buchenwald bleek dat een onmogelijke opgave. Na de bevrijding worstelde hij een half jaar lang met het op papier zetten van zijn kampervaringen, maar telkens werd hij diep terug de hel ingezogen. Zozeer dat er maar één oplossing was: wilde hij zichzelf niet tot zelfmoord drijven, dan zou hij het idee van schrijven moeten opgeven. 'Het vergeten: dat was de prijs die voor het leven moest worden betaald. Een doelbewust, systematisch vergeten van de kampervaring. Een vergeten ook van het schrijven. Van iets anders schrijven kon immers geen sprake zijn. Het zou bespottelijk en misschien wel weerzinwekkend zijn geweest om langs die ervaring heen te gaan en wat dan ook te schrijven.’
Vandaar dat de pas 21-jarige Semprún zich met alle energie in zijn politieke activiteiten stortte. Totdat op een nacht, bijna twintig jaar later, het 'opnieuw gesneeuwd had over mijn droom’, ten teken dat het verleden verre van vergeten was. In één adem schreef hij De lange reis, het verhaal van een groep gevangenen op transport naar het concentratiekamp. Het zou nog eens twintig jaar duren voor hij de moed vond helemaal naar de bodem van de hel van gevangene nummer 44.904 terug te gaan in Schrijven of leven. En toen hij al tegen de tachtig liep, dreef de herinnering hem opnieuw naar het schrijven van een roman over Buchenwald, De dode met mijn naam.
De literatuur heeft volgens Semprún de belangrijke taak om de meest dramatische gebeurtenissen in de geschiedenis levend te houden. Daarom ook dient de fictie zich te ontfermen over de concentratiekampen. 'Dat is niet alleen mogelijk, maar ook noodzakelijk’, zei hij in een interview dat ik in 2003 met hem had. 'Want we naderen een historisch moment, waarop de getuigen van de kampen verdwenen zijn. Van de overlevende getuigen die ook kunnen en willen schrijven, zal niemand meer over zijn. Wat gebeurt er als er geen fictie meer over wordt geschreven? Dan zal er ook geen herinnering meer zijn van een van de meest betekenisvolle gebeurtenissen van de twintigste eeuw. Het is heel moeilijk om de werkelijkheid van de concentratiekampen over te brengen, dus moet je je toevlucht nemen tot literaire technieken. Voor alle overlevenden, voorzover ik ze ken, is het meest karakteristieke, het eerste dat ze zich herinneren, de geur van het crematorium. Hoe breng ik over wat de geur van de oven van het crematorium is aan mensen die die nooit hebben geroken? Hier moet je een literaire vorm voor vinden, wat Primo Levi de gezuiverde of gefilterde vertelling noemde.’
Met de dood van Jorge Semprún heeft de wereld een van de laatste getuigen van de verschrikkingen van de twintigste eeuw verloren. Tegen het einde van zijn lange leven schreef hij: 'Wat ik in werkelijkheid ben is een gedeporteerde uit Buchenwald. Het meest radicale dat ik heb meegemaakt, waren die twee jaren.’