Jorge Zorreguieta 18 januari 1928 – 8 augustus 2017

Charmant, slim en sluw als hij was bracht Jorge Zorreguieta het tot een prominente positie binnen de militaire junta van Videla. Zwijgend en liegend – als vader van de Nederlandse koningin – ontliep hij gerechtigheid.

De geschiedenis laat zien dat in het reine komen met een pikzwart verleden voor een land een loden last blijft zolang de daders en de slachtoffers nog leven. De Duitse wetenschapper Aleida Assmann specialiseerde zich in dit onderwerp toen zij na de oorlog werd geconfronteerd met het grote zwijgen van de generatie van haar ouders. Zij ontwikkelde het wetenschappelijke concept herinneringsantropologie. Volgens haar is het geheugen van een land niet een spiegel van het verleden, maar de neerslag van wat een samenleving in het heden wil zijn. Ontkenning en verdringing is zowel voor slachtoffers als daders een standaardreactie om zich te beschermen tegen pijn. Bij daders komt daar schuld en schaamte bij, maar zeker niet altijd. Pas als je door dit psychologische mechanisme heen breekt kunnen er volgens haar nieuwe waarden ontstaan.

Bij het overlijden van Jorge Zorreguieta moest ik denken aan haar analyse dat na de val van een dictatuur de beerput opengaat in een klimaat van ‘we hebben het allemaal niet geweten’ en daders vervallen in een groot stilzwijgen. Wie wilde Jorge Zorreguieta na de val van het Videla-regime (1976-1983) zijn? Hoe wordt hij herinnerd?

In Argentinië zou de pers hem zijn vergeten als hij niet de schoonvader was van de koning van een sprookjesland. Zó bleef hij daar vooral in het nieuws. In Nederland werd hij op z’n Hollands gedoogd. Of eigenlijk: de angel was er al lang uit; de Nederlandse bevolking had immers Máxima al snel omarmd, en refereren aan haar vaders politieke carrière ten tijde van haar jeugd was iets voor azijnpissers.

In de necrologieën werd vorige week alles weer – zonder rancune – opgerakeld. Zijn absentie bij het huwelijk in 2002 en de traan van de bruid tijdens de slepende tangomuziek in de Nieuwe Kerk. En er werd uiteraard stilgestaan bij de reden van zijn afwezigheid, diplomatiek handig uitgedokterd door premier Kok, die in het geheim hoogleraar Latijns-Amerika studies Michiel Baud onderzoek had laten doen naar Zorreguieta’s rol tijdens de Videla-dictatuur, eerst als onderstaatssecretaris en later als staatssecretaris van Landbouw en Veeteelt. En vooral ook: of hij wist van de gedwongen verdwijningen van tienduizenden burgers. De conclusie dat Zorreguieta hiervan op de hoogte moet zijn geweest leidde tot discussies over zijn positie. Het huwelijk was immers geen privé-kwestie maar iets statelijks. Zorreguieta kreeg straf: hij mocht nooit aanwezig zijn bij officiële staatsgelegenheden. Meer was niet nodig, want het was, aldus het onderzoek, ‘praktisch uit te sluiten dat Zorreguieta in de periode van zijn regeringsdeelname persoonlijk betrokken is geweest bij de repressie of schending van de mensenrechten’. Aan zijn handen kleefde geen bloed. Hij had zitting in een moordlustige junta maar hij was geen militair en ‘slechts’ een burgerlijk bestuurder.

In eerdere publicaties komt hij naar voren als charmant, slim, sluw en ideologisch zeer overtuigd van de noodzaak tot een staatsgreep. Als belangenbehartiger van de grootgrondbezitters stond ‘El Zorro’ (de vos) mede aan de wieg ervan. Hij is altijd van mening gebleven dat ze niet anders konden: Argentinië leed in die tijd aan hyperinflatie en onder een zwak peronistisch bestuur heerste in het hele land anarchie.

‘Aan zijn handen kleefde geen bloed’

Bij zijn ambtsaanvaarding zwoer hij de eed op onder meer het decreet ‘alle noodzakelijke militaire operaties uit te voeren om de subversie in het hele land uit te roeien’. Maar zijn geheugen liet hem in de steek als het ging om het uitmoorden van ‘subversieven’ – eerst linkse activisten en vakbondsleiders maar spoedig opgerekt naar journalisten, advocaten, studenten, artsen waar ook maar een geur omheen zou hangen van sociaal engagement. Ze verdwenen van de ene op de andere dag en pas later werd bekend hoe zij tijdens ‘de vuile oorlog’ aan hun einde kwamen.

Na het opdoeken van de dictatuur bleef Jorge Zorreguieta als de ‘koning van de suiker’ een van de machtigste en rijkste mannen van het land, dat economisch in handen is van een kleine elite van zo’n vijftig families.

Wát hij precies wist over de moordlust van zijn regime zullen we waarschijnlijk nooit weten. Dat geheim neemt hij mee in zijn graf. Behalve de onderzoekscommissie-Baud hebben diverse individuele onderzoekers gepoogd dieper te graven. Zo beschrijft journalist Arnold Karskens in zijn boek De zaak-Zorreguieta (2014) zijn zoektocht naar ‘de waarheid’, waarvoor hij in archieven dook, sprak met nabestaanden van de slachtoffers, overlevenden van martelingen en oud-medewerkers op het ministerie van Landbouw en Veeteelt, tot aan Zorreguieta’s directe baas toe. Door beide perspectieven – van de slachtoffers en de daders maar ook van gewone mensen die om zich heen keken – volgt Karskens in feite de methode-Assmann.

Hard bewijs over medeplichtigheid aan verdwijningen komt niet boven tafel. Wel wordt uit Karskens’ boek duidelijk dat Zorreguieta dolgraag tot de hogere kringen wilde behoren, en daar alles voor deed. Een opportunist uit overtuiging, zoals iedere democratie die kent en die in een dictatuur net zo makkelijk zijn werk zo goed mogelijk probeert te doen. Dit type verschijnt, zo leert de geschiedenis, meestal niet voor de rechter. Twee keer is door Nederlandse advocaten geprobeerd om hem namens de zoons van Marta Sierra – die op zijn kantoor werkte en in 1976 door paramilitairen werd ontvoerd en vermoord – aan te klagen. De zaak werd niet ontvankelijk verklaard.

Argentinië worstelt nog volop met het vuile verleden. De laatste ‘Dwaze Moeders’ strijden nu vooral om het lot van hun kleinkinderen die in cellen werden geboren en ter adoptie zijn aangeboden aan gezinnen van de elite. Rechtszaken tegen verdachten van misdaden tegen de menselijkheid – zoals piloot Julio Poch – slepen zich voort. Spijt heeft Zorreguieta nooit betuigd.