Jorien van den herik

De hoogste baas van Feyenoord past niet in de voetbalwereld. Hij is innemend, spreekt in volzinnen, en houdt van de waarheid. Allemaal heel ongewoon voor een voorzitter van een voetbalclub. Jorien van den Herik roept slechts één punt van twijfel op: was hij ooit wel die windsnelle rechtsbuiten van voetbalvereniging De Pelikaan?
IEDER HEEFT ZO zijn dromen van grootheid, maar die van voetbalmannen zijn het kinderachtigst. Er is geen voetbaljournalist, geen clubbestuurder, geen supporter en geen hulptrainer die niet zelf ooit een verwoestende versnelling in de benen had, een beetje zoals Babangida of Overmars nu, of die een pass over zestig meter op het slabbetje van een vrijstaande spits kon leggen. En die zich nog als de dag van gisteren kan herinneren hoe hij ooit, op die waterkoude zondagochtend, vlak voor het einde van de wedstrijd, die eigenlijk onspeelbare bal nipt met hun kruintje beroerden, zodat het natte leer, onbereikbaar voor de wanhopig graaiende keeper, naar de alleruiterste hoek van het doel zeilde om daar, een paar ademloze seconden lang, te blijven hangen, alvorens met een moede zucht in het net te ploffen.

Zulke verhalen vertellen de mannen die van voetballen houden maar nooit echt voetballer geweest zijn. Die nooit verder kwamen dan het derde elftal van VV De Kogelvangers uit Noord-Brabant.
Jorien van den Herik is voorzitter van Feyenoord en hij weet: wil je in het voetballen voor vol worden aangezien, dan moet je gespeeld hebben. Amateur, zesde klasse onderbond, op knollenvelden tussen vier sloten, maakt niet uit, als je maar op het veld hebt gestaan. Het is niet genoeg dat je drie miljoen gulden eigen geld in de club hebt gestoken. Dat je een briljant zakenman bent interesseert niemand tussen Kuip en ArenA ene zier.
Het eerste het beste voetballertje van niks dat per ongeluk een keer de winnende goal binnenstruikelt, heeft meer kans om herinnerd te worden dan de vakkundige voorzitter van een miljoenenclub. ‘Kejij je nog herinneren, hoe dat pikkie toen…’ - dat is voer voor dromen, niet de briljante sanering van een topclub die vijftien miljoen opleverde.
Daarom heeft Jorien van den Herik zich een eigen voetbalverleden aangemeten: dat hij voor de amateurs van De Pelikaan speelde, een broodmagere, windsnelle rechtsbuiten, die na een rush naar de achterlijn loepzuivere voorzetten verzond. 'Vrijwel altijd een doelpunt’, vertelt hij trots aan journalisten.
Niemand gelooft hem. Deze man is nooit voetballer geweest. Hij heeft er het lichaam niet voor, hij heeft er het hoofd niet voor, hij heeft geen gevoel voor de typische voetbalhumor - zoals het verstoppen van iemands kicksen vlak voor de wedstrijd - en hij kan de relativiteit van het spelletje wel inzien. Hij weet dat er belangrijker zaken in het leven zijn dan voetbal. Hij leidt Feyenoord zoals een goed manager dat betaamt: zakelijk, berekenend, vastberaden.
IN FEITE IS FEYENOORD maar een van vele ondernemingen die hij onder zijn hoede heeft. Zo leidt hij bijvoorbeeld nog steeds zijn eigen dakbedekkingsbedrijf dat het begin van zijn imperium was, en dat hij grotendeels met eigen handen en met gedurfd ondernemen opbouwde), een bedrijf dat industriële messen fabriceert, een reclamefirma, en is hij commissaris bij Gassan Diamonds, een grote Amsterdamse diamantair. Daarnaast heeft hij aandelen in vele andere ondernemingen en een flink aantal commissariaten in de Verenigde Staten.
Bij Feyenoord kwam hij binnen omdat hij geld had. In 1985 werd hij gevraagd om de aankoop van enkele spelers te financieren, onder meer de Deense spits Lars Elstrup. Van het een kwam het ander, en voor hij het wist had hij meer dan drie miljoen gulden in de club zitten, zonder dat hij daar enige zeggenschap over had. Toen Feyenoord dreigde te worden meegesleept in de ondergang van toenmalig hoofdsponsor HCS, eiste Van den Herik een plaats in het clubbestuur met de woorden: 'Als ik mijn geld kwijtraak, dan ben ik er graag zelf bij.’
De mannen met geld zijn niet geliefd in het voetbal. Ze zijn nodig, maar ze zijn nooit geliefd. Het stuit de voetbalfans tegen de borst: clubs die hun ziel en zaligheid verkopen aan de eerste de beste proleet met duiten op zak. Cabaretiers maken er graag grappen over, over de Rolexen, de grote auto’s en de poenerigheid in de skyboxen.
Toch hebben de meeste Nederlandse clubs ooit van mannen met geld geprofiteerd. Nol Hendriks bij Roda JC, de grootmogol van FC Amsterdam Dé Stoop, Dick Scheringa bij AZ, varkensfokker Renze de Vries bij FC Groningen, kit- en lijmkoning Cees den Braven van SVV, autohandelaar en vrije jongen John van Dijk bij Dordrecht '90: het zijn de mannen die voor hun geld voornamelijk achterdocht, wantrouwen en gekanker kochten.
Besturen en trainers kankerden dat ze niet genoeg geld kregen om te doen wat ze wilden, en als ze dat wel kregen, kankerden ze omdat de geldschieter nota bene wilde weten wat er met het geld gebeurde. De supporters kankerden omdat de geldschieter nu eenmaal hoort bij dat deel van het voetbal dat ze verafschuwen en waarop ze het liefste afgeven: de bobo’s, de mannen in blazers die de eigenlijke macht hebben. Wat ze in Amerika noemen: 'The little bald men in suits that rule the world.’
Het is een reactie die op weinig anders is gebaseerd dan een soort instinctieve afkeer. Toegegeven, er zijn wel geldschieters geweest die clubs in de ellende hebben gebracht - zoals de officieuze uitvinder van het zwart betalen, Renze de Vries, bijna de ondergang van FC Groningen werd. Maar iemand als Jorien van den Herik wordt de meest merkwaardige dingen verweten. Zijn kennis van zaken, zijn oprechtheid, zijn charme 'Pas maar op dat hij je niet inpakt met zijn innemendheid’ en natuurlijk: zijn geld. Hugo Camps in NRC: 'Van den Herik heeft de souvereiniteit van het geld. Zijn geld. (…) Pelgrim of despoot, zolang het de club voor de wind gaat is er weinig aan de hand.’ Met andere woorden, hier wordt iemand verweten dat hij ervoor zorgt dat het goed gaat met de club.
Jorien van den Herik begrijpt dat niet, of beter, hij wil het niet begrijpen. Altijd hetzelfde gesneer over zijn gebruinde uiterlijk, over zijn loei van een BMW, over zijn jacht op Cyprus. Daar gaat het toch niet om? Dat Feyenoord momenteel financieel behoorlijk gezond is en het steeds beter gaat, dáár gaat het om. Dat een speler die niet rendeert en niet meer in het team past verkocht moet worden, wat is daar fout aan? Dat een trainer die niet goed functioneert vervangen wordt, dat is misschien vervelend voor de trainer, maar je kunt iemand toch niet handhaven alleen omdat het zo'n bijzonder en legendarisch mens is? Dat is kinderlijke jongensboekenromantiek, daar koop je geen brood voor.
IN DE VOLKSKRANT werd een journalist geciteerd die Rorien Van den Herik aan het werk zag in de historische KNVB-vergadering waarin over Sport7 werd beslist: 'Hij is een van de weinige mensen in de voetbalwereld die tien woorden achter elkaar kan zeggen. Ze waren doodsbenauwd voor hem.’
Dat is het grote punt: men is doodsbenauwd voor hem. Hij is zo anders dan alle anderen, daar worden de voetbalmannen bloednerveus van.
Zo bezit hij een soort recht-door-zeeheid waar vooral sportjournalisten slecht mee uit de voeten kunnen. Hij draait er niet omheen, als hij fouten maakt is hij volledig bereid dat toe te geven. Waarom niet? Vraag of hij zichzelf een rancuneus man vindt, en hij ontkent het niet. Ook dat hij ijdel is heeft hij al meer dan eens erkend.
Jorien Van den Herik hoort niet thuis tussen de voetballers, de supporters en de bestuurders. De verafgoding van het voetbal en de vaak kitscherige romantiek kan hem eigenlijk gestolen worden.
Na de rellen na afloop van de wedstrijd Feyenoord-Ajax afgelopen weekend gaf hij ronduit toe dat hij van voetbal geen verstand had. En dít in een wereldje waar het om de hete brei heen pingelen als kunst wordt gezien, waar men de cryptische wartaal van Johan Cruijff in aanbidding aanhoort. Een wereld waarin de kinderlijke woede-uitbarstingen van een topcoach als teken van genialiteit worden gezien en scheidsrechters op het veld bij elke beslissing worden bestormd door een jengelende, dreinende en zeurende kudde voetballers.
Het is geen wonder dat Jorien van den Herik zo wordt gewantrouwd en achter zijn rug om wordt beschimpt: hij is een anomalie. Hij is de enige volwassene in een rijk van kinderen.