José in estevais (2)

Lente in Estevais. De Nederlandse journalisten worden naar hun nachtkwartier gebracht. Maar José Rentes de Carvalho, de man die zich heeft voorgenomen het dorp voor uitsterven te behoeden, brengt eerst, mij in zijn kielzog, een bezoek aan zijn vriend en mentor doctor Pimentel.

Vierentachtig en, als grootste landeigenaar van de provincie, schathemelrijk. Vandaar die zeven koffiemolens en vijftien snotneuzen in zijn huiskamer? ‘Toch leuk om te hebben, joh?’ zegt Rentes de Carvalho. Wij drinken huisgestookte port. In het hoekje bij de haard zit een zwijgende jongeman. Die heeft recentelijk de Angolese spoorwegen opgekocht en heeft maatschappelijk dus ook niets te klagen.
Rentes de Carvalho geeft een soort persconferentie in het café. Hij bezoekt, sinds hij zich in 1956 in Nederland vestigde, het dorp twee, drie keer per jaar. En hij heeft dus allemaal met eigen ogen gezien hoe in de periode 1960-1980 alle mannen naar verre buitenlanden vertrokken. Soms komen zij, bejaard en wel, naar hun geboortedorp terug, met als gevolg dat de gemiddelde leeftijd inmiddels zeventig, tachtig is. 'Het enige dat hier groeit en bloeit is het kerkhof’, zegt Rentes de Carvalho.
Slechts het toerisme kan zijn dorp redden. Maar heeft hij de toeristen in zijn boek Portugal, een gids voor vrienden (1989) niet met allesvernietigende sprinkhanen vergeleken?
'Ja, maar wij zoeken niet naar gewone toeristen’, zegt hij. En wat heeft Estevais (150 inwoners) die ongewone toerist te bieden? 'Wandelingen, stilte, zuivere lucht en schoon water’, zegt Rentes de Carvalho.
De minibus brengt ons naar een nabijgelegen dorp dat net groot genoeg is om zich een plaatselijke fanfare te kunnen permitteren. Het ensemble is geposteerd in de dorpsstraat, vlak voor het dorpshuis. De dirigent (grijze broek, blauwe blazer) inspecteert met zwijgende gestrengheid zijn troepen. Dan begeven wij ons naar het dorpshuis, waar in de grote zaal de fado’s ten gehore zullen worden gebracht. Het is even wachten op de zangeressen, die zich nog in het dorpscafé bevinden. De beheerder drukt alvast de schetterende tv uit. Het instrument torent hoog boven de menigte uit, maar met behulp van een lege wijnfles weet hij feilloos de knop te vinden.
Daar zijn de zangers en zangeressen. Eveneens lokale kunstenaars, de ene zangeres is de plaatselijke huisarts, de andere zangeres administreert een vrachtwagenbedrijf. Grote kunst, zonder enig provincialisme, met als hoogtepunt het lied 'Amar!’ ('Beminnen!’), geschreven door Florbela Espanca, de dichteres die op dertigjarige leeftijd zelfmoord pleegde, omdat zij verliefd op haar broer was geworden. 'Eu quero amar, amar perdidamente’ - 'Ik wil beminnen, beminnen, buiten zinnen’. En zo wordt het nog extra gezellig, vooral als het programma een deur verder wordt gebisseerd, door een vurig glaasje cognac begeleid.
De volgende dag hobbelt en kronkelt ons gezelschap weer richting Porto. Het is avond in de haven. Bootjes dobberen over de Douro, omgeven door middelgrote heuvels, met louter lichtreclames voor ’s lands nationale trots, de port. Taylor’s. Kopke. Delaforce. Croft. Grahams. Messias. Calem. 'En zie je die Cockburn, verderop?’ vraagt José Rentes de Carvalho. 'Nee, rechts… Daarachter ben ik geboren.’