Joschka fischer

Joschka Fischer, leider van de Grunenfractie in de Bondsdag, is de belichaming van het normaliseringsproces van een partij waarin jarenlang het gekste niet gek genoeg was. Mag de realo-utopist zich dadelijk vice-kanselier noemen?
HET WAS BEGIN 1987 toen Joschka Fischer in de deelstaat Hessen werd beedigd als ‘eerste groene milieuminister op deze planeet’, een gebeurtenis die de nieuwe bewindsman belangrijk genoeg vond om in een dagboek te registreren. ‘Is het een historische dag of een incident met slechts regionale betekenis?’ vroeg Fischer zich af. ‘Een dag die het politieke landschap van Duitsland heeft omgeploegd of slechts een hoofdstukje in de geschiedenis van Moedertje Sociaal-Democratie onder de titel: “Hoe dwarsliggende linksen zo effectief mogelijk in te pakken”?

De Fundis zullen in elk geval de noodklok luiden.’ Zoals ook de oppositionele CDU ‘van machteloosheid schuimde’. De CDU-fractievoorzitter in Hessen bleek een fischeroloog te zijn die het Verzameld Werk van de nieuwe minister van de eerste tot de laatste regel had gelezen. Fischer over hem: 'Hij spreekt en citeert, citeert en spreekt, waarbij hij het portret schetst van een doortrapte, onverbiddelijk voortschrijdende vijand-van-de-natie. Ik gloei van trots. Fundis, luister! Hij heeft het over mij!’
Was getekend de aartsvijand aller Fundis (fundamentalisten) Joschka Fischer, boegbeeld van de Realos (realisten) van de Bondsrepublikeinse Grunen. Hoe is de toenmalige secretaris-generaal van de christendemocraten, Heiner Geissler, in die tijd niet tegen de jonge milieupartij tekeer gegaan! Het waren communisten respectievelijk nazi’s, arbeidsschuwe elementen, ecologische ayatolla’s, handlangers van de terroristen, als muesliconsumenten vermomde extremisten, groene wolven in schaapsvel, gepatenteerde vijanden van de rechtsstaat. Moet je die man nu, anno 1995, horen! Geissler, van Saulus in Paulus veranderd, is inmiddels diegene die niet meer of minder dan een zwart-groene coalitie, een regeringssamenwerking tussen CDU en Grunen bepleit, overigens zonder het minste succes.
'U gelooft toch niet dat de CDU een dergelijke constructie zou overleven?’ vroeg Fischer zich recentelijk af. 'Een derde van de christendemocratische aanhang leunt tegen de Republikaner aan. Dus wat moeten ze in godsnaam met de Grunen beginnen?’
DE TIJD VOOR een zwart-groene coalitie is nog lang niet rijp, al is in het Duitsland-na-de-Muur niets meer onmogelijk. Aanmerkelijk realistischer is een ander godswonder: een rood-groene coalitie, een federale regeringssamenwerking tussen sociaal-democraten en Grunen, zoals die in Hessen in praktijk is gebracht en thans in de belangrijkste deelstaat van Duitsland, Noordrijn-Westfalen, in de maak is, als opstapje naar de verkiezingen van 1998 als de omnipotente Helmut Kohl eindelijk met pensioen zal worden gestuurd.
Fischers Realos geven binnen de partij inmiddels de toon aan. Het zijn geen 'wildgeworden burgerzoontjes’ (SPD-jargon) meer, het is inmiddels het liberaal-ecologische alternatief voor de failliete FDP, een hooggekwalificeerde oppositiepartij (in Bonn) annex regeringspartij (in tachtig verschillende gemeenten), met een vice-presidente in de Bondsdag en 'goede contacten met de industrie’.
Joschka Fischer, na zijn ministerschap leider van de Grunenfractie in het landelijke parlement, is de belichaming van het normaliseringsproces van een partij waarin jarenlang het gekste inderdaad nog niet gek genoeg was. Ach, wat was hij jong en onschuldig toen hij in 1983 vanaf het spreekgestoelte van de Bondsdag liet weten dat de bondspresident 'met permissie een klootzak’ was. Moet je hem nu zien! En horen! Hij is in omvang vertweevoudigd en spreekt thans vanaf datzelfde spreekgestoelte de minister van Financien vrijmoedig met 'Theo’ aan, een stugge Beierse christen-sociaal die zelfs door zijn eigen vrouw en kinderen niet wordt getutoyeerd. Fischer heeft zich tot een werkelijk onverslaanbaar politicus ontwikkeld, de ware oppositieleider in het Westduitse parlement, die de wasbleke SPD-leider Rudolf Scharping geheel in de schaduw stelt. Hij is slim, zelfbewust ('Ik ben ik’) en vaart een koers die men inmiddels realo-utopistisch kan noemen, strevend naar de verzoening tussen ecologie en economie. Tot elke prijs, zelfs ten koste van het odium 'een verrader’ te zijn, zoals de laatste overgebleven Fundi’s monkelen.
'OM MIJN DOEL te bereiken ben ik zelfs bereid een zijden stropdas onder mijn neus te laten bungelen’, zegt Fischer. En omdat ook de Duitse industrielen langzamerhand enigszins beginnen te beseffen dat de natie in zijn eigen vuil dreigt te stikken, is Fischers realo-utopie inmiddels lang niet meer zo wereldvreemd als vroeger.
Hoe moet 'die Linke nach dem Sozialismus’ opereren? Joschka Fischer schreef in 1993 een boek over deze brandende kwestie. 'Voortaan zal denkend links zijn kritiek op het boze kapitalisme moeten bewijzen met behulp van harde feiten, en niet met halfzacht gemoraliseer’, vindt hij. Het socialisme heeft ongetwijfeld de Koude Oorlog verloren. Dit impliceert niet per definitie dat het kapitalisme - consumptieverslaafd, een regelrechte bedreiging voor mens en milieu - de Koude Oorlog heeft gewonnen. Fischer heeft inmiddels al een kwart eeuw politieke ervaring achter de rug, van de knokpartijen op het stedelijk asfalt tot de retorische steekpartijen in de Bondsdag, waarin hij allang zijn oude rol van verbale voetzoeker is ontstegen. 'Soms voert hij genadeloos oppositie, soms staat hij open voor tegenargumenten’, schrijft het weekblad Der Spiegel, 'soms oogt hij als een boeddhabeeld, de handen rustend op zijn aanzienlijke buik, soms is hij een wandelende haard van onrust, vuurspuwend van links naar rechts, brutaal, intelligent en provocerend.’
In de wetenschap dat zijn partij allang geen curiosum meer is, een verzameling zonderlingen, fundamentalisten, feminien-stalinisten en polit-pederasten, maar een echt politiek alternatief voor, zoals reeds anderhalf decennium geleden werd geschreven, 'onze grote volkspartijen die steeds meer op dinosaurussen lijken, alleen al door hun monstrueuze omvang tot uitsterven gedoemd’. Inmiddels zijn de Grunen, steunend op de generatie van de jaren zestig en hun inmiddels stemgerechtigde kinderen, een volwassen concurrent voor SPD, FDP en CDU geworden. De jeugd heeft immers ook in de van welvaart vervette Bondsrepubliek de toekomst. Driekwart van de jongeren, leren ons de politicologen, wenst een rood-groene coalitie. In de studentensteden is een partij als de SPD inmiddels nauwelijks een factor meer en wordt massaal op de vroegere Chaoten rond Joschka Fischer en de zijnen gestemd.
WANT HET WAREN chaoten, dat valt niet te ontkennen, die hun kleuters tijdens partijcongressen achter de microfoon posteerden om op basisdemocratische wijze de besluitvorming te laten ontregelen. Behalve chaoten waren het ook vaak regelrechte idioten, met een gestoorde verhouding tot de contemporaine geschiedenis. Mao Zedong en Yassar Arafat hadden binnen dit milieu meer krediet dan zij redelijkerwijs verdienden.
Vier jaar geleden, midden in de Golfoorlog, bezocht de woordvoerder van de Grunen het stervensbedreigde Israel, waar hij publiekelijk beweerde dat de Iraakse raketaanvallen 'de logische consequentie van de Israelische politiek’ zouden zijn. Het toenmalige socialistische parlementslid Schevach Weiss constateerde, rood van woede, dat hier een representant van 'geen groene maar bruine organisatie’ had gesproken, waarna de ongewenste gasten zonder pardon de grens werden overgezet.
Vier jaar later bezocht Joschka Fischer, eveneens Realo inzake het joodse vraagstuk, Yad Washem, de heilige grond te Jeruzalem waar de doden worden herdacht. Hij legde een krans, een keppeltje op zijn omvangrijke achterhoofd, en stelde vragen, bescheiden en sensibel. Voornoemde Schevach Weiss bleek inmiddels te zijn bevorderd tot president van de Knesset, het Israelische parlement. Tussen de diverse moties van wantrouwen door (de Knesset is het meest turbulente parlement ter wereld) voerde Weiss met Fischer een open en hoffelijk gesprek, waarna de Israelische politicus verklaarde te hopen dat het Duitsland van de nabije toekomst door een rood-groene coalitie zou worden geregeerd.
Het kan. De tijd is rijp. Bij de Bondsdagverkiezingen van 1994 behaalde Helmut Kohls CDU/CSU met 41,4 procent, het slechtste resultaat sedert 1949. Met de natuurlijke coalitiepartner, de nepliberale FDP, gaat het inmiddels zo slecht dat de partij in een min of meer linkse en een min of meer ultrarechtse vleugel uiteen dreigt te vallen. Vijf FDP-dissidenten zijn genoeg om Kohls absolute meerderheid om zeep te brengen, waarna het noodzakelijk zal zijn om vervroegde verkiezingen uit te schrijven. Maar zelfs als dit wankele bondgenootschap tot het reguliere verkiezingsjaar 1998 weet stand te houden, lijkt de rood-groene coalitie onafwendbaar, in welk geval de voormalige straatvechter Joschka Fischer - geloof het of niet - zich vice-kanselier mag noemen. Ja, het kan. Het is zelfs waarschijnlijk: nog een paar nachtjes slapen en de Duitse Bondsrepubliek, door zijn buren lang met argwaan bekeken, is de meest vooruitstrevende natie van Europa.