16 november 1922 - 18 juni 2010

José de Sousa Saramago

José Saramago weigerde genoegen te nemen met de wereld zoals die is. Eerst als schrijver, toen als activist en uiteindelijk weer als schrijver streed hij tegen onmacht, leugens en intimidatie.

JOSÉ SARAMAGO GOLD gedurende zijn hele leven als overtuigd marxist, zeg maar gerust als gelovige. Hij was een van de weinige linkse romanciers die bewust hun schrijversloopbaan afbraken om revolutie te maken. Pas toen dat onmiskenbaar mislukt was, nam Saramago de pen weer ter hand en ontdekte de wereld beetje bij beetje zijn ware talent. De Portugees laat een oeuvre van tientallen fijnzinnige romans, theaterstukken, poëziebundels en kronieken na waarvoor hij in 1998 de Nobelprijs voor Literatuur kreeg. Aan dat oeuvre zal De Groene Amsterdammer uitvoerig aandacht besteden bij de postume verschijning van zijn laatste roman Kaïn, die in september in vertaling bij Meulenhoff uitkomt.
Al die jaren hield Saramago, de zoon van een ongeletterde dagloner, vast aan een manicheïstisch wereldbeeld. Na zijn weinig succesvolle eersteling Terra do pecado (‘Land van de zonde’) uit 1947 gaf hij het schrijven op omdat hij, zoals hij het uitdrukte, 'niets meer te melden’ had. Hij werd actief in de Portugese Communistische Partij en ontpopte zich als een onverzoenlijke stalinist, wat hij tot zijn dood gebleven is. Zijn politieke standpunten vormden een catalogus van banaliteiten. De democratie was volgens Saramago een 'georganiseerde leugen’, de godsdienst was verantwoordelijk voor alle kwaad in de wereld en bankiers en andere financiële machthebbers waren schuldig aan 'misdaden tegen de menselijkheid’.
Van een communist zou je verwachten dat hij een nuchtere kijk op de macht heeft, op de aardse oorsprong, de menselijke aspecten en de bedrieglijke parafernalia van machtsuitoefening. Maar in het werk van Saramago heeft de macht gek genoeg geen gezicht, of het moet het gezicht zijn van de media, de politie en andere instituten die de boodschap van de machthebbers uitdragen en daardoor indirect hun bestaan bewijzen. Saramago vond machthebbers eenvoudig niet interessant. Hij beschouwde hen in klassiek-marxistische zin als 'karaktermaskers’, dat wil zeggen als personages wier karakter slechts een vermomming is voor hun streven naar machtsbehoud en kapitaalvermeerdering. 'Je zou kunnen zeggen dat ik klassenliteratuur bedrijf’, zei hij eens in een interview met NRC Handelsblad: 'De geschiedenis uit het perspectief van een graaf of een miljonair zou ik nooit kunnen weergeven.’
In Het Evangelie volgens Jezus Christus (1992) blijken zelfs ’s werelds bovennatuurlijke machthebbers nauwelijks diepgang te hebben. De christelijke God wordt beschreven als een slechter wezen dan de Duivel, een soort transcendente capo di tutti capi die geen genoegen neemt met de lokale alleenheerschappij in Palestina maar zijn tentakels naar de hele wereld uitstrekt. Een Galileïsche timmermanszoon die Hem toevallig voor de voeten loopt, wordt ongewild het zoveelste slachtoffer van Zijn machtswellust. De adoptiefzoon sterft uiteindelijk als opstandeling tegen zijn vader, maar Hij weet het zo te draaien dat de arme Jezus lijkt te zijn gestorven om Zijn liefdesboodschap uit te dragen. In het jaar 33 stonden de media te Jeruzalem kennelijk ook al in dienst van het systeem. De theologische ondertoon van het boek is bijna ondraaglijk en de humor is geheel afwezig bij Saramago’s weergave van een gesprek tussen de Duivel en God.
In Saramago’s wereld hebben machthebbers geen vertederende zwaktes en ook de goden lijden niet onder de al te menselijke misverstanden die we tegenkomen in andere literaire versies van het Christus-verhaal, zoals Michael Boelgakovs De meester en Margarita, Simon Vestdijks De nadagen van Pilatus of Gore Vidals heerlijke Live from Golgotha. Pas wanneer de schrijver afdaalt naar het alledaagse worden zijn protagonisten levendiger, geestiger en ook tragischer. Saramago’s unieke literaire talent bestaat hierin dat hij toont dat gewone mensen in buitengewone situaties vaak buitengewoon interessant zijn. Dit gegeven staat centraal in De stad der blinden (1995), waarin Lissabon wordt getroffen door een mysterieuze epidemie die op één na alle inwoners blind maakt. Het decorum van de geordende burgermaatschappij stort langzaam maar zeker in. Zelfs de taal wordt ontregeld, want hoofdletters en komma’s staan in de vertelling niet waar ze doorgaans staan. In die omstandigheden degenereren welopgevoede mensen tot dieren terwijl enkele van de eenvoudigste zielen juist hardnekkig aan de tien geboden vasthouden en immuun blijken te zijn voor de meest perfide vormen van manipulatie.
De schrijver duidt de personages consequent aan met hun maatschappelijke rol - 'de oogarts’, 'de autodief’, enzovoort - en ook dat heeft een bedoeling. Het boek is een marxistische Umwertung aller Werte waarbij de klassenmaatschappij tijdelijk binnenstebuiten wordt gekeerd. Het toont het contrast tussen het morele gehalte van de personages en hun maatschappelijke functie, waarbij de laatste uiteindelijk niet meer dan een lege huls blijkt te zijn. Ook 'de vrouw van de oogarts’, de heldin van het verhaal, krijgt van Saramago geen naam en zelfs nauwelijks een verleden toebedeeld. Toch voel je een ongekende affiniteit met de vrouw in haar vergeefse worsteling met onmacht, leugens en intimidatie. Het maakt de roman tot een unieke moderne parabel, psychologisch glashelder en politiek uitzichtloos tegelijk. Het bewijst dat Saramago ten diepste weigerde genoegen te nemen met de wereld zoals hij is. Het was een recept voor slechte politiek en grandioze literatuur.