Joseph brodsky

Afgelopen weekend overleed in New York Iosif Brodski, de dichter die zich in Sint Petersburg had willen omringen met de taal der Grote Russen, maar die door de sovjet-autoriteiten het land werd uitgezet. Voor hem bepaalde niet het zijn, maar de taal het bewustzijn - desnoods de taal van zijn ballingschap, het Engels.
HET IS KEURIG georkestreerd. Op 29 november 1963, precies een week na de moord op president John F. Kennedy, staat in het Leningradse Avondblad een hetzerig stuk met als kop ‘Een parasiet aan de rand van de literatuur’. Tweeeneenhalve maand later, op donderdag 13 februari 1964, wordt die ‘parasiet’, de dichter Iosif B., die zich van geen kwaad bewust was, ‘s avonds op straat gearresteerd en opgesloten in de Krestygevangenis van Leningrad. Na een kort strafproces wegens landloperij en parasitisme ('Wat doet u voor de kost?’ ‘Ik schrijf gedichten.’) mag B. vijf jaar lang dwangarbeid verrichten op een kolchoz-boerderij in het noordelijke Archangelsk. Dank zij internationale protesten komt B. eind 1965 weer ‘vrij’, maar zijn gedichten blijven ondergronds.

In Joseph Brodsky’s indrukwekkende essaybundel Tussen iets en niets (1986) staat een toespraak gericht tot jonge afgestudeerde studenten: ‘Een woord van vaarwel’. Daarin raadt Brodsky, Amerikaans staatsburger, zijn publiek aan zich met 'een extreem individualisme’ te beschermen tegen het alomtegenwoordige Kwaad. Het Kwaad rekent op voorspelbaarheid en weet zich geen raad met onberekenbare individuen die door groteske daden en overdrijving het Kwaad belachelijk maken. Brodsky vertelt dan over een vierentwintigjarige gevangene die zonder onderbreking twaalf uur lang hout hakte, terwijl niemand dat van hem had geeist. Hij overdreef en maakte zijn bewakers - de lijfwachten van het Kwaad - daarmee belachelijk.
Die vierentwintigjarige gevangene had Iosif B. geweest kunnen zijn. Hij was geboren in het desastreuze jaar 1940, op 24 mei, hij had de driejarige nazi-belegering van Leningrad overleefd en hij was op vijftienjarige leeftijd de klas uit gelopen omdat hij genoeg had van de domme propagandapraat van zijn onderwijzers terwijl hij zo langzamerhand meer wist dan zij. Iosif B. vond een hele reeks baantjes, van freesbankwerker tot hulp in een ziekenhuismortuarium. ('Terwijl je in het schrijversvak geen ervaring maar onzekerheden opdoet’, schreef hij in Tussen iemand en niemand). In 1964 werd deze 'klaploper’ en 'lanterfanter’ naar Archangelsk gestuurd.
HET IS TEKENEND voor Joseph Brodsky’s manier van schrijven dat hij zichzelf nooit heeft herschreven tot martelaar of held. Hij heeft altijd afstand genomen van zichzelf en van zijn leven geen mythe gemaakt. In een interview dat hij in 1983 aan NRC Handelsblad gaf, zei hij: 'Ik werd tewerkgesteld in een klein gehucht vlak bij de Poolcirkel. Wij moesten hard werken. Maar ik vond het niet zo erg, weet je, ik hou van onplezierige dingen.’
Zijn 'ik’ lijkt iets uitwendigs te zijn en is onderwerp van waarneming. Zijn schokkende biografie is wel verwerkt in zijn gedichten en essays, maar verhuld, via de koninklijke omweg van de abstractie, de metafoor, de parabel, het citaat. Nergens staat hij zichzelf toe slachtoffer te zijn. 'De biografie van de schrijver zit in zijn woordkronkels’, noteert Brodsky in het titelessay van Tussen iemand en niemand. In het vervolg van die bundel, het deze maand verschenen On Grief and Reason, geeft hij in een toespraak zijn publiek van studenten de raad ten koste van alles te voorkomen dat ze in de rol van slachtoffer worden gedrongen. (Mijn bron is niet het boek zelf, dat nog niet in Nederland is aangekomen, maar J. M. Coetzee, die Brodsky’s bundel in een recent nummer van The New York Review of Books bespreekt.)
Het meest cruciale jaar in het leven van Iosif B. is 1972. Op 4 juni van dat rampjaar, kort voordat 'een aantal landgenoten in het onzichtbare uniform van de staatspolitie’ (Brodsky-vertaler Charles Timmer) hem op het vliegtuig naar Wenen zet en hem zijn staatsburgerschap wordt ontnomen, schrijft hij een open brief aan Brezjnev - en over zijn hoofd heen aan zijn landgenoten. Het is de brief van een ongebroken, opstandige dichter die zijn ouders, zijn vrouw en zijn vierjarig zoontje moet achterlaten. 'Hoewel ik nu mijn Sovjetstaatsburgerschap verlies, houd ik niet op een Russisch dichter te zijn. Ik geloof in mijn terugkeer; dichters keren altijd terug, lijfelijk of op papier. Maar ik wil u verzekeren dat, ook als mijn volk aan mijn lichaam geen behoefte heeft, mijn ziel in ieder geval nog bruikbaar zal zijn.’
Brezjnev beantwoordde B.’s brief natuurlijk niet. De dichter werd in Oostenrijk opgevangen door W. H. Auden, die hem in woord en daad steunde voordat hij naar de Verenigde Staten vertrok. Daar ging hij zonder zelfbeklag dichten over de verminkingen van ballingschap (het lichaam als een 'torso’, niet toevallig ook de titel van een bundel). Waren niet ook zijn grote voorbeelden Dante en Ovidius door de politici uit hun land gezet? Hij raakte ook verbonden aan universiteiten, onder andere die van Michigan, en ging in het Engels schrijven, als Joseph Brodsky.
In 1987 kon de Sovjetunie van Gorbatsjov niet meer verzwijgen dat een van haar verstoten zonen de Nobelprijs voor literatuur had gekregen. De ziel van de kosmopolitische dichter was weer teruggekeerd naar Moedertje Rusland.
'HET ZIJN BEPAALT het bewustzijn.’ Dixit Karl Marx. Met andere woorden: de onderbouw bepaalt de bovenbouw. Brodski achtte dat vulgair-marxistische credo al op vroege leeftijd onzin. In Tussen iemand en niemand varieert hij op Marx’ uitspraak: 'De taal bepaalt het bewustzijn.’ Hij staaft die bewering met een voorbeeld uit zijn eigen jeugd, een gebeurtenis die ver boven het anekdotische uitstijgt. De werkelijke geschiedenis van het bewustzijn begint 'met je eerste leugen’.
In de schoolbibliotheek moest Brodski, zeven jaar oud, een leeskaart aanvragen. De vijfde vraag was de vraag naar de 'nationaliteit’. Brodski zei tegen de bibliothecaresse dat hij dat niet wist. Het was niet zozeer schaamte of angst om te 'bekennen’ dat hij een jood was - dat wist iedereen in zijn klas. 'Maar jongens van zeven zijn geen goede antisemieten. Ik was trouwens nogal sterk voor mijn leeftijd en vuisten legden toch het meeste gewicht in de schaal. Ik schaamde me voor het woord “jood” - “jevrej” in het Russisch - ongeacht wat het verder betekende.’ Dat woord werd zelden gebruikt, in tegenstelling tot zjid (jid, smous).
De jonge Brodski wil zich in Leningrad ('Pjotr’, dat wil zeggen Petersburg) omringen met de taal van de Grote Russen - van Gogol, Dostojevski, Platonov, Mandelstam en zijn latere leermeesteres Achmatova. Hij haat de 'dreunende saaiheid’ van de partijpropaganda, de gelijkschakeling en de angstige middelmatigheid. Die realiteit interesseert hem niet echt, boeken werden de enige werkelijkheid, 'terwijl de werkelijkheid zelf beschouwd werd als onzinnig of lastig’.
Brodski, de dichter in spe wiens vader hem alles kon vertellen over de karakteristieke gevels van zijn geboortestad Leningrad, groeit uit tot een 'buitenlander in zijn eigen vaderland’, een omschrijving van Gogol voor St. Petersburg. En wat schreef Poesjkin over de havenstad? 'Alle vlaggen zullen hier als gasten komen!’ (De Bronzen Ruiter) En Dostojevski? 'Het is onfortuinlijk om in Petersburg te moeten wonen, de meest abstracte en uitgedachte plek op aarde.’
De taal bepaalt het bewustzijn? Misschien toch ook de plek waar je bent geboren. De opkomst van Petersburg is de opkomst van de Russische literatuur in de ogen van Iosif Brodski.
BRODSKY FORMULEERT in Tussen iemand en niemand het 'ik’ als een fenomeen dat betrekkelijk losstaat van kindertijd, volwassenheid of ouderdom. Het verstrijken van de tijd heeft veel minder vat op dat 'ik’ dan men denkt. Voor hem blijft er altijd eenzelfde 'ik’ zitten in die groeiende bolster waaromheen alles gebeurt. In zijn mozaiekachtige loflied op een andere stad, Venetie, Kade der ongeneeslijken (1992), staat Brodsky stil bij het meest soevereine orgaan waarmee de 'ik’ alles wat er om hem heen plaatsvindt, het uitwendige, kan waarnemen: het oog. 'Behalve in een spiegel ziet het oog zichzelf nooit. Het is het laatste orgaan dat sluit als het lichaam inslaapt. Het blijft open als het lichaam door verlamming bevangen of dood is. Ook als er geen aanwijsbare reden voor is, gaat het oog onder alle omstandigheden door met het registreren van de realiteit. De vraag is: waarom. En het antwoord luidt: “omdat de omgeving vijandig is.” ’
In zijn essays en poezie heeft Joseph Brodsky dingen laten zien waarvan wij niet wisten dat ze bestonden. Daar is de literatuur voor.