Joris van Casteren, Het zusje van de bruid

Journalistiek bederf van een relatiezwendelaar

Een schrijver van gelauwerde reportages geeft zich zonder gêne bloot als uitvreter van een wilsonbekwame en haar wanhopige familie. Beschamende bekentenissen van een flapdrol.

Om misverstanden te voorkomen eerst even het volgende: auteur dezes heeft geen ‘historie’ met Joris van Casteren. We kennen elkaar niet of nauwelijks. Ik heb geen meerkennis over het onderwerp van zijn nieuwste boek - een relatie met een borderliner - of de beschrevene - de briljante rijkeluisdochter Luna. Dat dit stuk verschijnt in het weekblad dat hier en daar in het boek voorkomt, is op mijn gemotiveerd aandringen, want de redactie hoefde niet zo nodig. En er is veel te zeggen voor het aanvankelijke standpunt dat elke aandacht voor het boek te veel is. Behalve als het, en dit was mijn argument, als voorbeeld van journalistiek bederf aan de kaak gesteld moet worden.

Dit is dan ook geen recensie, maar een appèl aan het journalistiek-literaire geweten met Het zusje van de bruid als (weliswaar extreem) voorbeeld, al zal zo'n oproep tot een ethisch reveil binnen de uitgeverij- en mediawereld wel niet realistisch zijn. Het feit dat Van Casterens non-fictie-boek heeft kunnen verschijnen, nota bene door het Fonds voor de Letteren gefinancierd, geeft blijk van groot cynisme en desinteresse van de uitgever en doet vrezen wat er hierna allemaal in de aanbiedingen komt te staan. In zijn boek toont Joris van Casteren sec zijn gevoelloze onloyaliteit aan zijn aan lager wal geraakte ex-geliefde. ‘Geeft zich bloot’, in achterflapspeak. Hij doet dit, zelfs na tien jaar, met minder zelfreflectie dan het geteisem heeft waarover misdaadbiografieën gaan. De uitgeverij heeft zelfs verzuimd om in te grijpen in de passages waar de schrijver de lezer uitnodigt om op te zoeken hoe Luna in het echt heet en wat het telefoonnummer van haar ouders is.

Wat apologeten van dit werk kunnen aanvoeren: is het niet, los van moraal of stijl, een verdienste van een schrijver als zijn boek een doorgewinterde veellezer als ik voor het eerst in jaren weer zo tot op het bot weet te schokken? Als het zo veel emotie oproept, ook al is het ergernis? Wanneer het antwoord daarop ja is, is dat ook het enige punt waarop Het zusje van de bruid scoort.

Het boek schokt niet vanwege alle expliciet beschreven zelfkantuitwassen van de hoofdpersonen. Glasbakken vol drankflessen, containers vol bolletjes bruin, wit en pillen en als gevolg daarvan tsunami’s aan kots en koud afkickzweet - ja ja, hebben we het op zeker moment niet zelf of in de naaste omgeving moeten ervaren, dan hebben we er wel over gelezen of er films over gezien. Er zijn boeken vol geschreven door roedels tijdelijk stuurloos geraakte jongemannen die in het postmoderne kielzog van Reve, Wolkers, Campert en Cremer wakker werden in vieze kamers met hun hoofd op de spiegel en het rietje nog in hun snuit. En dan de fatale, wegterende schoonheden, hoeren en junks er nog bij. Van Casteren heeft zoveel illustere voorgangers in het opvoeren van borderliners - onder anderen Joost Zwagerman en Geerten Meijsing - dat het bijna een genre binnen de ‘dicklit’ op zich is. Schokkend is het dat een schrijver van gelauwerde, observerende reportages zich zonder gêne, bij wijze van nieuwe invalshoek, als een relatiezwendelaar kan ‘blootgeven’. Als uitvreter van een wilsonbekwame en haar wanhopige familie. Als een schrijver die er, kortom, blijk van geeft geen ziel te bezitten. Ik begrijp dat dit bijna hysterisch overkomt, maar ik overdrijf niet.

Toen Joost Zwagerman in 1990 Vals licht schreef, een roman - dus niet een als ‘non-fictie’ uitgebracht semi-literair halffabrikaat - had niemand nog van de term ‘borderliner’ gehoord, terwijl iedereen het beeldschone, impulsieve, leugenachtige escortmeisje Lizzie vandaag de dag als zodanig zou typeren. De hoofdpersoon, Simon Prins, die verliefd op haar is, gaat er bijna aan kapot. Omdat hij er niets van begrijpt, er niets van kan begrijpen, omdat het fenomeen nog etiketloos is en hij, student, gewoon heel jong. En de schrijver destijds ook. Zijn hoofdpersoon probeert met hartverscheurende inzet door al Lizzie’s barricades heen te breken om er maar achter te kunnen komen wie, veel liever dan wat, zij werkelijk is. Dat we niet te weten komen of zij nu een genie of een lege huls is, is de tragische essentie van het boek. Romantisch, zelfs toch nog, ergens.

Tien jaar later volgde de al helemaal waargebeurde roman Dood meisje van Geerten Meijsing, waarin een oudere, niet van eigen problemen gespeende professor de jonge (inmiddels wel zo benoemde) borderliner Lily wil redden van afglijden in zelfdestructie en met haar ten onder gaat. De professor is vooral zielig vanwege de diepgang die hij op Lily projecteert, terwijl ze alleen maar beeldschoon en stapelgek is. De roman is te velen omdat Meijsing nou eenmaal de schrijftechniek beheerst om de lezers bij hun nekvel te houden tijdens het opdissen van zijn larmoyante egotripperij. En omdat we weten dat Meijsing wel een ‘cardio-myopathische scheur’ - letterlijk: een gebroken hart - aan de affaire overhield.

Lizzie, Lily, Luna - is het alleen de echo van Wedekinds proto-borderliner Lulu of steekt er iets veel mysogyners en ranzigers achter de inwisselbare poedelnaampjes die deze vrouwen toebedeeld krijgen? Luna dus, is net zo verknipt als haar voorgangers in het toxisch muzendom. Meer nog dan dat. Luna is behalve bloedmooi, gek en verslaafd ook geniaal. Geen insipide schootdanseresje dit keer, maar cum laude afgestudeerd in Oud-Grieks aan een gerenommeerde universiteit. Bovendien professioneel zangeres in opkomst en maakster van beeldende kunstwerken die, zelfs in de dorre beschrijving van Van Casteren, nog nagloeien. Als haar ziekte haar perceptie niet uit het lood slaat, en soms zelfs dan, verschaft ze aan de lopende band prachtige ideeën, associaties. En feilloze constateringen. Zo vindt hij een kaartje terug waarin zij in één enkele zin zijn hele oeuvre naar de schroothoop verwijst als ‘Schadenfreude met een zeker hysterisch realisme’.

Hoewel Van Casteren beweert dat het liefde was, zelfs suggereert dat het om ‘de’ grote onmogelijke liefde gaat, kunnen we die liefde van zijn kant, of zelfs eigenlijk maar de meest basale medemenselijkheid, nergens uit het verhaal opmaken. Mocht die wel echt aanwezig zijn geweest zijn, dan zit er een niet te repareren manco in zijn ‘journalistieke verslaggeving’ want zijn bloedeloze registratietruc werkt deze keer niet. De ontmoeting op het huwelijk van ‘collega A.’ met het zusje van de bruid, Luna, voldeed aan zijn langgekoesterde wens mee te liften op andermans ontregeling - ‘Ik wilde ook een junk zijn of een zelfmoordenaar, maar dan veilig.’ Daarbij bleken haar ouders nogal rijk, wat allerlei voordelen met zich meebracht. Zoals twee etages van een monumentaal grachtenhuis tegen een luttele vergoeding.

En nu kom ik op mijn werkelijke aanklacht: die zogenaamde liefde van hem blijkt van meet af aan de mogelijkheid voor de uitgestelde reportage van een zelfkanttoerist. Tederheid komt er nauwelijks aan te pas en seks scheen ook geen rol te spelen. Belangrijker, hij was er helemaal niet op uit om haar werkelijk te helpen. De onuitgesproken aanname is daarbij dat er toch niets te veranderen valt, bij zo iemand. En dus deed hij vooral alsof. Hoe extremer zij zich gedroeg, hoe beter voor zijn zelfgekozen intermezzo uit de fletse mediocriteit van zijn eigen wezen. Hij versterkte zelfs haar leed: als ze bibberend ligt af te kicken, leest hij haar luidkeels voor uit een boek over de pest. Zij is niet de femme fatale, hij blaast zichzelf op tot een homme fatal. Die er niet aan onderdoor gaat, maar gewoon, nadat de fondsen zijn opgedroogd en het drama bijna letterlijk doodgebloed, via heimelijke vreemdgang het hazenpad kiest.

Luna en haar ouders vertrouwden hem in die tijd, en hij hield de misvatting hoe goed hij voor haar was zorgvuldig in stand. Knikte achterbaks tegen de hulpverleners wanneer die hem probeerden in te prenten dat een relatie met deze vrouw betekent dat hij haar constante steun, toeverlaat, planner en vooral geweten diende te wezen. Nou, Joris ging zijn best doen! Om direct weer klakkeloos met haar coke te snuiven en heroïne te roken. Vergezeld van laffe smoesjes: ‘Als wij maar eerlijk tegenover elkaar blijven.’ Eerder schouderophalend dan machteloos kijkt hij toe als ze zich vol laat lopen met sterke drank en zichzelf beschadigt. Of ze haar medicatie neemt moet ze zelf maar weten. Net zo lief kookt hij een portie paddo’s voor haar op. Als hij haar na weer een zelfmoordpoging badend in het bloed vindt, verzuimt hij een ambulance te bellen. Omdat hij daarvoor te lamlendig is. Pardon: omdat hij zich gevangen voelt in een of ander soort existentieel vacuüm binnen zichzelf, of zoiets. En hij, pathetisch, tegen haar steeds kouder wordende lichaam blijft liggen, ‘controleren of ze nog ademt’. Gelukkig kwamen haar ouders al snel de trap weer op.

Het patroon werd mooi weer spelen tegen haar ouders terwijl hij ze in feite ordinair aan het oplichten was. Om ze nu dan in dit boek met dedain weg te zetten. Over de moeder: ‘Naast het rijgen van kralenkettingen was het zich verdiepen in geestesziekten haar voornaamste bezigheid.’ Als hij de puissante rijkdom van de ouders eenmaal heeft geschetst, hoeft Van Casteren niet meer de moeite te nemen aannemelijk te maken dat zij hun dochter wel affectief verwaarloosd zullen hebben. Dat doet het cliché ‘rijke mensen zijn gevoelloos, arme mensen zijn warm en gezellig’ vanzelf wel. Maar het blijkt geenszins uit de eindeloze - smalend beschreven - warme en persoonlijke bijstand die ‘de Shelldirecteur’ en zijn vrouw verlenen aan hun dochter. Dag en nacht als het nodig is. Daarbij komt nog dat Luna’s oudere broer klassiek schizofreen was en uiteindelijk tijdens een waan doodviel van een trap. Wat Van Casterens laatdunkende harteloosheid ten aanzien van deze mensen des te erger maakt.

Researchjournalist Joris van Casteren, er prat op gaande de stamboom van de Man die Doodlag voor een andere reportage minutieus te hebben achterhaald, komt in zijn zoektocht, jaren later, naar wat er van Luna geworden is, niet ver. Stalkt een tijdje hun voormalige huis. Vraagt het eens in de kroeg op de hoek, belt haar ouders die natuurlijk de hoorn erop gooien, googelt wat en weet het dan ook niet meer. Hij hoort dat ze helemaal de weg kwijt is, en dat van haar schoonheid noch scherpte veel over is, dus dan hoeft het al niet meer.

Als het boek al een mijlpaal zou zijn, dan als journalistiek dieptepunt. Als het verzonnen was geweest, dan hadden we kunnen zeggen dat het zo vaal neerzetten van de vreselijke ik-figuur een briljant stijlmiddel was. Of als het wel als non-fictie was uitgegeven, maar dan met als subtitel ‘Beschamende bekentenissen van een flapdrol’ in plaats van ‘Relaas van een onmogelijke liefde’. Maar Van Casteren hangt nog steeds de uitgestreken onschuld uit en vraagt zich af waarom Luna’s familie geen contact met hem wenst ter completering van zijn wanproduct. Dan denk ik, wat hebben we eigenlijk, ik noem maar wat, jonge loverboys nog te veroordelen wanneer goedopgeleide arrivés zich onder het mom van journalistiek consequentieloos en in boekvorm zo kunnen manifesteren? Want ik vrees dat dit boek niet tot het besef zal leiden dat Van Casteren ook niet helemaal tof in zijn hoofd is, en in elk geval nooit meer op kwetsbare onderwerpen mag worden losgelaten, maar dat het, integendeel, gewoon nog een streepje op zijn journalistieke cv wordt.