Kleedkamernieuws

Journalistiek en democratie

Er wordt geklaagd dat de Haagse journalistiek niet onafhankelijk is en alleen geïnteresseerd in incidenten en korte citaten. Kritiek hebben mag. Maar dat de journalistiek wordt bedreigd door bezuinigingen en tijdsdruk is ernstiger.

IN DE BIBLIOTHEEK van de Tweede Kamer staat een proefschrift met de titel Haagse journalistiek. Al direct in de inleiding is het raak: parlementair journalisten houden zich vooral bezig met politiek-kleedkamernieuws, afgekeken van de voetbalverslaggeving, en parlementariërs spelen op hun beurt graag in op incidenten, omdat een flitsende interpellatie meer publiciteit trekt dan een doorwrochte redenering.
Het is precies het verwijt dat journalisten en parlementariërs elkaar op het Binnenhof tegenwoordig vaak maken. Het proefschrift van Addy Kaiser is echter al 24 jaar oud. De constateringen in de inleiding dat er sprake is van kleedkamernieuws en incidentenpolitiek dateren zelfs uit midden jaren zeventig. Niks nieuws onder de zon, zou je dus kunnen zeggen; laat elke partij haar verwijt aan de ander een beetje relativeren.
Toch is het te gemakkelijk om met het proefschrift in de hand alle zorgen weg te wuiven. Want dat is waar de verwijten uit voortkomen, de zorg om een goed functionerende democratie. Daarvoor hebben pers en politiek elkaar nodig. Dat was toen zo en dat is nog steeds zo.
Eigen websites en persoonlijke blogs van politici mogen sinds Kaiser haar proefschrift schreef een hoge vlucht hebben genomen, politici hebben nog steeds de journalistiek nodig om hun boodschap, inzichten en redeneringen over te brengen op de samenleving. Omgekeerd kunnen politici via de journalistiek op de hoogte blijven van wat er in de maatschappij speelt, ook daarvoor zijn de vele blogs en mails van burgers niet voldoende. Informeren is overigens niet de enige taak van journalisten. Door middel van commentaren, achtergrondverhalen en eigen onderzoek vervullen ze ook hun opiniërende, analyserende en controlerende taak.
De laatste tijd is de vraag weer actueel of wij, journalisten, die taken goed genoeg vervullen om zo onze rol te kunnen spelen in een democratische samenleving. Daar gaat echter een vraag aan vooraf: worden we ook in staat gesteld om die rol te vervullen?
SP-Kamerlid Jan Marijnissen uitte onlangs bij de uitreiking van de Machiavelli-prijs zijn zorgen over de toenemende commercialisering van de media en schreef daarover een groot artikel in NRC Handelsblad. Zijn analyse is dat winstmaximalisatie de vijand is van kritische journalistiek.
Onafhankelijk daarvan heeft het bestuur van het Haagse perscentrum Nieuwspoort twee buitenstaanders gevraagd dit jaar mee te lopen in Den Haag en hun bevindingen over de relatie tussen journalisten en politici op papier te zetten. In november zullen de politicoloog professor Herman van Gunsteren en zijn partner, oud-directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg Cox Habbema, verslag doen. Volgens de bestuursvoorzitter van Nieuwspoort, Max van Weezel, zijn klachten van politici over de parlementaire journalistiek de directe aanleiding voor het aanstellen van deze twee rapporteurs.
De meer of minder hardop geuite klachten komen kort samengevat hierop neer: journalisten zijn niet kritisch genoeg, hebben een voorliefde voor korte quootjes en spelen pupillenvoetbal, waarbij de bal waar ze met z’n allen omheen drommen dan ook nog vaak een onbelangrijk onderwerp is, dat door hen evenwel uitgroeit tot een hype. De vergeefse reis van parlementariër Geert Wilders naar Groot-Brittannië met in zijn kielzog elk denkbaar Nederlands medium is daar een voorbeeld van.

UIT HET PROEFSCHRIFT van Kaiser blijkt dat er begin jaren tachtig op het Binnenhof in totaal 129 parlementair journalisten actief waren. Dat was al tachtig meer dan twintig jaar daarvoor, maar dat moesten er van Kaiser nog meer worden wilden zij hun werk goed kunnen doen. Eind januari 2009 hadden 304 mensen een perspas voor de Tweede Kamer. Daar zaten weliswaar ook de technici en fotografen bij, maar niet de journalisten met een dagaccreditatie, zoals de jongens van GeenStijl of de Jakhalzen van De wereld draait door.
De extra journalisten waar Kaiser voor pleitte zitten verspreid over vele media. Sinds 1985 zijn weliswaar veel dagbladen verdwenen, daar staat tegenover dat het NOS Journaal concurrentie heeft gekregen van RTL Nieuws en dat programma’s als De wereld draait door en Pauw & Witteman hun eigen Haagse bureauredacteuren hebben. Kaisers advies was echter dat per medium in de uitbreiding van de Haagse redactie moest worden geïnvesteerd. Haar toenmalige argumenten gelden nu nog: staatszaken zijn omvangrijker en complexer geworden en het parlement staat vaak buitenspel, doordat regering, ambtenaren en direct belanghebbenden – zoals FNV of MKB – onderling zaken regelen.
Dat de extra journalisten verspreid zitten over vele media heeft geleid tot een versnippering van de journalistieke inspanning, die op haar beurt zorgt voor meer van hetzelfde in plaats van verdieping, een echte primeur of een verrassende invalshoek. Meer is dus niet vanzelfsprekend synoniem voor beter. Meer heeft in dit geval juist de neiging te leiden tot korte quootjes en pupillenvoetbal.
Dat komt onder meer doordat de druk vanuit de eindredacties om te doen wat de buurman doet groot is. Het vergt kennis van zaken, tijd, overredingskracht en moed om tegen Hilversum, Amsterdam of Rotterdam te durven zeggen: iedereen mag daar achteraan gaan, maar wij doen dat dus niet.
Bovendien moeten die journalisten elke dag vele minuten zendtijd en vele kolommen tekst vullen. De tijd om per redactie een onderwerp eens goed uit te zoeken is niet toegenomen, die redacties zelf zijn immers niet gegroeid, soms zelfs kleiner geworden. Daar komt bij dat de dagbladjournalisten tegenwoordig vaak ook nog voor de website moeten schrijven, op die site een itempje moeten maken voor tv, of zoals bij NRC Handelsblad behalve voor de avondkrant ook voor de ochtendkrant nrc.next een artikel klaar moeten hebben. Dat kost allemaal tijd. Tijd die niet gestoken kan worden in onderzoek, lezen, praten en nadenken. Ook hier is meer dus niet hetzelfde als beter.
De Engelse onderzoeksjournalist Nick Davies beschrijft dit laatste mechanisme in zijn vorig jaar verschenen boek Flat Earth News. Met de mooie term churnalism, een samentrekking van to churn, wat ‘karnen’ of ‘roeren’ betekent, en journalism, vat hij het verschijnsel samen dat hetzelfde aantal journalisten drie keer zo veel zendtijd, kolommen en webpagina’s is moeten gaan vullen. Dat lukt ze alleen door veel van hetzelfde maar rond te draaien en te roeren, want tijd voor eigen nieuwsgaring of zelfs maar het checken van verhalen hebben ze niet. Hypes ontstaan zo vanzelf, ook als de feiten niet kloppen.
Wat Davies beschrijft stemt somber, ook al is het commerciëlere Engelse medialandschap niet één op één te vergelijken met het Nederlandse. Met een stroom aan voorbeelden laat hij zien dat journalisten, niet alleen de parlementaire, onder grote tijdsdruk staan, waar nog bij komt dat waar ze vroeger hun informatie kregen van over het land verspreide correspondenten en informanten, deze zijn wegbezuinigd, waardoor ze afhankelijk zijn geworden van persbureaus. Die persbureaus hebben op hun beurt ook moeten bezuinigen, wat ertoe leidt dat voorverpakte informatie van persvoorlichters en woordvoerders zo de kranten in rolt of aanleiding is voor een kort, vlug opgenomen tv- of radio-onderwerp.
Als politici via de media op de hoogte willen blijven van wat er in de samenleving leeft, dan is de democratie niet alleen gebaat bij een goede parlementaire verslaggeving, maar ook bij het goed volgen door journalisten van de rechterlijke macht, het koningshuis, de zorginstellingen, de vastgoedwereld, de bankenwereld, de onderwereld – de wereld buiten het Binnenhof.
Democratie is ook niet synoniem met het Kamerdebat, de wandelgang en het achterkamertje in Den Haag, er zijn ook gemeenteraden en Provinciale Staten. Door het verdwijnen van veel regionale kranten en bezuinigingen bij de resterende bladen is de informatie die daarover naar buiten komt echter gering tot afwezig. Daardoor komt ook van de controlerende taak van de journalistiek op gemeentelijk of provinciaal niveau steeds minder terecht.
Als de journalistiek een pijler is onder de democratie, zoals Marijnissen het uitdrukt, vertoont de pijler zoals Davies die beschrijft zo’n ernstige vorm van betonrot dat instortingsgevaar dreigt. Als dit is waar we ook in Nederland op uit zouden komen, dan worden politici niet meer door de journalistiek geïnformeerd. Het zijn dan meer en meer de in aantal toenemende woordvoerders van ministeries, politiekorpsen, zorginstellingen en bedrijven die eenzijdig en met zeer veel oog voor het eigen belang bepalen wat er in het nieuws is. Er mag dan regelmatig worden getwijfeld of er wel zoiets bestaat als onafhankelijke journalistiek, dat van onafhankelijke woordvoering nooit sprake is, daar hoeft geen twijfel over te bestaan.
Of journalisten in staat worden gesteld hun rol in een democratie te vervullen, hangt dus niet alleen af van het aantal journalisten dat in Den Haag rondloopt, waarbij ook voor de puur Haagse verslaggeving dat aantal weer niet de graadmeter is. Er moeten door het hele land, en in het buitenland overigens ook, journalisten actief zijn die burgers informeren en politici voeden en controleren. Die journalisten moeten dan wel de tijd krijgen om hun werk te doen, en dat is wat anders dan het volgende itempje maken of het zoveelste artikel schrijven.
In Den Haag wordt vaak geklaagd over infotainment in programma’s als De wereld draait door of Pauw & Witteman en over de korte quootjes zoals bij GeenStijl. Maar los van het feit dat politici zelf kunnen beslissen of ze daaraan willen meewerken, is dat niet het probleem in de journalistiek. Met die programma’s kan een publiek worden bereikt dat anders niet in politiek zou zijn geïnteresseerd.
Als Nederland onder druk van de commercie, winstverwachtingen, ontlezing en bezuinigingen nog verder toe zou kruipen naar de wereld die Nick Davies beschrijft, kan de ‘serieuze’ journalistiek haar rol in de democratie niet meer vervullen. Dan komen politici droog te staan, verliest ook het infotainment zijn bronnen, kunnen opiniebladen niet opiniëren, hebben bloggers niks meer om tegenaan te schoppen, kunnen ministers hun gang gaan en kan de onderwereld zijn slag slaan.
Met dit alles is niet gezegd dat wij journalisten onze taak goed genoeg vervullen. Maar als we er niet meer toe in staat worden gesteld, kunnen we de kwaliteit van ons werk niet verbeteren.