20 jaar internet: De desillusie van de internetpioniers

Jouw Google is niet mijn Google

De internetpioniers waren idealisten. Maar nadat de hippienerds samenkwamen met de vrije-marktideologen nam het vertrouwen steeds verder af. Een kritische blik is nauwelijks nog mogelijk.

HET IS VEELZEGGEND dat de meest invloedrijke internetgoeroes zich de laatste jaren tegen de webcultuur keren. Een paar jaar terug was het Andrew Keen, die in de jaren negentig nog een succesvolle muzieksite had (Audiocafe) waar bezoekers, tegen betaling, toegang hadden tot recensies en overzichtswerken. Die site ging onherroepelijk failliet; betalen voor content was web 1.0. Web 2.0 draaide om gratis content, aangeleverd door enthousiaste amateurs. In The Cult of the Amateur stelde Keen de vraag of creatieve cultuur niet ondermijnd wordt als professionals door amateurs onder de voet worden gelopen. Het antwoord: nogal.
Bij eenzelfde probleem staat Jaron Lanier stil, die met recht de belangrijkste internetcriticaster van het moment mag worden genoemd. In zijn vorig jaar verschenen manifest You Are Not a Gadget maakt hij onderscheid tussen first en second order expression. Een film als Blade Runner, net als het boek waarop het geïnspireerd is, is een first order expression: een geheel nieuw, afgerond werk waar een filosofisch en esthetisch wereldbeeld in is verwerkt. Een mash-up maken van je favoriete Blade Runner-scène met je favoriete rocknummer, met nog wat tekst in beeld - en dat op YouTube uploaden - is dat niet.
Lanier (1960) is net als Keen zelf afkomstig uit de Silicon Valley-technocultuur. Hij speelt antieke instrumenten, heeft enorme dreadlocks. In een recent profiel in The New Yorker wordt beschreven hoe hij opgroeide in een tent in de Amerikaanse woestijn, terwijl zijn vader en hij (zijn moeder was verongelukt) eigenhandig een futuristisch huis ontwierpen. Later trok hij naar Silicon Valley, waar hij naam maakte als ontwikkelaar van virtual reality. In You Are Not a Gadget filosofeert hij over wat het betekent om als individu op te gaan in de massacultuur van internet. Wat betekent vriendschap nog als je zeshonderd Facebook-vrienden hebt? Wat gebeurt er met discussies als je anoniem kunt reageren? Waar hij zich vooral zorgen over maakt, is dat internet de individuele gebruiker (quote: ‘Noem jezelf geen gebruiker, jij bent degene die gebruikt wordt’) in een mal duwt.
Het beste voorbeeld is Wikipedia, zegt hij, de online encyclopedie waar honderdduizenden internetters hun kennis delen, die door webideologen gezien wordt als het ideaal van websamenwerking. Het probleem is dat Wikipedia in een bepaalde, onpersoonlijke vorm is geschreven, en dat (vrijwillige) redacteuren alle te persoonlijke teksten hardhandig verwijderen. Dit maakt de encyclopedie betrouwbaar, schrijft Lanier, maar het zorgt er ook voor dat we gedwongen worden op een onpersoonlijke manier met onze kennis om te gaan. Het huidige internet draait om personalisatie (Jij maakt het! riep Time Magazine toen het 'You’, de anonieme internetter, als Person of the Year 2006 uitriep), maar werkt ontpersoonlijkend.
Probeer eens een week zonder Wikipedia te leven, zegt Lanier. Alle informatie die je nodig hebt, kun je ook elders vinden en waarschijnlijk in een meer gedreven, urgentere vorm. Het wrange, natuurlijk, is dat in het Google-systeem Wikipedia-lemma’s bijna bij elke zoekopdracht als een van de eerste resultaten verschijnen.
Wordt het na twintig jaar massa-internet niet eens tijd, schrijft Lanier, om ons af te vragen of we met het internet een utopie bouwen voor mensen, of voor machines?

HET INTERNET zoals wij dat nu kennen vierde deze zomer zijn twintigste verjaardag. Op 6 augustus 1991 voltooide Tim Berners-Lee, een Britse programmeur verbonden aan CERN in Zwitserland, de eerste website: info.cern.ch. Op de website trof je uitleg aan over wat een website was, hoe je er een kon ontwerpen, hoe je websites aan elkaar kon linken en hoe je naar informatie zou kunnen zoeken.
Voor die tijd was internet text only en kon je er alleen in bewegen als je snapte hoe je je computer met codes kon aansturen. Al sinds begin jaren tachtig werkte Berners-Lee aan een digitale manier waarop onderzoekers makkelijker informatie konden delen en updaten - hij zocht een wijze waarop je sneller een overzicht kon krijgen van welke informatie beschikbaar was en kwam zodoende op de lay-out van een webpagina. Minstens net zo bijzonder is wat Berners-Lee deed in 1994: hij maakte zijn uitvinding openbaar, gratis en voor niets, zodat iedereen websites kon gaan bouwen. Daarmee ging een belofte in vervulling die er al decennia was, sinds de eerste computers eind jaren vijftig aan elkaar werden gekoppeld.
Het internet is een kind van vele vaders, dat zowel top-down als bottom-up ontstond. Van bovenaf waren het de overheden, enkele universiteiten en vooral het militair complex die computertechnologie en zo de eerste netwerken ontwikkelden. Voor geschiedschrijvers van het internet is het bottom-upverhaal, dat zich in het tot de verbeelding sprekende San Francisco van de late jaren zestig afspeelde, een stuk interessanter. Het was de Californische hippiewereld die Tom Wolfe zo kleurrijk beschreef in zijn inmiddels legendarische New Journalism-verslag The Electric Kool-Aid Acid Test uit 1968. Jongens en meisjes met bloemen in hun lange haar, roze brilletjes op, die wegliepen van school en hun ouders om in San Francisco te demonstreren dat iedereen van iedereen kon houden. Meteen, op bladzijde 2, kom je een bekende naam tegen: 'Stewart Brand, a thin blond guy with (…) a whole necktie made of Indian beads. No shirt, however, just an Indian bead necktie on bare skin and a white butcher’s coat with medals from the King of Sweden on it.’
In werkelijkheid gold Brand als een van de meer concrete en autonome geesten in het Haight-Ashbury-gebied; hij droomde niet alleen, maar organiseerde lezingen en conferenties. Hij bewerkte NASA zo dat het voor het eerst een ruimtefoto van de aarde vrijgaf. Samen met zijn vrouw publiceerde hij de Whole Earth Catalog, een catalogus waar iedereen aan mee kon schrijven, met artikelen over de meest uiteenlopende onderwerpen, van algoritme tot bouwinstructies van je eigen computer - gericht op de tien miljoen Amerikanen die in die tijd in communes woonden.
Het is wellicht ook een trucje van geschiedschrijvers om zo veel aandacht aan Brand en zijn milieu te besteden, om het begin van de webcultuur op één plek te vangen. Er zijn veel smakelijke anekdotes te vinden, over de hedonistische experimenten, de inmiddels compleet achterhaalde, naïeve ideeën die in de rondte gingen, de grote woorden die gebruikt werden.
De werkelijkheid ligt complexer. Er was geen manifest, geen gezamenlijk project. Er was nog geen onderneming van Microsoft-achtig formaat die werkte aan een overkoepelende visie van wat een computer zou moeten zijn. Wat de Whole Earth Catalog voor historici een ankerplaats maakt, is dat veel medewerkers later zouden uitgroeien tot de iconen van het web zoals we dat nu kennen: Apple-oprichters Steve Job en Steve Wozniak, Douglas Engelbart, de uitvinder van de muis, Lee Felsenstein, ontwerper van de eerste draagbare computer, Howard Rheingold, de grondlegger van virtual communities, Kevin Kelly en Chris Anderson, die later het tijdschrift Wired zouden oprichten.
Het waren mensen die met veel kleine, persoonlijke projecten bezig waren, die pas in de jaren tachtig en negentig meer aan elkaar gekoppeld raakten. Maar er was een zeker gedeeld utopistisch gedachtegoed. Het was een anti-hobbesiaanse manier van denken, die de centrale overheid en andere instituties zag als obstakels - die je via cyberspace perfect zou kunnen omzeilen. Autarkie was essentieel: 'Ask not what your country can do for you. Do it yourself.’ Het was een gemeenschapsdenken bovendien, dat ervan uitging dat mensen fundamenteel goedaardige wezens zijn, sociaal, rationeel en van nature geneigd om coöperatief te leven. Het internationale netwerk van computers moest gaan uitgroeien tot de antithese van de Koude Oorlog; computers konden mensen verbinden, bij elkaar brengen en zo voor harmonie zorgen.
De tweede generatie verkaste, van downtown naar de buitengebieden in de San Francisco Bay Area, naar Silicon Valley en Palo Alto, vlak bij de technologie-afdeling van Stanford University. De netwerken groeiden. Computers werden relevanter. Met de oprichting van Microsoft (1975) en Apple (1976) werden pc’s steeds geavanceerder. In een essay in de New Statesman blikte Jaron Lanier onlangs terug op zijn leven in Silicon Valley, begin jaren tachtig. Meisjes waren er niet of nauwelijks. Palo Alto werd 'Shallow Alto’ genoemd door de hippiehackers van het eerste uur, die vonden dat de nieuwe generatie hackers en programmeurs te georganiseerd (en daarmee te commercieel) opereerde en zo ontrouw was aan het ideaal van autarkie en decentralisatie. Het had een vleugje Asperger-syndroom, schrijft hij nu, hoe iedereen opging in de computerwereld. Mensen buiten die wereld werden in feite gezien als een soort Muggles, schrijft Lanier (naar de term voor mensen die niet van het bestaan van magie weten in de Harry Potter-boeken).
Wat waren de verwachtingen van die groep? In zekere zin waren er nog dezelfde utopistische idealen die er eind jaren zestig al waren, al waren het nu geen idealen meer. Het internet zat eraan te komen, het was een kwestie van tijd. In Silicon Valley werd steeds concreter gedebatteerd over de dilemma’s waar vandaag nog steeds over gedebatteerd wordt: hoe gaan we om met privacy, informatie, auteursrechten? We namen onze anticipatie van het internet zo dodelijk serieus, schrijft Lanier in de New Statesman, dat het al leek te bestaan. 'Thus I have experienced the internet age twice.’

IN NEDERLAND ontwikkelde internet zich op een andere manier. Marleen Stikker is directeur van Waag Society, 'een cultureel research- en innovatiecentrum dat nieuwe media-toepassingen ontwikkelt binnen verschillende maatschappelijke domeinen, waaronder zorg, cultuur en onderwijs’. Het is gehuisvest in de oorspronkelijke Amsterdamse stadspoort uit de vijftiende eeuw, die later gebruikt werd als waag. Beneden zit een groot restaurant, boven zijn de kantoren van Waag Society, die het midden houden tussen een handarbeidlokaal en een internetcafé - bevolkt door gezonde, vriendelijke jonge mensen die eruitzien alsof ze zo uit de H&M-catalogus komen. Een kamer hangt vol gereedschap, spaanplaten en snijmachines; hier worden 3D-printing-programma’s ontwikkeld. Een kamer verderop monteert iemand net twee enorme computers die zijn aangesloten aan een dik tv-scherm. Straks, zegt Stikker, kun je op dit beeldscherm een video zien van twee gigabyte - per seconde. 'Je ziet dan bijvoorbeeld alle haartjes op iemands arm, nog scherper dan als iemand in het echt voor je zou staan.’
Je moet de Nederlandse internetpioniers niet zien als een avant-garde, zegt Stikker. 'Begin jaren tachtig had de babyboomgeneratie het voor het zeggen; zij hadden al jong de bestuurlijke bastions overgenomen en waren niet van plan die op te geven. Mijn generatie, generatie Nix, wilde zich niet invechten in dat sociale systeem, we wilden een eigen wereld creëren. Er was een economische crisis, veel leegstand, hoog opgeleiden konden geen baan krijgen. Het was de Do It Yourself-mentaliteit: onder mijn generatie gold het idee “we worden geen werknemer, we moeten ons eigen werk verzinnen”. Computers waren daar een perfecte tool in.’
In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 werd vanuit cultureel centrum De Balie en computertijdschrift Hack-Tic De Digitale Stad opgericht, waar projectleider Stikker, als officieuze burgemeester, bekend mee werd. Stikker laat de oude website zien op haar computer. De opmaak is antiek: als een rolluik verschijnen de opties in beeld, witte letters op een zwart scherm: 1 Belangrijke informatie. 2 Helpdesk. 3 Het postkantoor. 4 Openbaar forum. 5 Bibliotheek. De metafoor was duidelijk voor beginnende internetters: wie het web betrad, kwam in een wereld terecht als in een online dorp waar alles een plek had. 'Het internet was nog heel fysiek. Op ons kantoor stonden vijf modems en je zag de computerhandshake plaatsvinden als twee modems contact met elkaar zochten.’ Het project was een succes: in een jaar tijd ging in Amsterdam het aantal internetgebruikers van een paar honderd naar vijftigduizend.
Stikker: 'Ik word nu zeventien jaar over het internet geïnterviewd, steeds met de vraag: “U bent nu zeker wel verbaasd of teleurgesteld over dit of dat?” Dat ben ik niet. Ik ben altijd een realist geweest en in die kleine twee decennia dat het web in Nederland is, hebben we altijd de ontwikkelingen kritisch bekeken. Wij waren en zijn meer geïnteresseerd in het werkelijkheidsidee dan in het mogelijkheidsidee. Het internet was een instrument, niet een doel op zich.’
'Het gedachtegoed van Berners-Lee komt niet uit die Silicon Valley-hoek’, zegt Geert Lovink, lector interactieve media aan de Hogeschool van Amsterdam en oprichter van het Institute of Network Cultures. 'Die Californische internetagenda is iets provinciaals. Het is een hyperlokale ideologie, met diepe wortels in het Ashton Heights-district, waar de tegencultuur zich in de jaren zestig verzamelde. Op andere plekken in de wereld werd er heel anders gedacht. Berners-Lee wilde met zijn world wide web juist iets maken dat heel internationaal was en door iedereen gebruikt kon worden, zodat het niet voor één specifieke ideologie kon worden gespannen.’
Nog steeds is Berners-Lee directeur van het World Wide Web Consortium (W3C), dat de ontwikkeling van het web bestudeert en de technische webstandaarden ontwerpt (zoals HTML, XHTML, CSS). Lovink: 'Er wordt vaak gezegd dat Berners-Lee de bedenker van de link is. Dat is niet helemaal zo; de enorme verdienste van Berners-Lee is dat hij beeld met text only-systemen wist samen te brengen. Dankzij hem kwamen de tot dan gescheiden werelden van ontwikkelaars van computernetwerken en de ontwikkelaars van virtual reality, de visualiserende beeldbewerking, bij elkaar.’
Het internet was toegankelijker geworden, precies zoals de internetbelievers voorspeld hadden. Zoals ze zich ooit rond de Whole Earth Catalog hadden verzameld, zo verzamelden ze zich begin jaren negentig rond Wired, dat in 1993 door Kevin Kelly en Chris Anderson werd opgericht en al snel - en tot de dag van vandaag - het platform werd van de webideologie. Lovink: 'Hun evangelie is dat het internet een grote impact heeft op alles. Ze blijven wat er ook gebeurt on message en weten de boodschap buitengewoon mondig te verkondigen. Voor evangelisten is dat een grote verdienste, maar dat betekent nog niet dat het iets te maken heeft met de realiteit. Ze weigeren pertinent de grote invloed van bedrijven en regeringen te bestuderen.’
In het post-Koude Oorlog neoliberale klimaat raakten investeerders al snel aangetrokken door de boodschap van de vrijheid van het web. De hippienerds kwamen samen met de vrije-marktideologen: het werd gezien als het bewijs dat internet uitersten samen kon brengen. Het bleek een droom, of liever: een zeepbel. Vanuit een sec financieel oogpunt is het moeilijker te verklaren waarom durfkapitalisten zo en masse op het internet afkwamen: de markt voor online adverteren was heel klein - in 1995 waren er slechts vijftien miljoen gebruikers, volgens de website Internet World Stats (nu: 2,1 miljard) - en de omzet die commerciële websites maakten was marginaal. De enorme bedragen die in het web werden gepompt leverden nauwelijks winstcijfers op; in 2000 knalde de internetbubble.
Toch was de internetbubble bepaald geen slag in het gezicht van de webadepten. Na de millenniumwisseling namen de breedbandsnelheid en de geheugenopslag in schrikbarend tempo toe (Geert Lovink: 'Www betekende niet langer wachten, wachten, wachten’), zodat web 2.0 kon worden afgekondigd: de democratisering van het internet. Bij web 1.0 bezocht je een website en dat was dat; bij web 2.0 maak jij de website. Iedereen kon zijn mening geven in blogs, zijn zelf in elkaar gekluste video’s uploaden op YouTube en zijn vakantiefoto’s op Flickr (Kevin Kelly in zijn inmiddels beroemde essay We Are the Web: 'Het internet geeft een beter beeld van het menselijk bestaan dan engelen hebben vanuit de hemel’). Iedereen kon kennis verzamelen via Wikipedia en zijn sociale leven managen via Facebook en MySpace. Via live chats en online fora konden burgers in contact komen met hun volksvertegenwoordigers. We zouden betere burgers worden.

DAT WAS, PAK ’M BEET, drie jaar terug. Als we vandaag de toekomst van het internet bekijken is juist de personalisatie van web 2.0 het onderwerp waar de meeste kanttekeningen bij worden gemaakt. Reclame is altijd deel geweest van het internet (de eerste spam werd in 1978 verstuurd; vandaag is 85 procent van alle e-mail spam), maar nu wordt reclame toegespitst op basis van de dingen die websites over je weten, zoals ook de volgorde van de resultaten van een Google-zoekopdracht zullen verschillen per gebruiker. Jouw Google is niet mijn Google.
Dat kun je handig vinden, misschien maakt het je internetgebruik zelfs effectiever, maar het is een duidelijke afwijking van de webideologie dat internet mensen zou samenbrengen. Internet wordt zo immers een steeds individuelere ervaring. Maakt het uit dat een website weet wie je lievelingsregisseur is? Veel van de gegevens die we delen zijn triviaal. Toch geeft de interpretatie van genoeg data diepere inzichten in wie personen en groepen zijn, die voor marketingbureaus, overheden en intelligence agencies erg interessant zijn. Als ze kunnen ontdekken wat je eet, kunnen ze ook wel ontdekken wat je leest en welke blogs je volgt. En dan kunnen ze vast ook wel voorspellen wat je gaat stemmen - et cetera. En als we weten dat Google je zoekopdrachten nu al manipuleert ten faveure van reclame, kan dat dan ook niet gebeuren ten faveure van bepaalde machtsstructuren? Informatie wordt steeds minder neutraal, precies het tegenovergestelde van het zo vaak door webadepten bejubelde hackersadagium (van Stewart Brand): 'Information wants to be free.’
Marleen Stikker: 'De vraag die je jezelf moet stellen is: vertrouw ik de systemen om mij heen? Of wordt er een werkelijkheid over mij heen gelegd? Mensen gaan ervan uit dat het wel goed gaat als iedereen een programma gebruikt. Maar wie kan daadwerkelijk alle gaat-u-hiermee-akkoord-teksten lezen die op je afkomen? Dat de data worden geregistreerd die ik zelf prijsgeef, bijvoorbeeld op een Facebook-profiel, is tot daaraan toe, maar hoe zit het met de informatie die Google opslaat, of mijn telecomprovider of mijn ov-chipkaart? Wat gebeurt daarmee? Het is zeer wenselijk als er wetgeving komt over wederkerigheid van informatie: als men iets van mij weet, dan wil ik kunnen weten wat ze van me weten.’
Ondertussen ondermijnt de realiteit van het adagium 'information wants to be free’ een andere pijler van de democratie: de journalistiek. Terwijl krantenoplagen kelderen, kan iedereen met een digitale camera of een blog voor fotograaf/journalist doorgaan (CNN vindt het nog steeds relevant om haar anchors Twitter-berichten van willekeurige kijkers voor te laten lezen), waardoor nieuws - vitaal voor elke democratie, zoals commentatoren graag opmerken - steeds diffuser, rommeliger en minder betrouwbaar wordt.
'Het web 2.0 is een ontzettende rommel geworden en elk goed innovatief idee dat de komende jaren zal ontstaan, zal gaan proberen orde te scheppen in die chaos’, zegt Ernst-Jan Pfauth, chef internet van NRC Handelsblad. Pfauth is 25, prominent lid van de confettigeneratie. Schuift soms bij De Wereld Draait Door aan om over mediaontwikkelingen te praten. Hippe kleren en schoenen, ontzettend cool haar, the whole shebang. Ook hij, als lid van de nieuwe internetgeneratie, is het eens met de stelling van Geert Lovink dat het internet één grote 'deconstruction machine’ is (Lovink: 'Informatie, nieuws, analyse, achtergrond wordt verpulverd, uit elkaar getrokken, versnipperd. Als iets gebeurt, is het al verleden tijd. Het is onmogelijk om nog een coherent verhaal te vertellen’).
Wanneer je het over de toekomst van het internet hebt, lijk je het automatisch over de ondergang van de klassieke nieuwsmedia te hebben. Kranten zagen hun lezersaantallen (en advertentie-inkomsten) kelderen, terwijl nieuws door het onvermijdelijke nu van het internet steeds sneller achterhaald raakte.
Pfauth: 'Voordat ik bij de webredactie kwam, maakte de internetafdeling van NRC 1,2 miljoen verlies per jaar. In feite gebeurde er weinig meer dan kopij uit de krant halfslachtig op de website zetten. Dat verlies hebben we bijna weten weg te poetsen. We hebben bloggers gezocht die bronnen kunnen selecteren, die weten hoe je nieuws vindt op Twitter en die snel kunnen werken. Alleen het nieuws brengen, merk je, is niet meer voldoende. Er is al zo veel nieuws online. Wat je vandaag moet doen is het nieuws structureren.’
In meer of mindere mate is dat iets waar Keen, Lanier en ook Lovink en Stikker op terugkomen: het internet heeft zich de afgelopen twintig jaar zo in ons leven genesteld, dat we het ons niet meer kunnen veroorloven er niet kritisch naar te kijken en er blind vertrouwen in te hebben. Misschien moet dat zelfs, de hardste breuk met het webidealisme, gebeuren in de vorm van een overheid.
Er zijn veel goede ontwikkelingen aan de horizon van het internet, benadrukt Stikker. Zo werkt Waag Society bijvoorbeeld aan downloadable design, een mooi 3D-printing-programma waardoor protheses veel goedkoper gemaakt kunnen worden. 'Maar niemand is alleen nog optimistisch.’ Stikker: 'Waar we misschien naartoe zouden moeten, bedachten we laatst, is een ministerie van Technologie. We zouden de rechten van de internetsamenleving moeten definiëren en dat ministerie zou die kunnen handhaven. Dat zou veel goed doen voor het afnemende vertrouwen dat er nu in internet is.’