7 december 1924 - 20 oktober 2013

Jovanka Broz

Na de dood van haar man Tito leefde Jovanka Broz als persona non grata in een villa die net als Joegoslavië langzaam maar zeker veranderde in een ruïne.

Het bericht dat de weduwe van Tito is overleden klinkt als een onwerkelijke echo uit een ander tijdperk. Leefde die dan nog? Waar was zij al die tijd gebleven sinds Tito in 1980 op 88-jarige leeftijd was heengegaan en tien jaar daarna het zonnige arbeidersparadijs bloedig uit elkaar was gespat?

Vlak voor haar dood dook de naam Jovanka Broz opeens weer op in de media. Het Engelstalige persbureau Independent Balkan News Agency meldde in augustus dat de Servische regering zich toch schatplichtig had gevoeld aan de laatste first lady van de Socialistische Republiek Joegoslavië. In een poging de hoogbejaarde weduwe van Tito enigszins te rehabiliteren boden ze haar een nieuwe woning en medische verzorging aan. Want wat al decennia onder de bewoners van Belgrado gold als een publiek geheim bleek in werkelijkheid nog veel erger te zijn: Jovanka Broz verkeerde in kommerrijke omstandigheden in een huis waar ze in 1980 onder huisarrest was geplaatst. De villa in een buitenwijk van Belgrado, die ooit diende als gastenverblijf voor buitenlandse delegaties, had sindsdien geen bezoek meer gehad van loodgieters, metselaars en schilders. In het dak zat een gat waar de regen doorheen viel op haar bed. De verwarming deed het al jaren niet meer, er was geen stromend water en geen aansluiting op gas en elektra. Klimop groeide tegen het behang op, terwijl vogels vrij door de kamers fladderden.

Een van haar tientallen bedienden uit haar hoogtijdagen als first lady was haar trouw gebleven en hield vanuit een appartement in de buurt een oogje in het zeil. De ruziënde opvolgers van Tito hadden haar balling in eigen land gemaakt uit angst dat ze de macht van haar man wilde overnemen. Dat bleef gehandhaafd toen in de jaren negentig de federatie desintegreerde alsof Tito nooit had bestaan. Daarna viel haar net als de tienduizenden ontheemde burgers in de nieuwe republieken op de Balkan onverschilligheid ten deel.

Op schaarse foto’s zag ze er nog altijd uit als een dame die het ooit goed had gehad. Met haar forse postuur geperst in een ouderwets mantelpakje, een grote bril type jaren zeventig en een slordig Beatrix-kapsel symboliseerde zij de teloorgang van het land waarvan ze zelf als stoer partizanenmeisje aan de wieg had gestaan.

Jovanka, geboren als Serviër in Kroatië, meldde zich op zeventienjarige leeftijd bij het partizanenleger van maarschalk Tito. Ze was toen lid van de communistische brigade en had meegemaakt hoe de nazi’s in 1941 op Kroatisch grondgebied voortvarend waren begonnen met etnische zuiveringen van de Serviërs. Haar afgebrande ouderlijk huis liet ze achter zich en ze trok de bergen van Bosnië in waar ze, nadat ze twee keer gewond was geraakt, werkte als verpleegster en opklom tot politieke commissaris van het partizanenziekenhuis. In die tijd ontmoette ze voor het eerst Josip Broz Tito, die bij een bezoek aan het ziekenhuis zijn ogen had laten glijden over het beeldschone meisje. Maar hij vond haar, zo zou hij later grinnikend beweren, te wild en te vrijpostig. Van een huwelijk kwam het pas jaren later, en hun liefde zou vanaf de eerste dag omgeven zijn door achterdocht, aangejaagd door politieke intriges en giftige spelletjes van vrouwelijke concurrenten.

Met een reeks medailles voor uitzonderlijke moed had Jovanka zich twee jaar na de bevrijding bij het presidentiële paleis gemeld voor een baan. Terwijl onder leiding van Tito de autonome republiek zich noch door Moskou, noch door Peking of Washington liet paaien, dongen de vele vrouwen aan het socialistische hof naar de gunst van de grote leider. Zoals zo veel dictators greep hij seksueel onverzadigbaar iedere vrouw die op zijn pad kwam. Na twee huwelijken waar twee zonen uit voortkwamen werd Jovanka door Tito’s politieke staf naar voren geschoven. Die meende dat het na de dood van zijn grote liefde Davorjanka Paunovic voor zijn positie tegenover het volk beter was om burgerlijk getrouwd te zijn. Maar de datum van hun huwelijk is niet bekend – 1951 of 1952 – en hoe dat precies is gegaan blijft in nevelen gehuld.

Hij was zestig jaar en zij 26. Niemand haalde het in zijn hoofd om dat leeftijdsverschil pervers te noemen. Men had wel moeite met haar frivole verschijning. Ze droeg bontjassen, had te veel blingbling om haar hals en gebruikte kleurrijke make-up, waarmee ze ideologisch niet het goede voorbeeld gaf. Dat haar man niet van de vrouwen en de slivovitsj kon afblijven werd hem echter wel vergeven. Het volk hield van hem en de Derde Weg die hij had gekozen tijdens de Koude Oorlog maakte van Joegoslavië een redelijk welvarend land. Als geziene gast bij alle staatshoofden in de wereld wist Tito zich politiek en economisch goed te handhaven.

Maar achter de coulissen van de macht vonden ondertussen politieke spelletjes plaats waarbij Jovanka fungeerde als bliksemafleider. Ze zou spion van Moskou zijn, dan weer zou ze als Serviër in een etnisch complot haar Kroatische man uit het zadel willen wippen. Zelf beweerde ze dat ze haar met zijn gezondheid kwakkelende echtgenoot wilde beschermen tegen couppogingen.

Aan alle intriges ging zij ten slotte ten onder. In 1975 ging ze niet mee met staatsbezoeken aan Noord-Korea, de Sovjet-Unie en China. In 1977 verscheen ze niet aan het diner voor de Noorse koning en vanaf die tijd is ze nauwelijks meer in het openbaar verschenen. De laatste drie jaar voor de dood van Tito zat ze in het paleis opgesloten en kreeg ze op haar verjaardag een bos bloemen gepresenteerd met de groeten van Tito. Ze verscheen nog op zijn begrafenis, bedroefd en stilletjes in de schaduw van zijn kinderen, zijn staf en de vele buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders. Drie maanden later werd ze als persona non grata weggewerkt uit de geschiedenis.

Vanuit een langzaam instortende villa aanschouwde zij hoe de droom van Tito vervloog onder het oplaaiende etnische geweld. Wie zij werkelijk is geweest, behalve een archetypische echtgenote van een dictator, blijft een raadsel. Ze ligt straks weer naast Tito in het graf.


Beeld: Joegoslavisch Volksleger