Jozef, Keynes en de farao

Er raast een Beeldenstorm door de economie. Fysici, sociologen en theologen storten zich naar aanleiding van de crisis op de wereld van het grote geld en onzichtbare handen. Levert dat wat op?

Medium het spook van het kapitaal

‘Aan economische voorspellingen kan en mag iedereen zich wagen’, schreven de Tilburgse hoogleraar Sylvester Eijffinger en onderzoeker Edin Mujagic in 2012 grootmoedig in een opiniestuk. ‘Net zoals iedereen, voetballer of niet, een voorspelling kan en mag doen voor de uitslag van een willekeurige wedstrijd uit de eredivisie. Het is echter een goede zaak de macro-economische analyse over te laten aan de macro-economen.’

Die macro-economen, dat spreekt voor zich, zijn Eijffinger en Mujagic zelf. Zij werpen zich op als de poortwachters die de toegang tot het domein van de economie bewaken. Er is één probleempje. De ‘macro-economische analyse’, waarover Eijffinger en Mujagic zo vol vertrouwen spreken, betreft hun jarenlange waarschuwingen voor nakende (hyper)inflatie. Een scenario waar jaar in, jaar uit niets van terechtkomt. Op dit moment is de inflatie historisch laag. Maar ach, aan economische voorspellingen mag iedereen zich wagen.

Zes jaar na het uitbreken van de crisis lijkt de economie terug bij af. Hoewel ze faliekant de mist in gingen, zijn de economen niet weg te slaan uit de talkshows, de krantenkolommen en zelfs het politieke adviescircuit. Aan hun oordelen wordt meer waarde dan ooit gehecht. De economie mag gehavend zijn, ze gedraagt zich als de koningin der wetenschappen.

Maar onder de oppervlakte woedt een intellectuele veenbrand. Daarbij wordt van alle kanten het door mensen als Eijffinger en Mujagic uitgeroepen gebiedsverbod overtreden. Harde bèta’s als fysici en scheikundigen werpen zich op de economie, maar ook filosofen, theologen, sociologen, historici, politicologen en zelfs een enkele financieel geograaf. Joris Luyendijk verricht antropologisch onderzoek naar de merkwaardige stam van de bankiers in de Londense City. En ook filosoof en beroepspopularisator Bas Haring werkt aan een economieboek.

Het zijn, niet verrassend, vooral die alfa’s die met hun werk een breed publiek aanspreken. Een voorbeeld is de literatuurwetenschapper en filosoof Joseph Vogl, werkzaam voor de Berlijnse Humboldt-universiteit. Zijn boek, dat het verrassend goed deed in Duitsland, is onlangs in het Nederlands verschenen als Het spook van het kapitaal. Vogl trekt een parallel tussen de financiële aardverschuiving van 2008 en de beving die Lissabon in 1755 trof. Die ramp kostte tienduizenden mensen het leven, en liet ook haar sporen na in het westerse denken. Ze bracht de ‘theodicee’, de rechtvaardiging van het Godsidee, aan het wankelen. Op dezelfde wijze, schrijft Vogl, ‘veroorzaken de financiële bevingen van de afgelopen twintig jaar problemen voor het wetenschappelijke aanzien van de economische wetenschap. Het gaat om niets minder dan de geldigheid, de mogelijkheid en de houdbaarheid van een liberale of kapitalistische oikodicee.’

Het gangbare verhaal over hoe onze economie functioneert, de oikodicee_,_ is in de ogen van Vogl onhoudbaar. De ‘onzichtbare handen en andere spookachtige verschijnselen’ waar (neo-)klassieke economen van uitgaan zijn een mythe, laat hij in de daaropvolgende hoofdstukken zien. Je kunt veel zeggen over de markteconomie, maar rationeel of efficiënt is ze niet. En nee, zo benadrukt hij meermalen, de veelgeprezen hang naar evenwicht in de economie – of het nu om vraag en aanbod naar en van arbeid gaat of om de financiële markten – is in de praktijk ver te zoeken.

Aan het einde van zijn boek pleit Vogl voor niets minder dan een ‘secularisering van de economische wetenschap’. Dat moet leiden tot ‘economieën zonder God, markten zonder voorzienigheid en economische systemen zonder vooraf ingestelde harmonie’.

Medium 90739854

De gestroomlijnde, vol zelfvertrouwen geponeerde analyse van Vogl die aan die conclusie is voorafgegaan, dwingt bewondering af. Even snel als dwingend voert hij de lezer mee, van Don DeLillo’s roman Cosmopolis tot de monetaire experimenten tijdens de Franse Revolutie. Ruimte voor tegenwerpingen of vragen is er nauwelijks. Terwijl die wel degelijk op hun plaats zijn. Zo lijkt Vogl niet altijd scherp onderscheid te maken tussen de werking van de financiële sector en de rest van de economie. Geldt zijn beschouwing alleen voor die eerste? En voldoet Vogls eigen alternatief – hij omarmt uiteindelijk de zogenoemde post-keynesiaanse school van de Amerikaanse econoom Hyman Minsky, die het onstuimige karakter van het kapitalisme benadrukt met zijn telkens terugkerende cycli van economische boom, bubble en bust – wel aan de door hem bepleite ‘zuivering van de economische wetenschap’?

Interessant is de vergelijking met een andere onalledaagse stem in het economische debat: de Tsjech Tomáš Sedlácek, met wie Joseph Vogl komende week in Nijmegen in debat zal gaan. Sedlácek is econoom, werkte zelfs voor de Tsjechische centrale bank, maar kiest tegenwoordig voor een heel andere benadering. In zijn populaire De economie van goed en kwaad (2012) klaagt hij dat waar de economie ooit onderdeel was van religie, ethiek en filosofie het vakgebied tegenwoordig ‘in de greep lijkt te zijn geraakt van een technocratische wereld die gedomineerd wordt door zwart en wit’. Iets van de verloren kleur hoopt hij terug te vinden in de oude mythen en bij dode filosofen.

Zie het samenspel van macht, geweld, winstbejag, cultuur en religie maar eens in een traditioneel economisch kader te persen

Dat levert soms aardige inzichten op. Zoals bij het verhaal uit het Oude Testament, waarin Jozef de droom van de farao uitlegt over de zeven vette en zeven magere koeien. Dat beschouwt Sedlácek als een vroeg soort ‘macro-economische verkenning’. In het advies dat Jozef hieraan verbindt – sla in de goede jaren voedsel op voor de slechte jaren – herkent hij een anticyclisch begrotingsbeleid zoals Keynes dat propageerde. Interessant zijn ook de door hem behandelde passages in de bijbel die in feite gaan over een basaal sociaal vangnet, met haar tienden, aalmoezen en jubeljaren waarin schulden vergeven werden.

Misschien nog wel meer dan Vogl is Sedlácek een borrelend vat vol ideeën en kennis. Maar hij is ook een wat slordige denker. Tekenend is de titel van het eerste deel van zijn boek: De economie in de Oudheid. In afzonderlijke hoofdstukken bespreekt Sedlácek daarin de ideeën van denkers als Descartes en Adam Smith – oud, maar toch niet van zó lang geleden. Ergerlijker is de historische doodzonde die Sedlácek keer op keer begaat in zijn boek. Hij projecteert ons (kapitalistische) heden op het verre verleden. Zo ontwaart hij in het meer dan vierduizend jaar oude Gilgamesj-epos ‘het begin van bekende concepten als de markt en haar onzichtbare hand, het vraagstuk van de benutting van natuurlijke hulpbronnen en het streven naar optimale effectiviteit’. Dat klinkt natuurlijk leuk, maar het zegt niets.

De aandacht voor mythen is interessant. Ze maken Sedláceks boek zeer toegankelijk, iets waar getuige de aandacht voor zijn werk veel behoefte aan is. Meer nog dan Vogl zet Sedlácek de deur naar de economie wijd open. De vraag is wat de gemiddelde lezer daar vervolgens ziet. In plaats van licht te werpen in de economische duisternis produceert Sedlácek met zijn wilde parallellen alleen maar meer mist. Anders dan bij Vogl worden de gangbare economische mythes, zoals de onzichtbare hand, niet ontkracht. Door ze zo gretig en zo ver in het verleden te projecteren, versterkt Sedlácek ze alleen maar.

Uiteindelijk heeft zijn boek iets weg van levenskunst: stop met groei najagen, heb oog voor de irrationele kanten van de mens en maak niet zo veel schulden. Belangrijk, ongetwijfeld, maar het wordt al snel zalvend: ‘Ik pleit er echter wel voor dat wij weer oog gaan krijgen voor onze voldoening; ik vind dat wij dankbaar moeten zijn voor wat wij hebben. En wij hebben echt heel veel.’

Joseph Vogl wijst terecht op de lastige omstandigheid dat ‘de economische kennis van de afgelopen driehonderd jaar de feitelijke economische situatie tot stand heeft gebracht die ze nu zelf moet proberen te ontcijferen’. Het is al vaker gezegd: de eerste politieke economen beschreven niet de wereld zoals ze die om zich heen waarnamen. Hun opstelling was activistischer. In reactie op grillige, absolutistische vorsten ontwikkelden zij een ideaal, een alternatief mechanisme dat voor orde zou zorgen zónder dat daar een despoot voor nodig was: de markt. Adam Smith en de zijnen schreven dus niet over hoe de economie was, maar over hoe zij zou moeten zijn.

Met die erfenis worstelt de economische wetenschap ruim twee eeuwen later nog altijd. Het normatieve en het empirische lopen door elkaar heen. Een econoom is iemand die iets ziet gebeuren en dan met de theorie in de hand vraagt of het wel klopt, luidt het bekende grapje niet voor niets. Denkers uit andere disciplines kunnen dat gat vullen. Sedlácek laat dat helaas na. ‘De economie’, schrijft hij, ‘dat zijn de veelzeggende verhalen van mensen over mensen aan mensen.’ Hoe sympathiek dat ook klinkt, het klopt niet. Economie is veel meer. Het gaat ook om de belangen achter die verhalen. Over waarom de ene uitleg van de economie meer met de werkelijkheid van doen heeft dan de andere. En hoe het kan dat desondanks dat ene, klassiek-liberale verhaal van de economie – de oikodicee, in Vogls terminologie – alle andere is gaan overvleugelen.

De standaard is al gezet. In het in 2012 verschenen Schuld: De eerste 5000 jaar haalt de tegenwoordig aan de London School of Economics verbonden antropoloog David Graeber vanaf de eerste pagina’s alle mogelijke gangbare economische veronderstellingen en heilige huisjes onderuit. Schuld, laat Graeber zien, is niet enkel een economische, maar net zozeer een morele én een politieke kwestie. ‘Duizenden jaren lang heeft de strijd tussen rijk en arm grotendeels de vorm aangenomen van conflicten tussen crediteuren en debiteuren.’ De grote debatten gingen over hoe zwaar een schuldenaar bestraft mocht worden, de noodzaak van kwijtschelding, en of rente innen gerechtvaardigd is of het Kwaad vertegenwoordigt. Niet toevallig, merkt Graeber op, begon volksoproer overal ter wereld steevast bij de schulden. Als de boel kapot moest, waren de kleitabletten of papieren waarop de schuldenadministratie werd bijgehouden steevast als eerste aan de beurt.

Treffend is de beschrijving van Graeber van een gruwelijke praktijk in de oostelijke Himalaya, die tot in de jaren zeventig voorkwam. In het gebied waren bruiloften zo uitbundig en kostbaar dat vaders van bruiden uit de lagere kasten gedwongen waren zich diep in de schulden te steken. Het onderpand: hun dochter. Dat had verstrekkende gevolgen. Na de huwelijksnacht diende de kersverse bruid zich te melden bij de crediteur om enkele maanden als zijn concubine door te brengen. Was hij dat beu, dan kon het gebeuren dat zij doorgestuurd werd naar een nabijgelegen houthakkerskamp. Daar moest zij zich jarenlang prostitueren. Het huwelijksleven, of wat daar nog voor door moest gaan, begon pas wanneer dit alles achter de rug was.

Het is een van de vele verbluffende voorbeelden die Graeber geeft waaruit blijkt dat het bij schulden om zoveel meer gaat dan wat wij onder economie verstaan. Zie dat duistere samenspel van macht, geweld, patriarchaat, winstbejag, cultuur, religie en – in veel gevallen ook – antisemitisme maar eens in een traditioneel economisch kader te persen. Het maakt treffend duidelijk waar, naast ethische bespiegelingen zoals bij Sedlácek, de toegevoegde waarde kan liggen van al die antropologen, filosofen en andere ‘amateurs’ (aldus Eijffinger en Mujagic) die zich op de economie storten. De bordjes met ‘verboden toegang voor onbevoegden’ kunnen gerust genegeerd worden. Want nee, dit zijn toch echt geen analyses die we aan twee over het paard getilde Tilburgse macro-economen kunnen overlaten.


Op woensdag 26 maart gaan Joseph Vogl en Tomáš Sedlácek in Nijmegen met elkaar in debat, onder leiding van Groene-redacteur Koen Haegens. Op donderdag 27 maart is Vogl te gast in het Goethe-instituut in Amsterdam.

Joseph Vogl - Het spook van het kapitaal, vertaald door Huub Stegeman, Boom, 180 blz., €24,50.

Beeld: Kerfstokken uit de vijftiende eeuw. De stokken werden gebruikt om lenigen en afbetalingen te noteren. Beide partijen hadden ieder de helft van de stok, met dezelfde inkervingen (Getty Images).