Juan Gelman (3 mei 1930 - 14 januari 2014)

Hij was de dichter met de droeve ogen, en de poëzie stond getatoeëerd op zijn botten. Hij leefde in ballingschap nadat hij het Argentinië van de junta was ontvlucht.

Medium rtr1zsy1

Drie dagen nationale rouw met de vlaggen halfstok, dat is niet iedere dichter gegeven, zeker niet een die bijna veertig jaar lang weigerde terug te keren naar zijn vaderland. En al helemaal niet een man die behalve een geroemd en geprezen dichter ook een vooraanstaand links activist was.

Al in zijn jeugd werd Juan Gelman lid van de Argentijnse communistische partij, die hij later verruilde voor de Montoneros, de militante tak van de peronistische partij die zich ontwikkelde tot een guerrillabeweging. De doodsbedreigingen van de terreurgroep aaa dwongen hem in 1975 Argentinië te verlaten en uit te wijken naar Europa waar de staatsgreep van generaal Videla hem verraste en de weg naar huis afsneed.

Het was het begin van een ballingschap die, eerst gedwongen en later vrijwillig, de rest van zijn leven zou duren. Vorige week overleed hij op 83-jarige leeftijd in Mexico-Stad.

Zelfs Clarín, de grootste krant van Argentinië die openlijk de kant van de dictatuur had gekozen, ruimde nu de halve voorpagina in voor Gelman en omschreef hem als ‘de man die verdriet omzette in poëzie’.

De gebeurtenis die van Juan Gelman de dichter met de droeve ogen maakte, was een huiveringwekkende illustratie van de onmenselijkheid van het militaire bewind. Op 27 augustus 1976 verdwenen zijn twintigjarige zoon Marcelo en diens negentienjarige zwangere vrouw María Claudia nadat ze waren opgepakt. Op dat moment begon Gelmans decennia durende speurtocht naar zijn verdwenen zoon en schoondochter en naar zijn kleindochter of kleinzoon.

De resten van Marcelo, met de sporen van een nekschot, werden in 1989 gevonden, in een met beton gevuld vat dat in een rivier was gedumpt. María Claudia is nooit teruggevonden, al zou zij volgens een hoge Uruguayaanse militair vermoord en begraven zijn op een terrein van een kazerne in het buurland.

In 1995 publiceerde Juan Gelman een open brief aan zijn onbekende kleinzoon of kleindochter: ‘Misschien heb je de grijsgroene ogen van mijn zoon, of de bruine ogen van zijn vrouw, die een heel speciale schittering hadden, teder en schalks. Wie weet hoe je zal zijn als je een jongen bent. Wie weet hoe je zal zijn als je een meisje bent. Misschien kun je uit dat mysterie stappen om een nieuw binnen te treden: dat van de ontmoeting met een grootvader die op je wacht.’

Via-via hoorde hij dat het een meisje was, en het spoor leidde eveneens naar Montevideo, waar zij in gevangenschap was geboren en cadeau werd gegeven aan een plaatselijke politieman. Gelmans overmoeibare zoektocht van bijna een kwart eeuw werd in 2000 beloond met de emotionele ontmoeting met kleindochter María Macarena. Het maakte hem de beroemdste opa van de wereld.

Gedurende die jaren van intens verdriet ontwikkelde Juan Gelman zich tot een van de belangrijkste dichters in het Spaanse taalgebied. Onvermijdelijk veroverde zijn obsessie een hoofdrol in zijn werk. ‘De man die de woorden liet spreken voorbij de dood’, is hij wel genoemd. Gelman leerde praten met de doden, net als de hoofdpersoon in de beroemde roman Pedro Páramo, en zette dat om in poëzie. Hij praatte met zijn zoon en zijn schoondochter, en met vermoorde vrienden-schrijvers als Rodolfo Walsh en Haroldo Conti. ‘De poëzie stond getatoeëerd op zijn botten’, schreef zijn landgenote Silvina Friera. ‘Hij transformeerde wonden in memorabele verzen.’

Gelman beschouwde zichzelf als een politiek zeer betrokken persoon, maar wenste zijn poëzie daar nadrukkelijk buiten te houden. Als schrijver was hij ‘alleen getrouwd met de poëzie, met zijn obsessies van rouw en ballingschap’. Degenen die zijn poëzie politiek noemden vergisten zich door te denken dat ‘ik 24 uur per dag verbonden ben met de werkelijkheid. Niet alles wat er in de wereld gebeurt wekt de behoefte bij me er een gedicht over te schrijven. Alles wat je schrijft, is een lange mislukte poging de poëzie te vangen. Wanneer iemand volhardt in dit brandende ambacht dat de poëzie is, is dat omdat hij hoopt op het verschijnen van het wonder, maar zoals Dylan Thomas zei, het wonderbaarlijke van wonderen is dat ze zich soms voordoen.’

Het gedicht komt zoals het komt. Wanneer ze hem vroegen waarom hij gedichten schreef, vertelde hij altijd het verhaal, dat zijn moeder hem zo vaak had verteld, over de spin die in het bos een duizendpoot tegenkwam. ‘Hoe doe je dat met lopen?’ vroeg de spin. ‘Beweeg je eerst je vijftig linkerpoten en dan je vijftig rechter? Of twintig en dan twintig? Of tien en tien?’ De duizendpoot begon na te denken, en deed nooit meer een stap.

Gelman dacht een beetje als die andere Dylan, Bob, die altijd om uitleg van zijn teksten wordt gevraagd en altijd antwoordt: ik kan mijn eigen werk niet analyseren.

In 2011 werd de moordenaar van zijn zoon Marcelo, een voormalige folteraar in een clandestien detentiecentrum, alsnog veroordeeld tot levenslang. Juan Gelman zei dat hij daar niets bij voelde. Geen vreugde, geen haat, niets. En hij vroeg zich af waarom. Het antwoord kwam in Hoy, de laatste bundel die hij vorig jaar publiceerde, met bijna driehonderd gedichten over de lange weg van de verwerking van de verdwijning en dood van zijn zoon. Waarom de bundel Hoy (Vandaag) heette, vroegen ze hem: ‘Ik dacht dat jullie me dat konden vertellen.’

Juan Gelman stierf in Mexico, ver weg van huis, maar zonder enige rancune of verbittering: ‘Voor een dichter en schrijver is de taal het enige vaderland waarin je kunt wonen. Daarna kunnen ze je in ballingschap sturen of naar de hel, dat doet er niet meer toe.’

‘Alles wat je schrijft, is een lange mislukte poging de poëzie te vangen’


beeld: Susana Vera / Reuters