Judassen

Mijn beroemde landgenoot, le baron Pierre de Coubertin, is de grootste sukkel die de aarde heeft voortgebracht. Een suffe idealist, een soort geitewollensokkendrager avant la lettre, die met zijn olympische trouvaille de gehele mensheid een slechte dienst heeft bewezen. ‘L'important c'est de participer’, zou die wereldvreemde Fransoos hebben gezegd toen hij de vijf gekleurde ringen uitvond. Eureka! Een eeuw later blijkt de olympische korf gevuld door een kluwen jaloerse krabben die elkaar het buitenlicht niet in de ogen gunnen. Een poel des verderfs, bevolkt door gekroonde judassen, saboteurs, lafaards, landverraders, chauvinisten, geldwolven, al dan niet met Sanex-geurtjes overgoten, en valsspelers met strips die de belangen van hun sponsors koste wat kost boven de ethiek laten prevaleren.

Toch zat ik zondag weer voor het kastje. Noem het een verslaving. Toen ik in Nederland kwam, werd het de eerste keer in mijn leven dat ik mensen op twee stukjes ijzer voor mijn ogen langs zag glijden. Ik vond het betoverend. Die sport paste perfect, dacht ik toen in mijn onmetelijke naïviteit, bij de identiteit van de autochtonen. Het was een rustige bezigheid, een tikkeltje saai, maar vreedzaam en sociaal. Ik probeerde het ook. Brak bijna al mijn tanden en botten en werd de risée van de buurt. Ik besloot dat ik voortaan alleen bij zonsondergang met mijn stoel de sloot op zou gaan. Mijn oordeel was geveld: schaatsen is wreed en gemeen.
Hoewel historisch bevooroordeeld heb ik geprobeerd om zo onbevangen mogelijk naar de 5000 van Nagano te kijken. Maar wat ik gadesloeg was verbijsterend. Een coup! Een putsch tegen de olympische geest! Een samenzwering tegen de menselijkheid. En ik heb het niet over het feit dat twee Nederlanders, vlak voor hun race, zich vermomd hebben als Waldheim en Dutroux. Ik heb het over de concurrentievervalsing. Over medailles die verkregen zijn in windtunnels in plaats van op een bevroren oval. Die strips die de Nederlandse schaatsers op hun lijven hebben geplakt, kleven aan het olympische ideaal als tandplak aan een gebit. Een dieptepunt in de sportgeschiedenis. Terwijl geen der concurrenten met hetzelfde materiaal was uitgerust, hebben de Nederlandse judassen dit kunstje toch geflikt. Ze wisten dat de strips op een 5000 meter gemiddeld zes seconden voorsprong zouden geven op de schaatsers van de overige landen. Je kunt dus stellen dat zo'n op het eerste gezicht nietig stripje ongeveer gelijkstaat aan het slikken van 78 kilo anabolenpilletjes een week voor de Spelen. Desalniettemin juichten 2,6 miljoen Nederlandse kijkers als bezetenen voor hun plakstripjunks. Niemand die met schaamrood op de kaken opstond en zei: dit kan niet en mag niet, wij doen het over. Teruggeven die medailles en records! Er was alleen die arme Johann Olav Koss, die zijn ergernis niet onder stoelen of banken stak. Maar die oud-kampioen is ook maar een Noor.
Je zou denken dat, nadat ze hun slag hadden geslagen, de boeven zich koest zouden houden. Dat ze in hun hol terug zouden kruipen om vooral geen aandacht te trekken. Maar nee. Een ongekende broedermoord ontstond bijna onmiddellijk aan de top van de bende. Hij liegt en bedriegt. Het kersverse IOC-lid heeft zijn belofte gebroken en zeven medejudassen, die ook kandidaten voor het IOC waren, een kunstje geflikt. Dat zei Wouter Huibregtsen, baas van het NOC, in een ‘onbewaakt moment’ tegen een Volkskrantjournalist.
De man die zelf op de plaats van de prins had willen zitten, doet in feite intern wat hij niet naar buiten durft toe te geven: dat Nederlanders zich ontwikkeld hebben tot de beste internationale concurrentievervalsers uit de olympische geschiedenis. Hoe kan hij in godsnaam verbaasd zijn dat de prins van Oranje in het geniep een paar strips op zijn bermuda heeft geplakt? Strips die IOC-baas Samaranch in het geheim in een Zwitserse windtunnel voor hem heeft laten testen.
In Nagano is iedereen er stil van geworden. Toch zijn de meesten niet echt verrast. Hollanders, nietwaar? Altijd ruzie, altijd jaloers. Die krabben gunnen elkaar nooit een frisse neus aan de rand van hun korf. Altijd zo geweest. In voetbaltoernooien spelen ze vooral tegen zichzelf alvorens uit de selectie te worden gezet. Bij de Tour de France wordt een ontsnapte Nederlander altijd door een andere Nederlander teruggehaald. En als er per ongeluk twee van die judassen naast elkaar voor de streep aankomen, gaan ze eerst met elkaar op de vuist, vergeten te sprinten, en worden vervolgens gediskwalificeerd.