Judith mok zangeres/schrijfster

‘MUZIEK, POEZIE en mannen, dat zijn de pijlers onder mijn bestaan. De muziek was er het eerst. Ik ben een totaal toneelbeest, ik danste vanaf mijn vierde jaar, zong en speelde piano. Exhibitionisme in het tienvoudige. Ik zat op het Montessori Lyceum in Amsterdam, maar ik wilde alleen maar dansen. Gelukkig had mijn vader een oude, wijze vriend, die hem de raad gaf: “Laat dat kind gaan. Stuur haar naar de dansopleiding van het conservatorium in Den Haag.” Ik danste voor, en de directeur vroeg: “Je zingt toch ook?” Ja hoor. Ik heb voorgezongen en ik kon komen. Piepjong was ik, net vijftien. Mijn eerste lessen kreeg ik van Annie Hermes. Dat ging heel goed. Later kwam ik terecht bij iemand die me helemaal niet lag. Nu werk ik alleen nog met coaches. Ik heb een makkelijke stem, ik kan veel aan. Het lijf is stevig en goed. Ik werk heel hard aan mijn techniek. Altijd. Het is een soort gymnastiek.’

‘OP MIJN TWINTIGSTE kwam ik van het conservatorium en ben ik verder gaan studeren in Parijs. Eerst bij Noémie Perugia, later bij Christa Ludwig. Ik had geen cent en een arme dichter, Maurits Mok, als vader. Om wat te verdienen ging ik in de metro zingen. Later kreeg ik beurzen en begon ik elpees te maken. Op mijn eenentwintigste was alles in volle gang. In totaal heb ik zeven jaar in Parijs gewoond, inclusief een kortstondig jeugdhuwelijk met een Fransman. Daarna bracht het zingen me naar Glasgow, Wenen en Barcelona.
Dat vond ik allemaal heel gewoon. De reizende jood, de ene plek of de andere, wat maakt het uit. Meestal was ik alleen, nou ja, alleen… Dat is niets voor mij. Ik had altijd wel partners. Inmiddels ben ik achttien jaar met een Ierse schrijver getrouwd. Kortgeleden zijn we vanuit Amsterdam naar Ierland verhuisd omdat hij terug wilde naar zijn taalgebied. Voor mij en mijn dochter Saar was het een enorme stap, maar we zijn er allebei heel gelukkig.
Toen ik na mijn omzwervingen terugkwam in Nederland dacht ik, heel naïef: ik heb veel ervaring opgedaan, er is hier een nieuwe opera, ze zullen me wel met open armen ontvangen. Nou, vergeet het maar. Dus ben ik gewoon blijven reizen en treed ik weinig in Nederland op. Misschien omdat ik de naam heb lastig te zijn. Ik ben geen brave, volgzame sopraan. Door mijn ideeën over interpretatie heb ik meningsverschillen met dirigenten.’
'IK WAS GEEN schrijvende puber. Op mijn negentiende ben ik begonnen met verhalen te schrijven. Die heb ik naar het Nieuw Vlaams Tijdschrift gestuurd en ze zijn geplaatst. Surrealistische, dromerige verhalen waren het. Ik ben in Frankrijk op school geweest, daar ben ik wakker geworden voor de literatuur. Ik was erg beïnvloed door de Franse stijl, en door mijn vader natuurlijk, en door alle mensen om hem heen.
Na die verhalen ben ik gaan dichten. Het feestmaal, dat vorig jaar uitkwam, is alweer mijn derde dichtbundel. Tussendoor heb ik nog een roman geschreven en ik heb net bij Meulenhoff het contract getekend voor een nieuwe roman. Volgend jaar maart is de deadline. Het wordt een heel wreed boek, waar veel zang in voorkomt. De personages vertolken veel van mijn ideeën over muziek. Ik heb als schrijver altijd een heel low profile gehouden omdat ik zo veel zong. En ik was zo weltfremd, net als mijn vader. Die ondernam ook niks.’
'WAT ZINGEN EN dichten met elkaar gemeen hebben is de taal. Zoals je van een schrijver zijn idioom moet leren begrijpen, moet je dat ook van een componist. Als ik van een componist de muzikale taal niet begrijp kan ik hem niet zingen. Ik vind het wel leuk qua virtuositeit om sommige Italianen te zingen, het is heerlijk voor de stem en het lijf, maar het geeft me absoluut niet de voldoening die Mozart me geeft, of Schubert, Duparc of Berlioz. Ik hecht grote waarde aan de teksten die een componist gebruikt. Daarom kan ik Frauenliebe und -leben van Schumann absoluut niet zingen. Du Ring an meinem Finger, uuuhhh, ik krijg het niet uit m'n keel! Heel soms is de muziek zo verschrikkelijk mooi dat een slechte tekst niet hindert.
Bij het samenstellen van een programma kies ik in eerste instantie de componisten. Soms heb je geluk: ik ga nu de Romantische Suiten van Sjostakovitsj uitvoeren, op teksten van Alexander Blok, een van mijn grote helden. Het is heerlijk om die muziek en die teksten te zingen. In het Russisch natuurlijk - mijn moeder sprak vloeiend Russisch. Mijn ouders zijn nu allebei dood. Dat maakt het vrij leeg aan de andere kant van de zee.
Ik denk dat ik een echte schrijfster ben, maar ook een echte zangeres. Als je me ziet denk je niet in eerste instantie aan een dichteres. Dichten is een buitengewoon introverte bezigheid, het tegenovergestelde van zingen, wat zo ongeveer het meest extraverte is wat je kunt doen. Ik leef heel extreem, dus beide kwaliteiten moeten tot op het bot worden beleefd.Op reis heb ik altijd een notitieboekje bij me - ik breng veel eenzame uren in hotelkamers door. Iedere keer schrijf ik een stukje. Na een jaar heb ik het hele gedicht. Pas dan ga ik er technisch aan werken. Ik reserveer een periode, anderhalve maand minstens, om te schrijven. Altijd dezelfde dagdiscipline: opstaan, gymnastiek, zangoefeningen, anderhalf uur lopen, dan weer anderhalf uur zingen. Daarna haal ik mijn kind van school en breng ik een aantal uren met haar door. En ’s(avonds schrijf ik zo'n drieëneenhalf uur. Ik denk dat ik een beest ben qua energie. Noodgedwongen, want ik heb een man die niets doet. Nebbish, niets. Hij is heel geestig en buitengewoon onderhoudend, maar Ieren zijn niet op te voeden. Verder zijn twee kunstenaars bij elkaar natuurlijk een ramp. Ik zou een rustige, muzische partner moeten hebben, vol begrip voor mijn werk, zo een die met je meegaat en je overal in steunt. Zulke mannen hebben zangeressen vaak. Bij ons is het knokken om onze plaats.’
'IN MIJN gedichten zit absoluut melodie. Ik hoor ritme en klank. Bij het zingen gebruik ik dezelfde emoties als in mijn literaire werk. Daarvoor moet je de techniek volkomen kunnen vergeten. Dichten is ook een techniek. Er is geen school voor, maar je kunt wel in allerlei stijlen leren schrijven: terze rime, binnenrijm, sonnetten. Dat heb ik allemaal geoefend, ook samen met mijn man. Tijdens de vakantie namen we elke dag een thema; daarop schreven we ieder een gedicht in een bepaalde stijl. Ik heb veel van hem geleerd, meer dan van mijn vader, die echt autodidact was.’
'HOE HARTSTOCHTELIJK ik ook van zingen houd, ik kan soms heel wrevelig worden van al dat gedoe eromheen. Al die mensen… Dan wil ik gewoon achter mijn bureau en moeten ze allemaal opdonderen. Ga weg, ik ben nu bezig met mijn eigen ding! Dan loop ik rond met een grote vracht op mijn rug. Vreselijk. Als ik aan het schrijven ben, ga ik heel veel praten tegen mensen. Dan haal ik dingen op van vijftien jaar geleden - ik heb een walgelijk goed geheugen: “Toen had je groene veters in je schoenen, en toen zei je dit…” Ik doe dat omdat ik aan het verzamelen ben en een eigen wereld wil creëren. Dan spreek ik zelfs volslagen vreemden aan. Ik heb totaal geen inhibities meer. Als ik iets vind van iemand, roep ik dat luidkeels. Madame sans gêne. Voor een dichteres is dat raar, maar het is prima als je zingt - Lotte Lehmann zei dat je op het toneel het gevoel moet hebben dat je al je kleren uittrok, anders was je geen goeie zangeres. Uiteindelijk, na zo'n intensieve periode van schrijven, overwint toch de muziek weer. Dan pak je maar weer je koffertje. Knorrig, dat wel.’
'IK VOEL ME absoluut meer thuis in de schrijverswereld. Met muzikanten heb ik moeite, zeker met zangers, die zijn zo beperkt. En vals ook. Je kunt van mij veel zeggen, maar niet dat ik vals ben. Jaloers trouwens ook niet. Ik ben gewoon met mijn eigen dingen bezig. Als ik echt moest kiezen tussen zingen en schrijven, nee, dat kan ik niet. Zingen houdt sowieso op als je ouder wordt, maar als ik nu moest stoppen, dat zou een ramp zijn. Wat ik wel graag zou willen is, net als Glenn Gould, een heleboel muziek opnemen, maar dan voor Internet. Een thematische serie van gedichten en muziek. Over dieren, natuur, liefde, noem maar op. Een soort bibliotheek van het lied. Dat lijkt me heerlijk voor latere generaties. Maar kiezen, nee, dat moet je niet van me vragen.’