Angst en afkeer in de klas

‘Juf, ik wil niet naast een homo zitten’

Homoseksualiteit, drugs of de Turkse president Erdogan: steeds vaker wordt op school liever niet gesproken over moeilijke onderwerpen. En hoe laat je kinderen hun vooroordelen kwijtraken?

Medium tekening2b

‘Homo’, galmt het door het broeierige klaslokaal. Het is heel even stil. Dan volgt gegiechel, dat langzaam overgaat in hard gelach. Het woord ‘homo’ is gevallen. Alwéér. En het wordt door de meeste van de twintig aanwezige pubers van een jaar of dertien niet vriendelijk gebruikt. Het is een beschimping, een scheldwoord. ‘Homo betekent dat je net zoals een meisje doet’, legt Thijs met wilde armgebaren uit. Gegrinnik. Abdel erkent dat hij er vaak nog ‘kanker’ voor zegt. ‘Alleen tegen vrienden’, sust hij. ‘Als iemand homo is en je noemt hem zo, dan spreek je toch de waarheid?’

Boven in een ander lokaal gaat het er even later niet veel anders aan toe. Daan doet ‘het loopje’ na. ‘Je weet wel, zoals ze allemaal lopen.’ Overdreven heupwiegend huppelt hij naar de andere kant van het vertrek. Grijnzend draait hij zich om, terwijl hij het applaus van zijn klasgenoten in ontvangst neemt. ‘Ik heb niets tegen homo’s’, zegt Tim. ‘Maar ze hoeven het niet te tonen, ze moeten niet hand in hand lopen of zo. En zoenende mannen’ – hij trekt een vies gezicht – ‘nee, die wil ik niet zien.’ Gelach.

De vmbo-scholieren uit Almere dachten dat ze vandaag wiskunde of aardrijkskunde kregen, maar werden verrast door een ingelaste cursus ‘vooroordelen’ onder leiding van een drietal van Diversion, het bureau voor maatschappelijke innovatie; respectievelijk een joodse, een lesbienne en een moslim. Alleen weten de jongeren dat laatste (nog) niet. Dat krijgen ze halverwege deze spoedcursus te horen. Gelijk = gelijk? heet het lesprogramma.

Spelenderwijs worden er stellingen geponeerd. ‘Joden mogen niet gediscrimineerd worden.’ De scholieren die het niet eens zijn met de stelling lopen naar het einde van het lokaal, de rest blijft vooraan bij het witte bord staan. ‘Als joden ons discrimineren mogen wij ook terug discrimineren’, roept Omar stellig van achter uit de klas. Alles mag worden gezegd, is het idee van deze les. Ook de extremere gedachten en gevoelens, die vaak voor docenten verborgen blijven. Pas als alles op tafel ligt, kan er echt worden gesproken en geleerd.

Al in 2016 signaleerde Diversion dat de uitspraken van scholieren steeds extremer worden. Het bureau, dat dit jaar vijftien jaar bestaat, werkt voor zijn programma’s met peer educators, jongeren die qua leeftijd en achtergronden dicht bij de leefwereld van jongeren staan. Ze praten openlijk over geld, seks en vooroordelen. En ze signaleren veel. Leerlingen die zich steeds meer overschreeuwen, bijvoorbeeld. Links tegen rechts, net als in de politiek. ‘De les lijkt soms net op een spoeddebat’, zegt Rafel Mahmoud van Diversion daarover. Maar er is ook een groeiende groep scholieren die zwijgt, uit angst voor gedoe.

De klassen in Almere zijn divers. Bij de deur hangt een wereldkaart, de punaises staan voor waar de kinderen ‘vandaan’ komen. Marokko, Turkije, maar ook Duitsland en Amerika. En Almere natuurlijk. Kees is zeer duidelijk over wat hij vindt van zijn medescholieren van een andere afkomst. ‘Zij moeten zich dus wel aanpassen aan onze cultuur’, stelt hij. ‘Als wij sinterklaas vieren, dan moeten zíj ons wel ónze gang laten gaan met Zwarte Piet. Anders moeten ze maar weg. Terug naar waar ze vandaan komen.’

Het kleine groepje scholieren van Antilliaanse en Surinaamse afkomst luistert, starend naar de grond. Deze kinderen zeggen niets na het relaas van Kees. ‘Maar als iemand hier is geboren en Zwarte Piet niet leuk vindt’, vraagt Rafel, ‘moet-ie dan weg? Waar naartoe dan?’ Kees haalt achteloos zijn schouders op. ‘Weet ik veel.’ Niet zijn probleem. De witte pubers zijn het roerend met hem eens. De zwarte kinderen in de klas zwijgen wijselijk, alsof ze geen mening hebben, alsof het ze niet aangaat.

Er wordt veel geroepen in het onderwijs, maar er wordt juist ook veel niet gezegd. Over waar bepaalde denkbeelden vandaan komen, bijvoorbeeld. Rafel Mahmoud (26) is al een aantal jaar peer educator voor Diversion. Hij bezocht en bezoekt nog steeds tientallen klassen. ‘Er wordt nul naar elkaar geluisterd’, zegt hij. ‘Leerlingen vinden geen dingen, ze noemen die dingen feiten. Marokkanen zíjn allemaal crimineel. Homo’s zíjn allemaal vies. Moslims zíjn allemaal terroristen.’ Als gevraagd wordt hoe ze aan deze wijsheden komen, is het antwoord: ‘Omdat het gewoon zo is.’

Als kind vluchtte Rafel met zijn familie uit Irak. ‘Via meerdere transportmiddelen en dat ging gepaard met geblinddoekt worden en soms dagenlang zonder eten leven.’ Zijn vluchtverhaal vertelt hij aan de scholieren en daarbij hoeft hij zeker niet altijd op sympathie te rekenen. ‘Leuk, net als in The Hunger Games’, hoorde hij. Van een opmerking als ‘ze hadden je bootje lek moeten prikken’ schrikt hij al niet meer. ‘Laatst zei een jongen: “Jullie gaan allemaal op vakantie naar jullie thuisland om jezelf op te blazen.” Dan sta ik met mijn mond vol tanden. Waar komt dat extreme beeld toch vandaan?’

Dan zijn er nog de leerlingen die stil zijn. ‘Soms, als ik hen vraag om hun mening, gaan ze huilen: “Dat wil ik niet. Als jij straks weg bent, dan word ik gepest.” De angst voor elkaar in de klas groeit.’ Rafels collega-peer Leroy Smeenk herinnert zich nog goed het meisje dat ruzie met de hele klas kreeg toen ze tijdens een gastles zei dat homoseksualiteit normaal was. ‘Whoem, iedereen er bovenop, alsof ze een verrader was.’ Het gebeurde in groep 8 op een Amsterdamse basisschool. ‘Dan ben je zo jong, draag je een boodschap van liefde uit en word je verstoten.’

‘Als wij sinterklaas vieren, dan moeten zíj ons wel ónze gang laten gaan met Zwarte Piet. Anders moeten ze maar weg’

Scholieren leven langs elkaar heen, zeggen beide peer educators. ‘Ooit was ik in de ideale klas’, zegt Rafel. ‘Moslims, niet-moslims, een paar joden en een paar christelijke kinderen. Toen ging de bel. Ik keek uit het raam en zag dat iedereen bij het “eigen” groepje stond.’ Leroy ziet veel animositeit onderling. ‘Op tv, social media, in de politiek of thuis: nergens wordt nog naar elkaar geluisterd. Alles is zwart-wit. Zo ongenuanceerd en zo onpersoonlijk, dan krijg je natuurlijk ook polarisatie in de klas. In het lokaal zijn alle neuzen gericht op het bord. Ik denk dan: waarom zijn die neuzen niet op elkaar gericht?’

Twee werelden, twee werkelijkheden, heette het journalistieke onderzoek dat Margalith Kleijwegt ruim twee jaar geleden uitbracht in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Sociale Zaken en Welzijn (ocw). Ze bezocht zeventien scholen (voortgezet onderwijs, mbo en hbo) door het hele land en signaleerde radicalisering bij de allochtone én autochtone scholieren, met de kanttekening dat er ‘natuurlijk genoeg scholen zijn waar weinig of geen problemen zijn’. Toch stelde ze: ‘Terwijl allochtone studenten het idee hebben dat ze worden achtergesteld en gediscrimineerd, voelen autochtone studenten zich bedreigd en vragen ze zich angstig af hoe dat straks moet als ze, zoals zij zeggen, in de minderheid zijn. Over en weer is er steeds minder begrip en empathie.’

Haar waarschuwende advies aan de politiek luidde: ‘Ongemakkelijke waarheden onder ogen zien is cruciaal om vervolgens in actie te kunnen komen. Want er is geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de spanningen komende tijd minder zullen worden. Integendeel.’ Toenmalig minister van Onderwijs, Jet Bussemaker, reageerde helemaal volgens het boekje: ‘Kleijwegts rapportage laat een werkelijkheid zien die ongemakkelijk is en soms ronduit pijnlijk. Maar die mij er des te meer van overtuigt dat we problemen niet uit de weg moeten gaan.’

Niet dat ze vóór het verschijnen van het journalistieke onderzoek niet wist dat er problemen waren. Datzelfde jaar verschenen nog Maatschappelijke thema’s in de klas: hoe moeilijk is dat? en Puberaal, lastig of radicaliserend? Beide in opdracht van het ministerie. Maar de politiek ging ermee aan de slag. Er kwamen hoorzittingen in de Tweede Kamer, er werd gedebatteerd en het rapport werd en wordt veelvuldig genoemd en geroemd in politiek Den Haag. Alleen, of er echt iets verandert?

Nee, zeggen de peer educators en leraren die ik voor dit artikel spreek. De taboes, de zaken die onbespreekbaar zijn nemen juist toe. Allemaal noemen ze homoseksualiteit als grootste taboe. Geregeld krijgt Marlies, freelance docent maatschappijleer op vooral vmo en mbo, te horen van leidinggevenden dat ze bepaalde onderwerpen maar moet laten liggen. ‘Homoseksualiteit, alles wat met joden of Israël heeft te maken.’ Ze noemt ook wapens en drugs als verboden onderwerpen. ‘Verdomme, denk ik dan, ik geef soms les in de rotste wijken van Rotterdam aan kinderen die echt wel met wapens, drugs en seks te maken hebben. Juist wij, de grote mensen, moeten met ze erover praten. Wij moeten ze begeleiden.’

Marlies heeft grote moeite met de opgelegde taboes. Een van haar opdrachtgevers raakte ze kwijt omdat ze niet mocht praten over MeToo. ‘Juist de kinderen, vaak moslims, maar ook latino’s, die ik lesgeef zijn erg conservatief over hoe meisjes zich moeten gedragen. Daarom vind ik dat je juist met hen het hele seksualiteitsvraagstuk moet bespreken.’ Ze doet het meestal toch en dat heeft haar ook eens een opdrachtgever gekost. ‘Problemen worden nu vaak uit de weg gegaan, maar daarmee gaan ze niet weg. Daarom praat ik juist wel over taboes in de klas.’

Janine Prins is docent en stagecoördinator bij Hogeschool Inholland Amsterdam, bij de opleiding maatschappelijk werk en dienstverlening. Op haar opleiding zitten voornamelijk allochtone, en veel islamitische leerlingen. Toen de spanningen na de mislukte coup uit 2016 weer eens opliepen in Turkije en vooral rondom president Erdogan zei een collega tegen haar: ‘Laat maar rusten, we moeten hier niet hebben dat groepen op school tegenover elkaar staan en de boel uit de klauwen loopt.’

Prins vindt dat een docent juist wél het gesprek aan moet gaan: ‘Ik denk dat collega’s soms bang zijn onderwerpen bespreekbaar te maken, dat ze onvoldoende vertrouwen hebben om zo’n discussie in normale banen te leiden. Zelf denk ik dat wanneer je oprechte interesse toont en studenten de ruimte geeft om hun mening te geven er geen ruzie ontstaat. Je geeft ze de gelegenheid voor een gesprek en daar leren ze van.’ Ze beschrijft een van haar klassen: 28 leerlingen, twee wit en de rest met een migratie-achtergrond. Marokkaans, Turks, Creools en Antilliaans. En één homoseksuele, dove jongen. ‘Juf, ik heb een dubbele handicap’, zei hij laatst. ‘Heel pijnlijk, alsof homoseksualiteit een handicap is.’ Haar klas is de ongemakkelijke waarheid. ‘We kunnen wel doen alsof we allemaal gelijk zijn. Maar we zijn het niet. Laten we het dáár eens over hebben.’

Peer educator Rafel Mahmoud vertelt aan de Almeerse vmbo-klassen wat er gebeurde ná zijn vlucht uit Irak. Toen hij als jongetje, de taal nauwelijks beheersend en te klein voor zijn leeftijd, op een witte basisschool terechtkwam, als enige moslim. Hij was acht jaar en was al snel gewend aan de kinderen die vonden dat hij eruitzag als ‘poep’ en beweerden dat hij stonk. Tot hij door een groep grotere jongens in een hoek werd geduwd. ‘Ben je moslim?’ vroegen ze hem. ‘Ja’, stamelde hij. En vervolgens duwden ze hem een broodje ham in zijn gezicht, en mond.

Terwijl hij zijn pestverhaal vertelt is de klas stil. Amina, het enige meisje in de klas met een hoofddoek, is duidelijk geroerd. Het meisje (zwart trainingspak met een grote Marokkaanse vlag) vertelt dat ze op de basisschool eruit werd gepikt. Geregeld is er tegen haar geroepen: ‘Ga terug naar je eigen land!’ Ze is hier geboren. Later vertelt ze dat ze denkt moeilijk werk te vinden in Nederland. ‘Mijn broer is afgewezen bij een sollicitatie. Die baas zei tegen hem dat-ie geen vertrouwen had in buitenlanders.’ Ilse doet het af als gezeur. ‘Hij heeft nog maar een paar keer gesolliciteerd. Mijn moeder probeert al heel lang aan werk te komen, maar wordt overal geweigerd vanwege haar leeftijd.’ Amina reageert er lauw op. ‘Ach, ja.’

Small tekening1b

Gebrek aan empathie, niet naar elkaar kunnen luisteren – docente Dilek Semur ziet het vaak op haar school. Ze geeft lessen maatschappijkunde aan het Huygens College, een vmbo-school in Amsterdam. De school bestaat grotendeels uit islamitische leerlingen (Turks- en Marokkaans-Nederlands), het overige deel is vooral van Surinaamse en Antilliaanse afkomst. ‘Zoiets als uit de kast komen is echt not done onder de islamitische leerlingen.’ In haar klassen is er waardering voor mannen als Boef, de rapper die de vrouwen die hem een lift gaven (omdat hij een lekke band had) ‘hoeren’ noemde.

‘In het lokaal zijn alle neuzen gericht op het bord. Ik denk dan: waarom zijn die neuzen niet op elkaar gericht?’

Vaak hoort ze collega’s ‘luister nou even!’ roepen. ‘Ja, daar vraag je me wat, luisteren is voor deze vmbo-leerlingen een pittige klus.’ Ze hebben het nooit geleerd, zegt ze. ‘Luisteren vraagt om openheid, om empathie. De wil om anderen te begrijpen. Dat zijn vaardigheden die we nauwelijks meer doceren.’ Daarom worden volgens haar veel onderwerpen maar uit de weg gegaan. Vooral als het gaat om bijvoorbeeld homoseksualiteit of het Midden-Oosten. ‘Docenten zijn soms bang dat de discussie escaleert, dat ze ermee aan de slag moeten en dan hun verplichte taken, waar ze op worden afgerekend, niet af krijgen.’

Ondertussen zijn de problemen van de leerlingen groot. ‘Mishandeling, schulden, verstoorde verhoudingen thuis, culturele verschillen, een leerling van wie de moeder is weggelopen’, somt Semur op. ‘Laatst kwam er een oud-leerling bij me, een Turkse, die niet meer wist wat ze moest doen. Thuis wordt van haar verwacht dat ze de traditionele normen en waarden aanhoudt, maar zijzelf wil dat niet meer. Ze heeft zich als westers meisje ontwikkeld.’ Al die complexe zaken. ‘Het is onze plicht ze bespreekbaar te maken.’

Ze erkent dat haar waarden soms botsen met die van de scholieren. ‘Veel leerlingen zijn vanuit geloofsredenen tegen homoseksualiteit. Ik sta daar heel anders in. Dat is lastig. Ik heb wel geleerd meer afstand te nemen. Het gaat er niet om wat ik ervan vind, het gaat erom dat ik de kinderen tot een bepaald inzicht laat komen. Veel docenten zijn, als ze al een gevoelig onderwerp bespreekbaar maken, erg moraliserend. Dat werkt averechts.’

Voor inzicht is tijd nodig. Veel tijd. Semur neemt die tijd, een paar weken, voor een gevoelig onderwerp als homoseksualiteit dat volgens veel van haar islamitische leerlingen haram, verboden, is. ‘Dat hebben ze van horen zeggen en daarom wil ik dat ze dat zelf gaan onderzoeken.’ Een jongen was heel stellig. Homoseksualiteit was aangeleerd, vond hij. ‘Hij ging uit zichzelf naar zijn imam om zijn stelling te toetsen. Na afloop van de derde les kwam hij naar me toe en zei: “Juffrouw, ik weet eigenlijk niet meer zeker of homoseksualiteit is aangeleerd.” Voor mij is dat winst, dat hij zelf in elk geval onderzoekt.’

Semur krijgt steun van haar leidinggevenden. Maar meestal ontbreekt het aan tijd om de gevoelige onderwerpen echt bespreekbaar te maken.

In 2006 werden scholen verplicht het vak burgerschap te geven, waarin maatschappelijke onderwerpen aan de orde komen. ‘Scholen moeten zorgen dat Nederlandse leerlingen hun klasgenoten van buitenlandse komaf leren kennen’, was het oorspronkelijke idee. Scholen, aldus het ministerie, die zich niet hielden aan de wettelijke verplichting om actief burgerschap en integratie te bevorderen, zouden subsidie verliezen.

Alleen is tot op de dag van vandaag niet duidelijk waaraan die lessen burgerschap moeten voldoen. De Onderwijsinspectie meldde in 2015 dat scholen nog te weinig bezig waren met het verplichte vak, vooral het kritisch leren denken kreeg nog onvoldoende aandacht. Het journalistieke onderzoek van Margalith Kleijwegt liet ook goed zien hoe docenten worstelden met de burgerschapsvorming. Een docente zei dat ze meer bemoeienis wilde van de overheid. ‘We mogen burgerschap nu zelf invullen, met als gevolg dat het heel verschillend gebeurt, terwijl het zo verschrikkelijk belangrijk is! Met praten over jezelf, je achtergrond en de wereld waarin je leeft zou al op de basisschool moeten worden begonnen.’

Dat was begin 2016, maar na de politieke hoorzittingen, debatten en discussies is er nog maar weinig veranderd. Nog steeds weten veel scholen burgerschapsvorming niet goed te plaatsen, en wordt het hier en daar een uurtje, of twee uurtjes, als vak gegeven. En wat er dan gegeven moet worden is ook nog steeds de grote vraag. ‘Op het terrein van burgerschap en sociale vaardigheden constateerden we al eerder onvoldoende vorderingen’, schreef Monique Vogelzang, inspecteur-generaal bij het onderwijs, halverwege april dit jaar in haar jaarlijkse rapportage De staat van het onderwijs. ‘We moeten wel concluderen: door de jaren heen glijden de resultaten van het Nederlandse onderwijs af. Hier maak ik me echt zorgen om.’

In vergelijking met andere landen, aldus de Inspectie, is het onderwijs in Nederland sterk gesegregeerd. ‘Er ontstaan nu in het Nederlandse onderwijs bubbels van gelijkgestemden waar leerlingen nauwelijks uit komen.’ Ook de verschillen in kennis van burgerschap zijn erg groot. Eén op de drie leerlingen weet veel over rechten en plichten. Zij hebben vaak hoger opgeleide ouders. Aan de andere kant weet één op de drie leerlingen juist zeer weinig over burgerschap. Zij hebben vaak lager opgeleide ouders. Het recht op een eigen mening vinden de meeste leerlingen volgens de Inspectie het belangrijkste van burgerschap. Je aan de wet houden, anderen helpen of hard werken, wordt veel minder genoemd door de scholieren.

‘Je hebt de vrijheid van spraak, maar luisteren hoort er ook bij’, zegt Said Touhami (21). ‘Wat zijn meningen nog waard als niemand naar je luistert?’ Als moslim staat hij samen met een jood en homoseksueel voor de klas. ‘We werken samen en dat geeft meteen een wij-gevoel; als je collega’s van elkaar bent, verandert dat je denkbeeld automatisch’, zegt hij. Hij noemt als voorbeeld de klas met veel islamitische kinderen en een Surinaamse, niet-islamitische juf. ‘Ze heeft het beste voor met die kinderen met wie zij een relatie heeft. En dan is er die ene leerling die vindt dat zij als niet-moslim in het hellevuur zal belanden. Dan ben je moreel failliet.’

Said, opgegroeid in Almere, is leeftijdgenoten tegengekomen met extreme ideeën. Hij is er zelf nooit in meegegaan, zegt hij, mede dankzij zijn oudere broers die hem op het rechte pad hielden. ‘Op een vreedzame manier met elkaar oneens zijn, dat wil ik kinderen leren. Meningen verschillen en dat mag ook. Maar door naar elkaar te luisteren kun je wel nieuwe inzichten krijgen.’ Dat wil hij de scholieren waaraan hij lesgeeft voorhouden. ‘Dat een dame voetbalt vinden die islamitische jongens vaak tof. Als die vrouw dan de tweede les vertelt dat ze lesbisch is, zie je ze schrikken. Dan hoop je dat ze toch gaan denken: is het dan echt zo slecht dat zij lesbisch is, dat zij is wie ze is?’

Maar hij weet ook dat hij als peer educator van Diversion een klas drie keer ziet. Binnen die tijd legt hij de achilleshiel van de klas bloot én zaait hij twijfel over de vastgeroeste denkbeelden. Dan is het al weer voorbij. Daarna krijgen de leerlingen de ‘gewone’ vakken als Nederlands, wiskunde en aardrijkskunde. ‘De school levert economische producten’, vindt Said. ‘De ziel is vaak weg.’ Na de minder-Marokkanen-uitspraak van pvv-leider Geert Wilders, tijdens de gemeenteraadsverkiezingen in 2014, snakte hij als zeventienjarige Marokkaan naar een luisterend oor op school. Zijn mentor, een Marokkaan nota bene, zweeg. ‘Wat is een school eigenlijk? Alleen een plek waar we kennis opdoen?’

‘Als er niets verandert ga je nog meer docenten krijgen die overbelast raken. Die praten maar niet meer’

Daryll Landbrug (32) is als peer educator een veteraan bij Diversion. ‘Je komt drie keer bij zo’n klas langs. That’s it. Vaak is er eigenlijk veel meer tijd nodig.’ Laatst probeerde hij in een klas te praten over Black Lives Matter. ‘Een leerling had geen zin om erover te praten, hij wees naar een klasgenoot: “Anders vindt hij me een racist.” Daar schrik ik dan echt van. Hij wijst iemand aan die drie meter verderop zit en waarmee hij niet praat. Twee groepen die volledig langs elkaar heen leven en een docent die daar niet veel mee kan.’

Hij leeft vooral ook met die leraar mee. ‘Het onderwijssysteem is niet toereikend om zo’n probleem er nog eventjes bij te doen.’ Hij waarschuwt: ‘Als er niets verandert ga je nog meer docenten krijgen die overbelast raken. Die praten maar niet meer. Daarmee krijg je een zwijg- en angstcultuur waar leerlingen die het hardst schreeuwen overeind blijven. Het is erg doemdenken, maar er moet echt wel iets gebeuren.’

Docente Dilek Semur ziet ook dat in het onderwijs de nadruk ligt op ‘kennisoverdracht’. Ze zit ook bij de dialooggroep Amsterdam, waar leraren met elkaar praten over burgerschapsthema’s in de stad. ‘Op veel scholen moet vorming steeds meer inleveren, terwijl de maatschappij roept om waardeoverdracht in het onderwijs.’ Leraren worden opgeslokt door hun pta’s (programma’s van toetsing en afsluiting). ‘De focus ligt op prestaties, examens en cijfers. Daar word je als docent en school op afgerekend.’ Daarbij wordt nauwelijks gekeken of de leerling straks wel voldoende sociale vaardigheden heeft.

‘Juist mijn vmbo’ers gaan straks allemaal praktisch aan de slag. Zij zouden eigenlijk vooral op hun attitude beoordeeld moeten worden. Hoe ga je om met andersdenkende buren? Hoe respecteer je andermans grenzen? Hoe maak je afspraken, en belangrijker nog, hoe kom je ze na? Dat vraagt veel van ze.’ Haar leerlingen doen extreme uitspraken. ‘Ik hoor vaak opmerkingen over joden die vies zijn of Wilders die dood moet. Daar moet je iets mee.’ Maar met twee uur per week burgerschapsvorming kom je niet ver. ‘Gedragsverandering kost tijd. Dat moet je echt trainen. Dat moet door de hele school breed worden gedragen. Dus ja, ook de wiskundeleraar moet over dit soort zaken praten met zijn mentorklas.’ Volgens haar groeit de polarisatie zolang het onderwijs taboes hanteert. ‘Het is belangrijk te verbinden, juist op school want verder komen mijn leerlingen nauwelijks in aanraking met autochtonen of andersdenkenden.’

Diversion

Diversion is in 2003 opgericht als bureau voor maatschappelijke innovatie. Het ontwikkelt speciale (les)programma’s om taboes op voornamelijk scholen bespreekbaar te maken. Ook werkt het bureau met zogeheten peer educators, die qua leeftijd en achtergronden dicht bij de leefwereld van jongeren staan. Zij praten op scholen over onderwerpen als geld, seks en vooroordelen, en signaleren daarbij dat de taboes en polarisatie toenemen in de klas. Diversion wil dat dit signaal naar buiten komt en heeft Kim van Keken de opdracht gegeven een journalistiek verhaal te schrijven. Ze werd volkomen vrij gelaten. Het verhaal zal later in het jaarboek van Diversion verschijnen.

Scholen weten vaak niet wat ze aanmoeten met extreme uitspraken van leerlingen, bleek in 2016 uit de verkenning Dialoog als burgerschapsinstrument van Diversion. Daarvoor sprak het bureau met meer dan tachtig docenten en schoolleiders in het basis- en voortgezet onderwijs. Vlak na de aanslag op Charlie Hebdo (2015) noemde een Marokkaanse leerlinge het ‘prima’ als in Nederland een gelijksoortige aanslag zou plaatshebben. Een aantal leerlingen van een basisschool, meldde een stagiair-docent, gooide de ruit in van een asielzoekerscentrum.

De leerlingen staan ‘zo mijlenver’ van zijn eigen denkbeelden, zei een leraar van een vmbo-school in Hilversum, dat hij het moeilijk vindt om over moeilijke zaken te praten. ‘Die kloof moet echt eerst worden gedicht.’ Een andere leraar: ‘Wat er thuis bij mijn vmbo-leerlingen wordt gezegd is belangrijker dan de statistieken die ik in het klaslokaal gebruik om feiten aan te tonen.’

Ruim twee jaar later worstelen leraren nog steeds met burgerschapsvorming, er is niets veranderd. ‘Dat is zorgelijk’, concludeerde de Onderwijsinspectie in De staat van het onderwijs 2018. ‘Scholen leveren ook een belangrijke bijdrage aan de vorming van jonge mensen. Ook de sociale opbrengsten van het onderwijs zijn dus belangrijk.’ De Inspectie legt de nadruk op het ‘hoe-gaan-we-met-elkaar-om’ op school.

‘Waar begin je?’ vraagt peer educator Rafel Mahmoud zich af, ‘als een leraar niets doet in de klas als ik voor neger word uitgescholden. Zo’n man zit dan achter in de klas, met een wezenloze blik in zijn ogen die zeggen: ach, laat maar gaan.’ Hij fungeert als ijsbreker, maar de docenten van de school moeten daarna wel zélf aan de slag met de polarisatie in de klas. Mede-peer Leroy Smeenk ziet dat ‘kinderen elkaar niet leren kennen’. ‘Het feit dat ze vaak nog nooit een homo hebben ontmoet zegt veel. Ik heb al meerdere keren meegemaakt dat een docent na afloop van een les naar me toe kwam: “Ik ben homo, maar kan echt niet uit de kast komen.” Zo’n man is bang voor de beerput.’ Docente Marlies kreeg van een collega te horen dat ze maar niet moest praten over haar lesbische familieleden. ‘Ik heb dat wel gedaan en na wat tekst en uitleg viel het best goed in de klas. Je moet deze kinderen leren respect te hebben voor anderen.’

Docente Janine Prins: ‘Vaak zie ik dat docenten denken: stel je raakt iets aan dat pijnlijk is, dan moet ik daar iets mee, daar heb ik echt geen tijd voor.’ Daardoor worden onderwerpen als geloof, seksualiteit, drugs, politiek en schulden uit de weg gegaan. ‘Maar als wij zaken al niet bespreekbaar maken, hoe gaan we dan in godsnaam wel tot elkaar komen?’

Tijdens de gastles op de vmbo-school in Almere vertelt een leerling aan de klas dat hij soms bang is. ‘Ik ben een Marokkaan en veel mensen willen minder Marokkanen. Ik weet niet zo goed wat dat betekent.’ Zowaar wordt in de klas geluisterd. Arjan probeert te sussen, het uit te leggen. ‘Geert Wilders heeft niet gezegd dat alle Marokkanen weg moeten. Alleen vindt hij sommige Marokkanen een terrorist en hij wil geen terroristen in ons land.’ Het lijkt de eerste stap naar een dialoog, tot Milan stelt: ‘Niemand luistert. Echt. De volgende dag zeggen ze toch weer: je bent zwart, ga weg.’


De namen van de leerlingen van de vmbo-school zijn vanwege hun privacy gefingeerd. Ook de naam van de docente Marlies is gefingeerd