MUZIEKONDERWIJS IN DE KNEL

Juf, is dit een viool?

Noten lezen, zingen met de piano – het gebeurt in het reguliere basisonderwijs nog nauwelijks. Scholen kopen ad hoc een muziekpakket in. ‘Zonder structureel aanbod verdwijnt de echte liefde voor muziek.’ Een pleidooi voor de terugkeer van ritme en klank in de klaslokalen.

IN HET GYMLOKAAL van de Meester van Eijckschool klinkt een ritme dat niet onderdoet voor Braziliaanse afro-reggae. Zo’n zestig ouders slaan onder leiding van twee docenten met drumstokjes op het deksel van een houten kist. Met deze workshop bedankt de schoolleiding hen voor hun inzet op school. Ook is het een voorbode voor een nieuwe onderwijslijn die na de zomervakantie start.
Muziekles nieuwe stijl: de beginselen van muziek leren door ritmes te slaan op de World Music Box, een houten kist van 25 bij 25 bij 25 centimeter waarvan elke zijde net even anders is, zodat hij verschillende klanken voortbrengt. Het idee is van Paul Zeegers, kunsthistoricus en voormalig directeur van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Hij ontwikkelde muziekeducatie waarmee iedereen kan worden bereikt. Bij de workshops werkt hij met professionele musici, zoals ook in deze school in IJsselmonde, Rotterdam-Zuid.
Aan de rand van de wijk zijn flatblokken gesloopt en ligt het terrein braak. Hier woont een mengeling van laagopgeleide ras-Rotterdammers en migranten. Volgens schooldirecteur Peter Koedood is de sociale problematiek hier ‘stevig en komt alles aan ellende in school voorbij’. Wie het gemengde gezelschap in de gymzaal bezig ziet, begrijpt wat muziek doet: iedereen heeft na aanvankelijke schroom en enig gegiechel dikke lol. Ze doen allemaal mee, er wordt getrommeld of gedanst, door Antilliaanse moeders die op het ritme niet stil kunnen blijven staan. Als de docent aanmoedigend zegt: ‘Hou je niet in’, roept een stevige geblondeerde vrouw in legging: ‘Nou, wij houden ons eigen nooit in, hoor.’
Koedood, die zelf op de kweekschool nog algemene muziekvorming heeft gehad, zegt: ‘Als je het over muziekonderwijs hebt, is de eerste reactie van leerkrachten altijd: “We hebben geen instrumenten.” Maar ze kunnen er zelf ook niks meer mee. Als school moet je tegenwoordig cultuur bij de gemeente inkopen. Wij hebben bewust gekozen voor een cultuurlijn: er is een dansdocent aangetrokken en geïntegreerd muziekonderwijs hoort daar ook bij. De leerkrachten hebben deze workshop ook gevolgd. Er kwam veel los.’
Paul Zeegers zag als algemeen directeur van het Rotterdams Philharmonisch Orkest in de jaren negentig tienduizenden kinderen langskomen in De Doelen voor muziekeducatie. Zeegers: ‘Ik hoorde telkens weer: “Meester, wat kan dat orkest hard spelen en wat kunnen ze ook zacht spelen.” Zo basic. Ik vroeg me af: hoe ver sta je met je programma eigenlijk af van de beleving van kinderen? Het gaat om de betovering en dat moet je triggeren. Teruggaan naar de bron: het ritme. De kist trekt aan en je kunt er meteen mee aan de slag. Het is universeel, ongeacht ras, afkomst, leeftijd en talent. Iedereen komt los en dán begint het pas; je vult het aan met theorie en instrumenten. Het is als een warming-up bij sport. Ik ga alleen naar scholen als er absorptievermogen is: als ik weer wegga moet het worden opgepakt door anderen.’
In 1999 stopte Zeegers met zijn werk bij het orkest en ging zich als zelfstandig ondernemer onder meer bezighouden met basale muziekeducatie: met eenvoudige middelen de jeugd in beweging brengen. Muziek ziet hij als een middel om creativiteit te ontdekken én om te communiceren. Met dat idee trekt hij langs scholen in de townships van Zuid-Afrika, in Chili, Colombia en straks ook op de Antillen. Het is een vorm van ontwikkelingshulp, die blijkbaar ook hard nodig is in Nederland.

Want met de muziekeducatie in het primair en voortgezet onderwijs is het over het algemeen slecht gesteld. Volgens Paul Zeegers is de teloorgang al ruim twintig jaar bezig, maar de laatste jaren is de sloop hard gegaan. Zingen en noten lezen worden niet meer structureel geleerd. Door het gebrek aan aanbod bij de brede basis is de drempel naar een muziekschool hoger geworden. Ouders krijgen hun kinderen nauwelijks nog op muziekles, zoals dat vroeger standaard hoorde bij de klassieke opvoeding van de elite. Ouders vinden zelf bovendien vaak geen tijd om hun kinderen dagelijks te begeleiden. Een instrument bespelen heeft plaatsgemaakt voor internetten, gamen en veel losse hobby’s.
Is dat erg?
Ja, zo blijkt uit een rondgang langs muziekscholen, musici en muziekdocenten. Ze zeggen allemaal: muziek is het weeskindje in het onderwijs geworden en er zijn geen leerkrachten die het in huis hebben. Dat komt doordat er op de pabo’s geen muziek meer wordt onderwezen. Slechts vier uur op jaarbasis. Daardoor is er geen natuurlijke overdracht van muziek meer en dat werkt op alle fronten door.
Concreet betekent deze ontwikkeling dat er bijvoorbeeld nauwelijks nog amateurkwartetjes en -orkestjes zijn. Die muziekcultuur is zo goed als verdwenen. Meer algemeen neemt de belangstelling voor klassieke muziek hard af, zo blijkt uit onderzoek van de Stichting Podium Kunsten. Daar staat tegenover dat de ‘opgeleukte’ klassieke muziek van André Rieu massaal aanslaat: het publiek voor zijn concerten is al lang te groot voor gewone concertzalen. Ruim de helft van de studenten aan de conservatoria is inmiddels buitenlands, wat ook geldt voor de musici in de dertien orkesten die Nederland rijk is.
Maar ook zijn er niet-muzikale argumenten vóór muziekonderwijs in het basisonderwijs. Muziek is een van de meest universele middelen tot communicatie die de mens kent. Het is overtuigend aangetoond dat muziek maken goed is voor het trainen van beide hersenhelften en dat kinderen daardoor later beter zijn in bètavakken. Er is bijna geen krachtiger middel dan muziek om het brein rijp te maken voor ‘het grotere werk’. Dat begint met actief trainen en niet met passief luisteren. Onderzoek wijst uit dat muziek ook goed is voor het emotionele welzijn. Sommige leerkrachten zijn er stellig van overtuigd dat muziekonderwijs een probaat medicijn is tegen toenemende gedragsproblemen, zoals ADHD, bij kinderen.

Pianodocent Karen van Dellen houdt er na twintig jaar mee op. Ze heeft de moed opgegeven, omdat ze aan haar leerlingen ziet dat het ze moeite kost om te studeren: ‘Mijn leerlingen lijken niet meer in staat zich te concentreren op iets wat afzien vergt. Ze zitten uren achter de pc in plaats van buiten een balletje te trappen. Er zijn meer prikkels, ze weten meer dan wij vroeger op die leeftijd, maar er is minder fysieke ontwikkeling. Op de pc leer je scannend lezen maar wat je voor pianospelen nodig hebt is heel veel repeteren. Het is een analoog proces. Je ziet een beeld, de noten, en die moet je in een motorische handeling omzetten. Ik zie dat ze er lang over doen en dat het zelden als een muzikale betovering wordt ervaren. Vroeger gaf ik toonladders op, maar nu merk ik dat ik niet meer bij ze binnenkom. Het gehoor is goed, dat verandert niet, maar het beklijft niet in het lichaam.’
Ze verwijt het nooit haar leerlingen. Van Dellen: ‘De school is drukker, er is sneller paniek als een kind zich iets anders ontwikkelt dan het standaardverhaal. Van kinderen wordt continu van alles gevergd. Terwijl het voor een puber juist fijn is om een passie te hebben, waardoor je gezien wordt. De tendens is dat muziek meer consumeren is geworden. Maar door het zelf te doen, leer je begrijpen waarom iets mooi is. En samen musiceren is met elkaar praten zonder dat het zweverig of bedreigend wordt. Dat gebeurt ook bij sport of dansen. Maar bij muziek is er altijd het element van ontroering.’
Wil haar vak weer kansen krijgen, dan moet volgens Van Dellen muziek eerst op de basisscholen weer een echte status verwerven: ‘Dan kun je schiften aan de poort en kan ik werken met gemotiveerde kinderen. Ik voel me – en begrijp me niet verkeerd – overgekwalificeerd. Voor een kind moet een instrument werken als een magneet. Nu moet ik eerst mijn trukendoos gebruiken of ze via spelletjes op de pc zien te prikkelen om tot iets minimaals te komen.’
Ellen Corver geeft nog wél met plezier les. Ze behoort als pianiste tot de wereldtop en is als hoofdvakdocent verbonden aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Maar ook zij heeft kanttekeningen: ‘In Den Haag is een speciaal onderwijsprogramma gestart voor zeer jonge kinderen, het zogenaamde Pi-programma voor kleuters met een zekere aanleg, maar niet toegespitst op het begaafde kind. Elke zaterdagochtend komen zij naar het conservatorium voor een les van drie uur waarin heel breed aan muzikale vorming wordt gewerkt. Het is verbazend wat met kinderen wordt bereikt. Toch vind ik dat dit niet beperkt zou moeten blijven tot kinderen met een uitgesproken belangstelling voor muziek, én de ouders die bereid zijn ze te begeleiden, maar voor álle kinderen van die leeftijd moet zijn. Wat ik merk aan mijn leerlingen, die na een strenge selectie zijn toegelaten, is dat de mentaliteit in het algemeen is veranderd. Het wordt niet meer gewoon gevonden dat het moeite kost om iets bijzonders te bereiken. Ze groeien op in een aanbod van veel en groot. De snelle prikkels staan haaks op de diepte in gaan. Zoiets basaals als zingen hebben ze meestal niet meer meegekregen. Op de school van mijn eigen kinderen wordt acht keer per jaar muziekonderwijs gegeven door een speciale muziekdocent, maar juffen zijn niet meer in staat om die lessen door te zetten. En verder worden we met z’n allen ongevoelig voor geluid. Er is altijd overal muziek, zelfs op sportvelden. Probeer dan maar eens te onderwijzen dat muziek over schoonheid gaat, over iets groters dan jezelf. Ik ben ervan overtuigd dat als je dat lukt je minder opgefokte kinderen zult krijgen.’
Zeker, zegt ze, supertalent komt er toch wel uit: ‘Ik groeide zelf niet op in een milieu waarin muziek met de paplepel werd ingegoten. Maar ik wilde altijd piano spelen. Kinderen die dat niet hebben, zul je een handje moeten helpen om de weg naar de concertzaal te vinden.’
Corver is kritisch over de verplichting aan musici in de klassieke muziek om ‘breed en multicultureel’ te zijn: ‘Ik vind dat klassieke muziek gekoesterd moet worden, en je moet accepteren dat niet iedereen daar voor openstaat. Als dat elitair wordt gevonden, dan is dat maar zo. Dat wil niet zeggen dat je niet creatief moet zijn in het bereiken van nieuwe publieksgroepen, maar de muziek zelf moet je in zijn waarde laten.’
Om het gapend gat in het onderwijs op te vullen zijn er inmiddels wel allerlei initiatieven losgekomen. Omdat scholen ‘cultuur’ kunnen inkopen, wordt het aanbod verzorgd door particuliere instellingen en muziekscholen. Zij bieden pakketten muziekonderwijs. De educatie wordt vaak anders aangepakt, minder volgens het conventionele leraar-leerling-model.
Renee Jonker, die 25 jaar slagwerker was, is sinds tien jaar directeur van een particulier fonds voor muziek, dat ruim baan geeft aan vernieuwing van muziekeducatie. Inspiratie daarvoor deed Jonker op in Engeland, waar ze volgens hem geweldige dingen doen op dat gebied: ‘De essentie is dat je professionele muzikanten inzet voor allerlei vormen van onderwijs. Het idee is ontstaan in de kaalslag van het Thatcher-tijdperk. Kunstenaars namen zelf het initiatief om daar iets tegenover te stellen. De liefde voor het vak werd de inzet voor de educatie: community art. Dit idee hanteer ik ook: er wordt een beroep gedaan op topkunstenaars om zich breed in te zetten voor muziekvorming in de samenleving. Omdat zij niet altijd pedagogisch en didactisch geëquipeerd zijn, dienen ze daarin te worden bijgespijkerd.’
Jonker spreekt musici aan op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid: ‘Onze orkesten zijn door de overheid gesubsidieerde instellingen die een rijke traditie in stand houden. Maar het publiek dat daarmee bediend wordt is geen afspiegeling van de demografische samenstelling van Nederland. Als gesubsidieerde instelling heb je de plicht daarover na te denken. Er zijn programma’s ontwikkeld waarin orkesten niet de zoveelste Peter en de Wolf doen, maar kinderen laten ervaren hoeveel er aan muziek te beleven valt door ze eerst zelf muziek te laten maken voor ze met een repertoire van het orkest te maken krijgen. Net nog weer in de Haagse Schilderswijk: een groep scholieren die op die manier kennismaakt met muziek van de hedendaagse componist Hein Goebbels. Mooi dat er dan kinderen zijn die voor het eerst een basgitaar in handen krijgen en er nog lekker op spelen ook.’
Jonkers pleidooi is: breng muziek terug naar het basisonderwijs: ‘Kunstenaars moeten zelf het voortouw nemen vanwege de hiaten in het onderwijs en de veranderende samenleving. Dat impliceert een omslag in het denken van instellingen en orkesten, maar het betekent nooit dat je door de knieën gaat. Dus niet Beethoven met een rapper gaan brengen. Je moet jezelf nooit verloochenen en zuinig zijn op waar je goed in bent. De cultuur van de doodstille concertzaal waarin een knisperend papiertje de magische aandacht van duizend luisteraars kan verstoren, blijft wat mij betreft heilig.’

Hoe de markt van inkopen werkt weet Aad de Been, van oorsprong fluitist en coördinator educatie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Hij is daar verantwoordelijk voor de docentenopleiding en daarnaast afdelingshoofd muziek bij het Koorenhuis in Den Haag, centrum voor cultuur en kunst. De Been: ‘Ik zoek naar manieren om bredere groepen in een vroeg stadium te bereiken. Op het conservatorium leid ik studenten op tot docent. Ik probeer een brug te slaan waar scholen het laten afweten. Acht jaar geleden is in Den Haag het kunstmagneetproject begonnen, dat geldt voor cultuur in brede zin, waarbij in het onderwijs het accent op muziek komt te liggen. In Den Haag zijn nu vier muziekmagneten en de bedoeling is dat er zo accentscholen ontstaan; kinderen die graag willen, kunnen naar een speciale muziekgeoriënteerde school. Op het Koorenhuis zijn we nu ook bezig om via het netwerk van de naschoolse opvang muziek laagdrempelig te maken en mensen te prikkelen.’
Maar, verzucht De Been: ‘Je moet er ook voor waken dat je een aanleverbedrijf wordt dat de gaten opvult die in het onderwijs vallen. De overheid, ach ja, er zijn veel gesprekken geweest waar weinig uit is gekomen. In ons land hoor je weinig intrinsieke argumenten, maar altijd: “Wat houden we eraan over en wat verdienen we eraan?”’ De verarming aan de basis van de piramide is volgens De Been direct merkbaar op het conservatorium, waar de excellente talenten vandaan moeten komen. Vijftig procent van de studenten van het Koninklijk Conservatorium is buitenlands: ‘Ze komen uit Spanje, Portugal, Oost-Europa en Korea, vooral voor onze twee topafdelingen: oude muziek en jazz. We herkennen hier meteen de Oost-Europese musicus: die maakt zichzelf ondergeschikt aan het instrument. Zij komen uit een competitief klimaat met veel concoursen. Wij zijn meer gewend om te kijken wat voor een mens achter het instrument schuilgaat. En om te denken dat muziek niet moeilijk hoeft te zijn maar wel mooi.’
De Been kan goed zien hoe muziek samenhangt met sociale afkomst: ‘Mensen op het conservatorium komen traditioneel uit twee sociale groepen. Voor klassieke muziek – viool, piano, cello, zang – kiest de traditionele elite. Een nieuwe klasse van moderne goed opgeleide artistieke ouders, die hun kinderen bewust muziek meegegeven, kiest naast klassiek vaak voor de lichte muziek, de popklas en jazz. Daarnaast is er van oudsher nog een aanwas van groepen die in hun jeugd in de harmonie of de fanfare speelden. Dat is vooral op het platteland buiten de Randstad. Mensen uit deze cultuur van de hafabra doen vaak blaasinstrumenten en slagwerk. Hoewel in de jaren zeventig de muziekcultuur is neergemaaid door pubers ten gunste van popmuziek zie je deze sociale classificatie nog steeds terug. Ondertussen hebben we ook een grote traditie opgebouwd in de koorzang: in ons land zingen ruim achthonderdduizend mensen in een koor. De liefde voor het oratorium is terug te voeren op het psalmen zingen in de kerk en het harmonium in de huiskamer. Of de socialistische kampliederen rond het vuur. Het grappige is dat je in het Koorenhuis de sociale mobiliteit terugziet. Turken en hindoestanen kiezen de laatste jaren voor pianolessen en minder voor lessen in hun eigen traditionele muziekinstrumenten. Dat toont dat deze gemeenschappen zich rap ontwikkelen. Antillianen en Marokkanen zie je hier nauwelijks. Zij maken muziek in buurthuizen.’
Ook Johan Akerboom, directeur van de muziekschool Amsterdam-Noord, weet alles van muziek inkopen: ‘Er zijn in Amsterdam veel mogelijkheden: muziekateliers, voorstellingen door professionele muzikanten waar docenten op kunnen doorborduren. Maar het gaat uiteindelijk om de opbouw van muziekeducatie, van een leerlijn, en niet om incidenteel iets doen met muziek. Ik kom veel op scholen en het niveau van zingen is erbarmelijk. Mijn primaire zorg is: eerst weer gewoon zingen in de klas. Vanuit de muziekschool helpen we bij het ontwikkelen van kennis en kunde bij leerkrachten. Als ze zelf stuntelen, dan doen ze het helemaal niet meer voor de klas.’
Maar, zegt hij, in Amsterdam begint het bestuurlijk wel mogelijk te worden om meer aan muziekonderwijs te doen. Akerboom: ‘In het kunstplan 2005-2008 is per kind twintig euro vouchergeld ingevoerd voor cultuureducatie. Je hoort steeds vaker vanuit schoolbesturen dat muziek maatschappelijk toch wel erg belangrijk is. Maar omdat elke school zelf verantwoordelijk is, hangt het sterk van een directeur af wat ermee gebeurt.’

In de tempel van de klassieke muziek, het Concertgebouw in Amsterdam, merken ze nog relatief weinig van de afnemende belangstelling voor klassieke muziek. De zaal zit bijna altijd vol. Van alle klassieke concerten in Nederland vindt veertig procent hier plaats. Daarnaast wordt de zaal verhuurd voor andere concerten, zoals bijvoorbeeld wereldmuziek.
Marga Wobma, hoofd educatie en van oorsprong klassiek opgeleid harpiste, zegt dat je er nooit vanuit mag gaan dat het allemaal wel vanzelf loopt. Ze ziet het als een maatschappelijke plicht om het Concertgebouw zo breed mogelijk toegankelijk te maken. Verleiders zijn in plaats van muziekspecialisten, zo noemt Wobma de taak van de afdeling educatie: ‘We hebben ons vaste educatieprogramma waaraan per jaar ruim dertigduizend kinderen uit het primair en voortgezet onderwijs deelnemen. De gratis lunchconcerten op woensdag worden bezocht door een breed en jong publiek. Maar in de zaal zitten nog steeds hoogopgeleide blanken. Bij de traditionele concerten zitten de spreekwoordelijke oude dametjes en bij wereldmuziek blanke hoogopgeleide jongeren. Dat is niet erg, want onze core business is klassieke muziek en aan die kwaliteit moet je niet gaan tornen. Maar we willen graag dat nieuwe Nederlanders die hoger opgeleid zijn zich hier ook vrij en thuis voelen.’
Er zijn allerlei plannen om de concertzaal toegankelijker te maken. Zo wordt er een bezoekerscentrum ingericht. Wobma: ‘We kijken daarvoor naar Newcastle, waar drie concertzalen in een gebouw zijn gevestigd en men met de overdracht van klassieke muziek naar jongeren vernieuwend bezig is.’
En er is goed nieuws, zegt ze op de valreep van het gesprek in de artiestenfoyer, waar muzikanten in de pauze van de repetities een broodje eten. Wobma: ‘Deze week heeft het Concertgebouw een convenant getekend met de Samenwerkende Stadsdelen waarin beide partijen zich verbinden aan samenwerking voor muziekeducatie. In het programma ligt de nadruk op het activeren van kinderen, waarbij medewerkers van het Concertgebouw leerkrachten in het basisonderwijs gaan helpen muzikale vaardigheden structureel over te brengen op leerlingen. Dat is heel moedgevend.’
Ook Paul Zeegers is optimistisch: ‘Er is een tegenbeweging. Muziekscholen krijgen weer meer aanzien en de noodzaak van cultuur dringt ook bij de politiek door. Er lopen overal geweldige vernieuwende projecten, zoals Music Matters in Rotterdam. Ik ben ervan overtuigd dat de jeugd bezig is met het ontmaskeren van nepheid en zoekt naar echtheid. Ze zijn gevoelig voor authenticiteit en geïnteresseerd in de basis van de muziek.’
Ellen Corver denkt dat het tij begint te keren: ‘In het gat springen allerlei mensen, zoals Johan van Eegheren, die door het land trekt met zijn vrachtwagen met daarin een complete muziekzaal voor veertig luisteraars. Of kinderen van rond de tien jaar die hebben deelgenomen aan het concours van het Prinses Christina Fonds en optreden voor leeftijdgenoten. Dat heeft een enorme impact. Ik bespeur een hang naar verdieping. Het zijn altijd golfbewegingen.’
Renee Jonker: ‘Kinderen zijn meer dan ooit met muziek bezig. Via internet en YouTube. En er is veel verering voor muziek door programma’s als Idols. Het aanbod van muziek is rijker geworden. Minder star en veel diverser. Vroeger had je alleen het kerkkoor, de sonatines en de fanfare. Het aanbod is nu alleen te veel doordrenkt met coca en heel veel suiker. Maar dat gaat veranderen.’