Het imago van de pabo’s

Juf of meester: het wordt er niet beter op

Het primair onderwijs staat onder druk. Het grootste probleem is het gebrek aan leraren. In 2006 zou het tekort minimaal 2100 arbeidsplaatsen bedragen, al geven de nieuwste aantallen eerstejaars weer hoop. Het imago van de pabo blijft echter beroerd, vooral onder mannen, en de kwaliteit van beginnende leraren zou te wensen overlaten.
Een kijkje in de praktijk.

Eva heeft ervoor gekozen omdat ze «kinderen wil begeleiden in hun ontwikkeling». Judy noemt het een «roeping». Beiden zijn tweedeklassers op de pabo in het moderne gebouw van de Hogeschool Leiden. Judy en Eva volgen er de verkorte vwo-route. Dankzij hun vooropleiding kunnen ze de hbo-studie in drie jaar afronden. Voormalige havisten doen er vier jaar over. Voor studenten van het mbo is er een middenweg: drieënhalf jaar.

Eva en Judy hebben als oppas bij kleine kinderen het idee opgedaan basisschooljuf te worden. Op school keken ze bovendien al kritisch naar de prestaties van hun docenten. Eva: «Zowel goede als slechte voorbeelden werken inspirerend. Het lijkt me fantastisch als leerkracht op de basisschool zoveel impact te hebben. Ik kan me mijn eigen basisschooldocenten ook nog feilloos herinneren.» Judy en Eva zijn zich bewust van de aantrekkelijke arbeidsmarkt voor afgestudeerden aan de pabo. «We worden overstelpt met aanbiedingen», aldus Judy. Eva vindt het «jammer» dat daardoor de nadruk op het arbeidsperspectief ligt en niet op het beroep zelf.

De banen zullen niettemin voor het oprapen liggen. De pabo leidt namelijk niet voldoende docenten op. De opleidingen zetten alles op alles om havisten en mbo’ers te bewegen de pabo te volgen, zodat het lerarentekort kan worden ingedamd. Dit jaar lijkt deze inspanning zijn vruchten af te werpen: de pabo’s hebben 930 studenten extra — tien procent van het totaal — geworven ten opzichte van een jaar eerder. Maar deze nieuwe lichting studeert op z’n vroegst af in 2006. Komende jaren zullen naar verwachting ongeveer 18.500 studenten hun diploma halen. Er zijn 28.000 fulltimers nodig. Het aantal nieuwe eerstejaars zal het gat voor een klein deel dichten, maar nog steeds zullen in 2006 nog negenduizend arbeidsplaatsen moeten worden vervuld door zij-instromers, herintreders en onderwijsassistenten.

Een van de redenen van het tekort aan pabo-studenten is de uiterst scheve sekseverdeling: in een gemiddelde klas van twintig eerstejaars zitten zeventien meisjes en drie jongens. De lonkende inkomenszekerheid na een pabo-opleiding overtuigt kennelijk weinig jongens. Het Netwerk Hoger Pedagogisch Onderwijs van het Landelijk Steunpunt Emancipatie HBO (LSE) probeerde aandacht te krijgen voor de seksehomogeniteit op de pabo’s. Gerda Geerdink, voormalig coördinator van het Netwerk, doet onderzoek naar instroom en doorstroom van mannelijke en vrouwelijke pabo-studenten. De geringe instroom wordt deels veroorzaakt door de bestaande beeldvorming: de pabo is voor meisjes. Leeftijdgenoten noemen jongens die voor de pabo kiezen een loser of een mietje. Erger is dat decanen van middelbare scholen dit imago onderschrijven. Jongens zou worden ontraden naar de pabo te gaan.

Dat is ook het beeld enkele kilometers verderop bij de Hogeschool InHolland in Oegstgeest. Een eerstejaars pabo volgt ’s middags een tutorgroep. Zeven meisjes en een jongen dienen zelf een vergadering te voeren. Een van de meisjes (Leonie) is dan ook vergaderleidster. De enige jongen (Jasper) ziet er niet bepaald uit als een pabo-student. Met name de muts die hij tot vlak boven zijn ogen draagt, doet niet vermoeden dat hij bezig is met poppenhoeken in een kleuterklas. Toch is dit een vergaderonderwerp.

Zowel docenten als studenten in Oegstgeest betreuren het lage aantal mannelijke studenten. Een tweedejaars meisje meent dat meer jongens goed zou zijn voor de sfeer en het onderwijs: «Vooral in de bovenbouw van de basisschool is denk ik een sterke behoefte aan mannelijke leerkrachten. Mannen stralen toch meer natuurlijk gezag uit, dat hebben die kinderen wel nodig.» De jongen die in de aula tussen allemaal meisjes van een kopje koffie geniet, vindt het kleine aantal geslachtsgenoten geen probleem. «Ik ben aan meisjes gewend, ik vind ze ook gezelliger.»

’s Middags op de pabo in Leiden: godsdienstles voor Judy en Eva. Deze les neemt op de katholieke opleiding een redelijk belangrijke positie in. De stagevacatures op een prikbord in de gang behelzen dan ook bijna uitsluitend katholieke basisscholen. Samen met vier jongens en elf andere meisjes krijgen de tweedejaars studentes les van Hugo Houtgast. De docent begint klassikaal en deelt de klas halverwege de les op in groepjes om een rollenspel voor te bereiden. Het onderwerp is «rouwverwerking bij kinderen». Judy moet een groep 7-juf spelen die aan haar klas vertelt dat de vader van een leerling zelfmoord heeft gepleegd. Ze vindt het zichtbaar een lastige opdracht. Helemaal omdat Houtgast van tevoren de klas heeft geïnstrueerd om volstrekt stil te blijven als de juf spreekt. Judy raakt er een beetje van in verlegenheid. Ze lost de situatie op door iemand een beurt te geven. Les geven aan de bovenbouw is haar ambitie: «Het zijn toch vooral mannen die de ‹moeilijke groepen› krijgen. Veel meisjes schrikken ervoor terug. Maar het lijkt mij juist een uitdaging. Sowieso vind ik het slecht dat mannen in de wereld van het primair onderwijs vaak les geven aan de hoogste groepen of directeur zijn. Volgens mij heeft die situatie ook finan ciële oorzaken: mannen nemen vaak geen genoegen met een lager salaris.»

Het hoge aandeel van vrouwen op de pabo doet vermoeden dat er geen problemen optreden bij het werven van deze sekse. Toch heeft de pabo ook te kampen met een imagoprobleem onder vrouwen: de opleiding tot leraar basisschool zou te gemakkelijk zijn. Ambitieuze vrouwen laten zich hierdoor weerhouden. Het op het oog paradoxale advies van het LSE luidde dan ook: maak duidelijk dat het om een gecompliceerd beroep gaat waarvoor een dito opleiding noodzakelijk is, in plaats van de kwaliteitseisen te versoepelen teneinde meer instroom te creëren.

Judy en Eva onderschrijven deze aanbeveling. «Zonde van je vwo» is wat zij vele malen te horen hebben gekregen. Ook vroegen docenten op de middelbare school of ze na de pabo nog «een echte studie» wilden doen. Zelf vermoeden ze dat ze inderdaad een hoger niveau zouden hebben aangekund. Maar ze willen nu eenmaal juf worden. «Misschien was het wel slimmer geweest eerst een ander vak te doen en dan zij-instromer te worden. Dan hadden we ook nog meer verdiend», zegt Judy met een knipoog. Beiden vinden het niveauverschil tussen studenten van het mbo en mensen met een vwo-diploma vrij groot. «Dat vinden de meeste mbo’ers ook wel. Ze laten ons vaak de wat meer theoretische opdrachten maken als we in groepjes werken. Aan de andere kant: de dramatische en expressieve kwaliteiten zijn bij de meeste ex-mbo’ers beter ontwikkeld. Daar ben ik bijvoorbeeld weer niet zo goed in», verwoordt Eva de verschillen. Ze is wel «luier geworden» doordat de studie haar vrij eenvoudig afgaat: «Als ik op het vwo zou hebben geleerd zoals ik nu doe, had ik onvoldoendes gehaald.» Eva betreurt het hoge gehalte aan feitjes en de geringe nadruk op inzicht. «Het ligt niet zozeer aan de Hogeschool Leiden, het is een algemeen probleem: voor studenten met een vwo-diploma op zak zit er weinig uitdaging in de pabo.»

De subsidie voor het LSE is na tien jaar stopgezet. Maar Gerda Geerdink meent dat bij de instroom het imagoprobleem nog steeds een belangrijke rol speelt: «Met name onder jongeren, en dan vooral jongens, speelt nog altijd de beeldvorming dat het een ‹meisjesstudie› is. Mannelijke deeltijdstudenten, die wat ouder zijn en van een andere opleiding of van een ander beroep overstappen, hebben hier minder last van. Bij hen spelen immateriële overwegingen meer dan het imago.» Ook het probleem van de veronderstelde eenvoud van de pabo woekert onverminderd voort. «Veel vwo-meisjes die ‹iets met kinderen› willen doen, kiezen voor de universitaire opleiding pedagogiek. Een afnemend aantal vrouwelijke vwo-leerlingen gaat naar de pabo. Dat doet ook afbreuk aan de gewenste diversiteit in het werkveld. Er stromen verhoudingsgewijs steeds meer mbo’ers in. Die zijn over het algemeen praktijkgerichter. Dat levert een ander soort docent op dan iemand die van het vwo of de universiteit afkomstig is. De vermindering van het aantal theoretisch ingestelde studenten vind ik een verschraling», aldus Geerdink.

Het groepje studenten in de aula van de pabo in Oegstgeest heeft het imagoprobleem al vele malen in de praktijk ondervonden. Een studente wilde «eerst iets anders doen», maar merkte dat haar vriendinnen «teleurgesteld» reageerden op haar voornemen de pabo te doen. Haar klasgenote vindt de pabo erg onderschat: «Ze denken dat we de hele dag met knutselwerkjes bezig zijn. Ik verdedig de pabo altijd, ook als ze in de kroeg zeggen dat de opleiding veel te makkelijk is.» Gelukkig waren de docenten van de havo (waar de meesten vandaan komen) wel enthousiast. Een van de meisjes vertelt dat ze wel vwo had aangekund, maar al na de brugklas wist dat ze pabo ging doen. «Waarom zou ik dan een jaar verspillen op de zesjarige vwo-opleiding?»

Naast het probleem van de hoeveelheid afstuderende studenten speelt er nog iets anders. De kwaliteit van de pabo’s is bekend. Iedere pabo in Nederland is genormeerd, zodat een aankomende student precies de gegevens heeft om een passende locatie te vinden. Maar een steeds vaker gehoorde jammerklacht bestrijkt niet zozeer de kwaliteit van de opleidingen, als wel het niveau van de studenten. In het kort komt het hierop neer: hoe kunnen we pabo-studenten onderwijzen hoe ze basisschoolleerlingen moeten leren rekenen en schrijven, als ze zelf niet het gewenste niveau bezitten?

Een voorbeeld. Aan het eind van het eerste jaar op de pabo leggen studenten een rekentoets af. Een student moet minimaal op groep 8-niveau kunnen rekenen om door te mogen naar het tweede jaar. Ogenschijnlijk een eenvoudige opgave: om op de pabo te komen, dient de student immers al vijf tot zeven jaar over dat niveau te beschikken. Zonder lagere school mag je immers niet naar de havo. Toch haalt tien tot twintig procent van de studenten (afhankelijk van de normering op de scholen) nooit het gewenste niveau. Het percentage dat het niveau van twaalfjarige in één keer haalt, is nog geen vijftig. De overige dertig tot veertig procent heeft minimaal een herkansing nodig. De pabo’s wijzen met het beschuldigende vingertje naar de havo’s en mbo’s. Die opleidingen zouden studenten onvoldoende vaardigheden bijbrengen voor het hbo. En zij verwijzen de klagende pabo-docenten terug naar de basisschool, waar het volgens de vervolgopleidingen al misgaat. De situatie heeft veel weg van een vicieuze cirkel.

De pabo-studenten in Oegstgeest vinden de reken- en spellingstoetsen van het eerste jaar inderdaad moeilijk. Een voormalige mbo’er zegt dat ze op haar vooropleiding jarenlang geen enkel onderwijs heeft mogen ontvangen in deze disciplines. Ze vindt het dan ook niet verwonderlijk dat de testen hoog gegrepen zijn voor een eerstejaars student. Volgens haar draaien de spellingstoetsen, waar ze zwak op scoorde, vooral om eindeloze hoeveelheden woordjes: «Je moet bijvoorbeeld weten hoe je ‹conciërge› schrijft.» De school geeft niet het goede voorbeeld: in de gangen van de Oegstgeestse pabo hangt een bordje met daarop het foutieve «concierge». De studenten snappen heus wel dat je kinderen correct les dient te geven, en dat dat eenvoudiger is als je de stof zelf goed onder de knie hebt. Maar ze wijzen eveneens naar de vooropleidingen: «Hadden ze er maar wat meer aandacht aan besteed! Op de pabo gaan ze ervan uit dat je het met wat zelfstudie moet kunnen halen, maar dat is heel moeilijk. Misschien moet de pabo er toch maar meer les in gaan geven.» Een uitgesproken zwakke rekenaar vertelt dat ze de verplichte rekentoets na vijf pogingen had gehaald. «Maar dat zegt niets. De vijfde keer had ik toevallig een goede dag, waardoor ik een nipte voldoende heb gehaald. Ik kan nog steeds niet rekenen.»

Voor de ex-vwo’ers Judy en Eva in Leiden vormden de verplichte testen geen probleem. Zij ontvingen voorafgaand aan hun hbo-studie genoeg Nederlands en wiskunde om het pabo-niveau aan te kunnen. Maar in hun klas valt het sommigen erg zwaar. Judy: «Er zijn studenten die na drie jaar nog steeds een van de testen nog niet hebben gehaald. Als ze het na vijf keer niet halen, worden ze van de pabo af gestuurd. Door ze wel door te laten gaan, hou je ze alleen maar aan het lijntje. Het lijkt me erg vervelend om drie jaar voor niets de pabo te volgen. Wat mij betreft zou je de reken- en spellingstoetsen verplicht in je eerste jaar moeten halen.» Eva constateert dat met name de overstap van het mbo naar de pabo vaak erg moeilijk is: «Ik denk dat een extra jaar tussen het mbo en het hbo wenselijk is. Desnoods voeren ze de kweekschool voor kleuterjuf weer in. Het schrijnende is dat de zwak presterende mensen vaak toch voor de kleuters willen staan. Door zo’n jaar zouden zij niet lastig worden gevallen met rekenen en Nederlands. En andere mbo’ers kunnen op die manier gemakkelijker alsnog de pabo doen.»

Dit idee is terug te voeren tot de situatie van voor 1984. In dat jaar ontstond de basisschool, waarin de kleuterklassen en de lagere school werden samengevoegd. Deze reorganisatie kreeg ook zijn beslag in de opleiding tot leraar basisonderwijs: voortaan moesten studenten een algemene bevoegdheid halen voor het hele basisonderwijs, waar voorheen een speciale bevoegdheid voldeed voor het lesgeven aan kleuters.

Misschien was de oude situatie nog niet zo slecht.