Jules schelvis de notulist van sobibor

Zeven vernietigingskampen overleefde hij, inclusief Auschwitz en Sobibor. Deze week beleeft zijn derde, vuistdikke boek, ‘Vernietigingskamp Sobibor’, een herdruk. Daarin schrijft hij in zakelijke en uiterst precieze bewoordingen over de verschrikkingen van het bijna vergeten kamp. Een gesprek met Jules Schelvis, die met zijn boek het monument voor de gevallenen van Sobibor schiep.

Nog voor dit komende weekeinde zal Sobibor weer in de boekhandel te koop zijn. Sobibor, de magistrale geschiedschrijving van Jules Schelvis over een vernietigingskamp dat een halve eeuw lang volstrekt onderbelicht is gebleven. De eerste druk van zegge en schrijve duizend exemplaren was in korte tijd uitverkocht. Dr. Walter Wybrands, directeur van uitgeverij De Bataafsche Leeuw, heeft het derhalve aangedurfd een tweede druk van duizend op te leggen. Enig risico, zegt hij, zit er commercieel gezien nog wel in, want -‘gelooft u mij’ - duizend exemplaren is voor een geschiedkundig werk van vijfenzestig gulden een volstrekt normale oplage. En, voegt dr. Wybrands er aan toe, dan nog loop je als uitgever het risico dat je met een paar honderd stuks blijft zitten.
Jules Schelvis zelf lijkt het relatieve succes van wat in kritieken 'een monumentaal werk’ is genoemd, meer te ondergaan dan te beleven. Schelvis: 'Ik heb er vijf jaar dag en nacht aan gewerkt. Op Urk wordt op 4 mei een monument onthuld ter nagedachtenis van drie joodse Urkers die de oorlog niet overleefden. Een monument dat werd gemaakt door niemand minder dan Ralph Prins -de man van het grote monument in Westerbork, de gebogen rails, de spoorlijn. Wel, ik gun natuurlijk die Urkers dat monument. Maar voor de Nederlanders die werden vermoord in Sobibor - en dat zijn er om precies te zijn vierendertigduizend driehonderdendertien - voor die doden bestaat geen enkel monument. Behalve dan mijn boek. Ik heb met dit boek het monument voor de gevallenen van Sobibor willen scheppen.’
Het is een wonderbaarlijk boek. Toen het eerste exemplaar van de eerste druk werd aangeboden aan dr. Lou de Jong (dat gebeurde in Herdenkingskamp Westerbork op de dag dat het precies vijftig jaar geleden was dat in Sobibor een grote opstand uitbrak) aarzelde de geschiedschrijver niet Vernietigingskamp Sobibor van Schelvis het eerste historische werk over dit vernietigingskamp te noemen en hij voegde er aan toe dat hij het zonder enig bezwaar zou accepteren als een volwaardige dissertatie.
Deze kwalificatie van de man die de geschiedenis van de bezetting van Nederland schreef en daarin een hoofdstuk van negentien pagina’s wijdde aan Sobibor (deel 8, blz. 822-840), mag worden beschouwd als een betonnen fundering onder Schelvis’ monument. En niets valt op De Jongs oordeel af te dingen. Hoogstens kan men hem verwijten dat hij zich ad absurdum schuldig maakte aan understatement. Want het meest wonderbaarlijke is dat Jules Schelvis geheel niet kan schrijven in journalistieke of literaire zin. Sobibor doet iets gepolijster aan dan twee van zijn eerdere publikaties, namelijk Binnen de poorten, het relaas over zijn martelgang door zeven verschrikkingsoorden, inclusief Auschwitz, en De geschiedenis van een transport, Sonderlager Sobibor. Maar ook Vernietigingskamp Sobibor blijft het werkstuk van een notulist, men mag stellen: van een maniakale notulist die zelfs het weglaten van het kleinste detail beschouwt als een ernstige beroepsfout. Toen alle kwalificerende bijvoeglijke naamwoorden uit zijn monument waren geschrapt, is Jules Schelvis nog een keer door de tekst gegaan. En hij ontdekte tussen de tienduizenden woorden nog eens een dozijn die enige emotie onder de tekst zouden kunnen leggen. En die schrapte hij dus.
Schelvis: 'Zo wilde ik het. Een droog, misschien zelfs dor verslag van wat gebeurd is. Maar wel moest elke uitspraak, elke bewering juist zijn, gestaafd door verklaringen van ooggetuigen en originele documenten.’ Het resultaat blijkt voor de lezer van Sobibor omgekeerd evenredig aan de kaalheid van de tekst en de honderden noten met bronvermeldingen. Wie gaat lezen in Sobibor, zal moeite hebben het zware boek weg te leggen. Het hoofdstuk over de opstand, de vlucht, het doden van Duitse beulen met een bijl heeft een zeldzame plastische kwaliteit. Je leest het happend naar adem uit.
Jules Schelvis is 73 jaar. Hij woont met zijn vrouw Jo in Tricht bij Geldermalsen in een bijna oneindig weidelandschap. Een groot deel van zijn ruime woning wordt ingenomen door apparatuur: computers, printers, kopieerapparaat, dossiers. In zijn garage staan nog allerlei verouderde delen van zet- en drukmachines die Schelvis gebruikte toen er nog geen computers waren. 'Nu’, zegt hij, 'kun je met computers evenveel of meer doen dan destijds met die grote machines.’
Drukken, dat was zijn vak, al voor de oorlog. Een drukker met een voor die dagen en zeker voor de zoon van een eenvoudige diamantbewerker gedegen opleiding: driejarige HBS, grafische school. Hij bracht het dan ook tot een hoge functie bij De Arbeiderspers, uitgever onder andere van Het Vrije Volk. En toen dat bedrijf, reeds bezig aan de ondergang, verhuisde van Amsterdam naar Rotterdam en er technisch niets meer te doen viel, maakte men Schelvis maar hoofd personeelszaken. Hij, de drukker, was niet eens een slechte personeelschef.
Maar er was toch iets raars aan de hand met Jules Schelvis. Pas toen in het begin van de jaren tachtig Binnen de poorten werd gepubliceerd, werd men zich binnen het bedrijf ervan bewust dat Jules Schelvis een jood was die in zeven concentratie- en vernietigingskampen had gezeten. Schelvis: 'Ik kan het niet helpen. Mijn eigen kinderen verwijten me nog steeds dat ik ze nooit iets heb verteld. Maar zo ben ik. Ik praat over de oorlog op scholen en voor verenigingen, ik heb jaren nodig gehad voor Sobibor, maar als ik thuis kom of hier op de bank ga zitten, dan gaat er een luikje neer. Dan douw ik het weg.’
Jo, zijn vrouw: 'Ik heb het ook allemaal moeten lezen, vreemd ja…’
Jo, niet-joods, is zijn tweede vrouw. Zijn eerste vrouw, Chel, werd vergast in Sobibor op de dag van aankomst, 4 juni 1943. Ze zat met haar hele familie en Jules Schelvis zelf in het transport dat op 1 juni uit Westerbork vertrok.
Zowel in De geschiedenis van een transport als in Vernietigingskamp Sobibor heeft Jules Schelvis genoteerd hoe hij die vierde juni 1943 in leven bleef. Hij sprak de Duitse officier aan die met losse handbewegingen een selectie uitvoerde; hij had tachtig gezonde jonge mannen nodig, meer niet. 'In mijn beste Duits vroeg ik hem of ik me bij de groep mocht aansluiten. (Een reeds geselecteerde groep). “Wie alt bist du?” Ik antwoordde: “Zwei und zwanzig, Herr Offizier.” Ik had geen idee van rangen. “Kannst du Deutsch?” “Jawohl, Herr Offizier.” Niet zonder interesse keek hij mij even onderzoekend aan en verzonk een ogenblik in gedachten, waarna hij zei: “Na, los.”
Schelvis schrijft zijn redding op dat kritieke moment in zijn leven toe aan 'razend snel denken’. Dank zij hetzelfde snelle denken en een duidelijk vermogen onder de meest erbarmelijke omstandigheden rationeel te blijven handelen, wrong Jules Schelvis zich door de martelgang. Een van zijn reddende stunts was zichzelf als drukker te laten indelen bij een groep niet al te welwillende Polen die waren geselecteerd om een drukkerij te bemannen. Veel kwam er van het drukken niet terecht, maar Schelvis zelf vindt dat hij vooral aan het drukker-zijn zijn behoud te danken heeft.
Nog op de avond van die vierde juni 1943 werd Schelvis met de geselecteerde groep jongemannen weggevoerd uit Sobibor. Hij is er tijdens de oorlog nooit meer teruggekomen. Bijna alle materiaal voor Vernietigingskamp Sobibor heeft hij dus, handelend als een volleerd wetenschappelijk onderzoeker, in moeizame speurtochten moeten vergaren. Wel geholpen door het wonderlijke feit dat hij, Nederlandse jood, in een van de Sobibor-processen in Duitsland fungeerde als openbare aanklager, ook al een bijna ondergesneeuwd juridisch novum.
Schelvis: 'Ik heb overigens al die jaren geen enkele hulp gehad, behalve dan van mijn dochter die allerlei tikwerk deed. Verder heb ik alles alleen gedaan. Wat het me heeft gekost? Ik zou het niet weten en het interesseert me ook niet. Met mijn uitgever heb ik niet eens een contract, ik heb nog nooit enige royalty ontvangen, maar welke vergoeding ook zal natuurlijk slechts een fractie van de werkelijke kosten dekken. Mijn enige doel was het doen ontstaan van dit boek. Want het is een beetje vreemd, over Auschwitz is een heel stel boeken geschreven. er was over Auschwitz ook veel meer bekend dan over Sobibor. Maar je weet, hoe verder we in de tijd komen, hoe meer er van Auschwitz wordt afgeknabbeld. Eens dacht men dat er drie miljoen mensen waren vermoord, nu is men blijven steken bij 1,1 miljoen. Maar als je de drie vernietigingskampen in wat het Poolse Generaal Gouvernement heette bij elkaar neemt - Sobibor, Treblinka, Belzec - dan kom je voor deze drie kampen bij elkaar aan een veel groter aantal slachtoffers. Ik probeer met deze cijfers alleen maar aan te geven dat de verhouding een beetje is scheefgetrokken.’
De hellegang van Schelvis (met nog twee andere Nederlanders) duurde iets korter dan twee jaar. Binnen de poorten is een verslag van die hellegang, een dierlijke tocht door stinkende stronthopen, gevechten of gekonkel om een stuk brood, vijfentwintig zweepslagen op de blote billen als straf, ontelbare zweepslagen 'zomaar’, executies volgens diverse methoden, de beschrijving van het ophangen van twee jongens die zelf hun strop moesten klaarmaken en zelf hun hoofd erin moesten steken: een emotieloos verslag van een werkelijkheid die buiten de mensheid om lijkt te hebben bestaan.
Een volstrekt logische vraag van een oude bekende aan Jules Schelvis zou natuurlijk zijn: Welke psychiater helpt je thans door het leven? Iemand immers die heeft doorgemaakt wat Jules Schelvis heeft doorgemaakt - de kampen, de doden, het gas, een 'dodenmars’, zo genoemd omdat iedereen werd doodgeschoten die na dagen lopen zonder redelijk schoeisel niet meer mee kon - moet wel lijden aan alle psychische kwalen die in de vele boeken over het KZ- syndroom zijn beschreven.
Als het gesprek ook maar heel even de mogelijke gevolgen van het oorlogsverleden dreigt te raken, voorkomt Schelvis zelf de vraag. Hij voelt zichzelf zo normaal als een mens maar kan zijn. 'Psychiater? Ik zou niet weten wat ik de man zou moeten vragen of zeggen. Misschien wordt er weleens iets te veel hulp gezocht. Ik zal niet zeggen dat ik me eraan heb gee"rgerd, maar het is me wel opgevallen. Het lijkt erop dat je tegenwoordig bij alles wat gebeurt begeleid moet worden. Bij veel mensen die uit de kampen terugkwamen zou vroege begeleiding nut hebben gehad. Maar toen ik terugkeerde, was er geen begeleiding. Integendeel. Men wilde niet geloven wat je vertelde. Ik kreeg 68 gulden van Volksherstel en na een paar weken kwam een briefje: wanneer ik dacht dat geld terug te kunnen betalen. Ik heb me, zodra ik terug was, in werk gestort. Door enorm hard te werken ben ik, denk ik, losgekomen van wat er is gebeurd. Maar er zijn kennelijk mensen voor wie werken niet de oplossing heeft betekend.’
De rationalisering waartoe Jules Schelvis in staat is, lijkt geen grenzen te kennen. Hij maakt de indruk zijn hersenen met onzichtbare schakelaars aan en uit te kunnen zetten. Desondanks is hij het tegendeel van een droogpruim. Als hij praat is hij veel meer een entertainer, een soort Max Tailleur zonder moppen. Hij zegt moeilijk de joden te kunnen begrijpen die zich over alles en nog wat opwinden, die nauwelijks een paar woorden Duits kunnen horen. 'Ik vind Duits een mooie taal, die van Thomas Mann, van Stefan Zweig.’ Maar hij vindt dat hij 'andersdenkenden’ niet hard mag vallen over hun standpunten. Hij noemt de ruzies over de twee van Breda. 'Ik was voor vrijlating, dat wil toch wat zeggen; ik was aanklager in de processen tegen de kampbeulen. Maar ik vond dat het met die twee van Breda genoeg was. Ik heb daar met sommige mensen wel woorden over gehad.’
Even later heeft hij het over de 'huilcultuur’ die volgens hem in Nederland is ontstaan. Over de spijtprogramma’s op televisie, waarvan de bedoeling is dat de mensen erom gaan huilen. Schelvis: 'Waarschijnlijk heeft het te maken met het verlangen van veel mensen te blijven lijden, ook vijftig jaar na dato - het was zo erg, zo heel erg. En nogmaals, dan denk ik: Jeetje, wat hebben ze ons, degenen die terugkwamen, tekortgedaan. Niet mij persoonlijk, ik heb me gered. Maar anderen.’
Deze wonderlijke Jules Schelvis is een groot expert geworden in de geschiedenis van de vernietiging. Maar bij alles wat hij heeft onderzocht, gelezen en gezien, is een ding nooit helemaal duidelijk geworden: Wat wist de Joodsche Raad? Schelvis wil niet aannemen dat de Raad enige weet had van wat er precies met de joden gebeurde, ook niet toen er in Nederland correspondentie arriveerde uit de kampen. Die correspondentie was door de Duitsers gemanipuleerd. Of heeft men het niet willen weten? Steeds maar werd het verhaal overeind gehouden dat men naar kampen ging, dat er hard gewerkt zou moeten worden, maar dat het misschien toch wel zou meevallen.
Schelvis is er verder kort over, er is al zo veel gezegd en geschreven over de Joodsche Raad: 'Het waren natuurlijk allemaal burgemeesters in oorlogstijd.’ Zelf, geeft hij toe, had hij, op de dag van het transport van hem, zijn vrouw en haar naaste familie, geen idee van de omvang der verschrikking. Hij had zijn gitaar meegenomen om daar in het kamp in het Oosten wat muziek te kunnen maken. (De gitaar ging onmiddellijk na aankomst in Sobibor op de bagagehoop, bergen rugzakken van de ter dood gedoemden werden bovenop de gitaar gesmeten.)
Dr. Wybrands van uitgeverij De Bataafsche Leeuw is ervan overtuigd dat een groot deel van het succes van Vernietigingskamp Sobibor te danken is aan de publikatie achterin het boek - 245 dicht bedrukte bladzijden - van de transportlijsten van alle negentien treinladingen van Westerbork naar Sobibor. Met hun alfabetische precisie, met hun geboortedata, hun voornamen lijken die lijsten de bezegeling van de triomf der waanzin. Zoals de goederenwagons dat waren met een ton water en een ton voor de sanitaire behoeften van op elkaar gestouwde ladingen menselijk vee. De uitgeverij heeft, aldus dr. Wybrands, nog even overwogen een paperback uit te geven van Sobibor. 'Maar’, zo meent de uitgever, 'dat zou dan moeten zonder de transportlijsten, een te dikke paperback valt uit elkaar. En het boek zonder de transportlijsten, dat durfden we niet aan. Het zou zijn unieke waarde verliezen.’
Intussen heeft Jules Schelvis een nieuwe produktie gereed. Een op verzoek van een culturele groep in Geldermalsen geschreven toneelstuk over zijn belevenissen. Het stuk is bewerkt door een ervaren dramaturg en zal in Geldermalsen een keer of zes in de open lucht worden opgevoerd, en vervolgens in Westerbork. Schelvis is er verder wat vaag over, maar er lijken contacten te zijn met een zendgemachtigde.
Vernietigingskamp Sobibor van Jules Schelvis, een 'historisch document’ zowel volgens dr. De Jong als volgens de uitgeverij - geheel gespecialiseerd in historische werken - overtreft in spankracht wellicht niet ondanks maar juist dank zij het kale taalgebruik welk deel ook van De Jongs De bezetting. Daarvoor is maar een redelijke verklaring te geven, zonder verder iets af te doen aan De Jongs geschiedschrijving: Lou de Jong zat tijdens de oorlog in Engeland. Jules Schelvis kon notuleren vanuit zijn ziel.