Julianus de Afvallige en de christenen

HANS TEITLER
JULIANUS DE AFVALLIGE: NIEUW LICHT OP DE CHRISTENVERVOLGINGEN
Athenaeum-Polak & Van Gennep 152 blz., € 14,95

Op 16 oktober 362 werd Eliphius, een christen die honderden heidenen voor zijn geloof had weten te winnen, door keizer Julianus opgespoord en, na een vruchteloze woordenwisseling, onthoofd. De martelaar wandelde vervolgens met zijn hoofd in zijn handen naar de plek waar hij begraven wilde worden. Tegenwoordig is dat het bedevaartsoord Saint-Élophe, niet ver van Neufchâteau in Lotharingen. Afgezien van het tot de verbeelding sprekende detail van de heilige die zijn eigen hoofd draagt, is het verhaal ook in andere opzichten problematisch. Keizer Julianus, bijgenaamd de Afvallige, staat weliswaar bekend om zijn afkeer van het christendom, maar op het moment dat Eliphius het leven liet, bevond de jonge vorst zich in het Syrische Antiochië. Bovendien is het nog maar de vraag of hij zijn religieuze voorkeuren heeft onderstreept met de christenvervolgingen waarvan hij door tal van hoogst partijdige bronnen wordt beticht.
Julianus heeft, ondanks een bewind dat nog geen twee jaar duurde, zowel in zijn eigen tijd als in de eeuwen daarna heel wat pennen in beweging gebracht, zodat we over zijn opvattingen en daden bijzonder uitvoerig zijn ingelicht, terwijl hij ook zelf een productief schrijver was. Belangrijke bronnen zijn de historicus Ammianus Marcellinus en de redenaar Libanios, beiden niet-christelijke tijdgenoten die de keizer persoonlijk hebben gekend. Vrijwel alle andere auteurs die in de vierde eeuw of later over hem geschreven hebben, zijn door hun christelijke achtergrond zo vooringenomen dat ze de neiging hebben hem de meest gruwelijke martelingen in de schoenen te schuiven. Oud-historicus Hans Teitler, een eminent kenner van de Late Oudheid, heeft zijn boek over de verguisde keizer in de vorm van een pleidooi gegoten. Is er wettig en overtuigend bewijs voor de schuld van Julianus?
Toen Julianus in 361 in Gallië op het schild werd geheven en de scepter overnam van zijn neef Constantius II, had het christelijk geloof zich inmiddels een stevige positie in het Romeinse Rijk verworven. Constantius’ vader Constantijn was in 312 tot de nieuwe religie overgegaan, en ook Constantius had ervoor geijverd alles wat heidens was te verbieden en onmogelijk te maken. Maar eeuwenoude rituele praktijken kunnen niet per decreet worden uitgewist, zeker niet als er nog een robuuste intellectuele elite bestaat die het volkse fanatisme van de nieuwkomers met wantrouwen en minachting beziet. De retorisch en filosofisch geschoolde Julianus was al rond zijn twintigste levensjaar tot het inzicht gekomen dat de christelijke leer ongerijmd en heilloos was, maar omdat het onder Constantius te gevaarlijk was voor zijn afvalligheid uit te komen, hield hij zich in geloofszaken op de vlakte. Zodra hij de macht had overgenomen, voerde hij echter in hoog tempo een aantal maatregelen door om de dominantie van het christendom terug te draaien en de traditionele religies van het Rijk te versterken. Hij herstelde tempels, stimuleerde de herinvoering van oude offerpraktijken en, heel opmerkelijk, hij riep christelijke geestelijken die onder zijn voorganger om hun ketterse opvattingen verbannen waren uit hun verre oorden terug, kennelijk in de veronderstelling dat een verdeeld christendom vanzelf aan interne twisten ten onder zou gaan. In een van Julianus’ meest omstreden edicten werd het docenten van christelijke signatuur verboden onderwijs te geven in literatuur, welsprekendheid en filosofie. Nog geen jaar later, in juni 363, sneuvelde de keizer tijdens een slecht doordachte veldtocht tegen de Perzen. Zijn dood is vaak gezien als het definitieve einde van het heidendom. Een van de bronnen beweert dat Julianus op zijn sterfbed de hemel toegeroepen zou hebben: ‘Je hebt gewonnen, Galileër!’
Teitler presenteert als getuigen à charge een groot aantal christelijke historiografen, theologen en (vaak anonieme) auteurs van heiligenlevens, daterend van de vierde eeuw tot in de Middeleeuwen, die Julianus laten optreden bij in geuren en kleuren beschreven martelingen van zonder uitzondering standvastige christenen. Een zekere Artemius ging tijdens dagenlange folteringen steeds blijmoedig in debat met de keizer en bleek zelfs nadat hij onder een rotsblok was verpletterd niet te stuiten in zijn geloofsijver. De Syrische bisschop Marcus werden door een woedende menigte de oren afgesneden, en nadat hij door de straten was gesleept werd hij met honing en vissaus ingesmeerd en, ten prooi aan wespen en bijen, in een mand opgehangen in de brandende zon. Daar zou hij laconiek hebben uitgeroepen dat het hem er prima beviel, omdat hij vanuit de hoogte kon neerzien op het laag-bij-de-grondse getier van de menigte. Alle beschuldigingen legt Teitler minutieus onder de loep en hij laat overtuigend zien dat er zo goed als geen bewijs bestaat voor de betrokkenheid van Julianus bij vervolgingen van christenen. Voor historici is dat geen nieuws. Klemmender is de vraag door wat voor wraakzucht of sadisme al die christelijke auteurs gedreven werden om, zelfs eeuwen na dato, hun onsmakelijke verhalen over martelaarschap zo stevig in de verf te zetten. Helaas gaat Teitler op die kwestie niet in.