Julien weverbergh ‘eerlijk, wie liegt er nooit?’

Een gesprek met de schrijver van De voorwerpen. Uitgeverij De Prom, 387 blz., f39,90
‘WIE EEN egodocument publiceert’, zegt Julien Weverbergh (1930), ‘probeert zich altijd zo fraai mogelijk aan de lezer te presenteren. Een volkomen normaal verschijnsel dat ik in hoge mate heb vermeden: ik heb in de eerste plaats geprobeerd aan de hand van objectieve feiten subjectief te zijn. De feiten zijn authentiek en controleerbaar, maar ik heb ze op een subjectieve manier ingekleurd.

Mijn boek is op een vreemde manier gegroeid, het heeft zich als het ware zelf geschreven. Eerst was er de epiloog. Een stoet van doden, die langzaam voorbijtrok: Jotie T'Hooft, Louis Paul Boon, Daniel Robberechts, Jan Emiel Daele, Gerard Walschap, Marnix Gijsen, Paul Snoek, Johan Daisne, Maurice Gilliams, Geert van Oorschot, Andre Demedts, Stijn Streuvels en anderen wier namen en werk allang vergeten zijn. Namen van dode schrijvers die onlosmakelijk zijn verbonden met voorwerpen die ik bezit. Als ik een bepaalde zeefdruk in handen neem, denk ik automatisch aan Jotie T'Hooft en Jan Emiel Daele. De structuur van mijn boek heeft zichzelf opgedrongen, het is een organisch proces geweest dat zich dag na dag heeft voltrokken.’
De zelfmoord van Jan Emiel Daele, een Vlaams schrijver van het tweede garnituur, komt uitvoerig aan bod. Aan de suicide van Daniel Robberechts en de dood van Jotie T'Hooft worden amper enkele regels gewijd. Waarom?
‘Dat komt allemaal nog uitvoerig aan bod in het tweede en derde deel van mijn memoires. Het boek heeft nu gekozen voor Jan Emiel Daele. Een volgend boek zal meer de allure van klassieke memoires hebben. Ik bedoel: het zo objectief mogelijk neerschrijven van alles wat ik in het literaire bestel heb meegemaakt. Mijn entree bij uitgeverij Manteau, waar ik enkele jaren geleden op een brutale manier aan de kant werd gezet. Herinneringen aan het linkse weekblad Vrijdag, dat een te vroege dood is gestorven. De rol die ik bij de redding van het dagblad De Morgen heb gespeeld. In dat tweede deel zal ook Jotie T'Hooft zijn ereplaats krijgen.
Het derde deel zal een uitgesproken subjectief karakter krijgen. Daarin wil ik het uitvoerig hebben over mijn jeugd, over Roemenie en over fragmenten uit mijn priveleven. Misschien wordt het wel een roman, nog altijd de beste vorm om de diepste roerselen van de ziel neer te schrijven.’
IN 'DE VOORWERPEN’ schrijft u opvallend behoedzaam en in vage termen over de zogenaamd Vlaamse literaire maffia. Waarom die omzichtigheid?
'Wat is de literaire maffia? Degenen die het in het literaire circuit voor het zeggen hebben en het klimaat grotendeels bepalen. Hoe je het ook wendt of draait: spilfiguur in de Vlaamse maffiawereld is de dichter Herman de Coninck, iemand die ik van heel nabij heb gekend. Toen ik het Nieuw Wereldtijdschrift uitgaf, heb ik de toen relatief onbekende Herman de Coninck als redacteur aangesteld. Nadien heeft hij een tijdlang de literaire rubriek van De Morgen geleid en leunde hij vervolgens aan bij de belangrijkste literaire uitgeverijen. Achter zo'n figuur beginnen dan na verloop van tijd enkele slippendragers te lopen, een kleine kring geborneerde en zelfgenoegzame lui die nauwelijks belangstelling heeft voor nieuw literair talent en vooral denkt aan zelfbehoud. Voordat Herman de Coninck bij het Nieuw Wereldtijdschrift in dienst trad, was hij werkzaam bij het weekblad Humo, waar hij louter uit een reflex van zelfbescherming een interview met Jotie T'Hooft heeft geweerd. Hij kon het in die tijd niet hebben dat plotseling alle aandacht uitging naar de jonge dichter T'Hooft, terwijl hij zelf als dichter al jarenlang aan de weg timmerde.
Als voormalig uitgever ben ik van mening dat je boeken moet uitgeven om het literaire leven te voeden. Daartoe behoren ook debuten waarvan je veel verwacht en nieuwe publikaties van schrijvers met een bepaalde marktwaarde. Ik heb daarover indertijd heroische discussies gevoerd met mijn mederedacteur bij Manteau Jeroen Brouwers, die alleen maar die manuscripten wilde publiceren waar hij en ik volledig achter stonden. Had ik die politiek strikt gevolgd dan bracht Manteau wellicht om de drie jaar een of twee nieuwe romans op de markt. De kwaliteit van een manuscript is lang niet meer de enige maatstaf om tot publikatie te besluiten. Een typisch voorbeeld hiervan is Hubert Lampo, wiens boeken bij Meulenhoff blijven verschijnen. Lampo past niet echt in het fonds van die uitgeverij. Hij verkeert louter om commerciele redenen in de stal van Meulenhoff, want zijn werk wordt zowel in Vlaanderen als Nederland nog altijd vlot verkocht.’
Vlaamse schrijvers bij een Nederlandse uitgeverij. Wanneer ik dit onderwerp aansnijdt, begint hij onmiddellijk uit te leggen dat het de schuld van Angele Manteau was dat Louis Paul Boon indertijd naar De Arbeiderspers is vertrokken. In een volgend boek wil hij best nog eens over dat onderwerp polemiseren. 'Blijkbaar is iedereen vergeten dat Angele Manteau heeft geweigerd om De Kapellekensbaan van Boon uit te geven. Daarover bestaat een uitvoerige correspondentie. Boon voelde weinig voor Nederland. Uiteindelijk zat er twee jaar na het njet van Angele Manteau voor hem niets anders op dan met De kapellekensbaan in Nederland te leuren. Claus daarentegen heeft zich altijd tot de metropool Amsterdam en het intense literaire leven aangetrokken gevoeld. In Vlaanderen was er toentertijd nauwelijks een leescultuur, de boekendistributie was erbarmelijk, er was geen eerbied voor het boek, enzovoort. Die complexiteit heeft ervoor gezorgd dat het voor een jong schrijver als Claus veel interessanter was om in Nederland te worden uitgegeven. Ik weet waarover ik het heb, want ook ik debuteerde indertijd bij De Bezige Bij.’
Nog een schrijver die Vlaanderen voor Nederland verruilde: Jeroen Brouwers. De haat-liefdeverhouding tussen Weverbergh en Brouwers, die in 1967 in de Brusselse kantoren van uitgeverij Manteau begon, heeft inmiddels haast mythische proporties.
'Ik was in die tijd een bekende uitgever, Jeroen fungeerde toen als uitgeversknecht van Angele Manteau. Hij had wel Het mes op de keel, een bundel verhalen, gepubliceerd. Een boekje waaraan zowel door de Nederlandse als de Vlaamse literaire kritiek nauwelijks aandacht was besteed. Over Joris Ockeloen en het wachten heb ik in de socialistische krant Vooruit een opvallend positieve recensie geschreven. Kort na het verschijnen van mijn recensie liep ik hem toevallig in de kantoren van Manteau tegen het lijf. Vanaf dat moment zijn we altijd vrienden gebleven.’
HIJ WORDT NIET graag meer herinnerd aan J. Weverbergh en ergher, het beroemde pamflet dat Jeroen Brouwers indertijd over hem publiceerde. Hierin schrijft Brouwers letterlijk dat zijn vriendschap door Weverbergh uitsluitend te eigen bate werd geexploiteerd.
'Wat Jeroen toen allemaal over mij heeft geschreven heeft me nauwelijks getroffen omdat ik hem door en door ken. Hij maakte op dat moment een verschrikkelijke depressie door en kon het niet hebben dat hij het als schrijver niet gemaakt had. Ik heb nooit op de door hem zo mooi geformuleerde aantijgingen willen reageren, omdat zijn pamflet uiteindelijk te herleiden valt tot een banale straatruzie. Ik bedoel: een stortvloed van scheldwoorden, maar weinig concrete feiten. Brouwers heeft zich op die manier in Nederland in de belangstelling willen schrijven. Hij wilde een polemiek uitlokken, maar ik heb in die tijd in alle talen gezwegen. Nogmaals, J. Weverbergh en ergher is schitterend proza, maar zonder concreet geformuleerde beschuldigingen.’
Toch blijft Brouwers volhouden dat hij de taalwoeker heeft afgebikt van 'Gilgamesj herschrijven’ en 'Puin’. Was hij de spookschrijver van Julien Weverbergh?
'Jeroen liegt als hij zegt dat hij de herschrijver is van Gilgamesj herschrijven. Hij heeft enkel het manuscript persklaar gemaakt. Dat wil zeggen: de interpunctie gecontroleerd en af en toe enkele taalfouten gecorrigeerd. Hij is later op die beschuldiging teruggekomen. Jeroen verwacht van iedere schrijver dat hij met een persklaar manuscript komt aanzetten, maar niet iedereen beheerst het Nederlands op een perfecte manier.’
DE EX-UITGEVER lacht hard als ik hem met een citaat uit Brouwers’ Mijn Vlaamse jaren confronteer: 'Ontkennen is een wijze van liegen die hem het liefst is, en is het niet die wijze van liegen die hem het liefst is, dan is verdraaien de wijze van liegen die hem het liefst is.’ 'Wat een mooi syllogisme. Eerlijk, wie liegt er nooit over kleinigheden. Wat de essentiele zaken van het leven betreft zal je me zelden op een leugen kunnen betrappen.’
Hoe hard was Weverbergh eigenlijk als directeur van Manteau voor zijn naaste medewerkers? Brouwers schrijft in Mijn Vlaamse jaren dat hij vijfmaal door hem is ontslagen. 'Dat is alweer fel overdreven’, reageert Weverbergh. 'Brouwers kwam in die tijd vaak dronken op kantoor. Er waren dagen dat hij zelfs niet helemaal niet kwam opdagen of pas heel laat verscheen. Het was een woelige tijd. Linkse intellectuelen protesteerden, er waren de heroische bijeenkomsten in het Brusselse cafe Dolle Mol van H. J. Claeys en Jeroen werd soms op straat afgetuigd. Dat alles woog zwaar op de werksfeer bij Manteau. Uiteindelijk is hij twee maal ontslagen, een keer door mij en een keer door Angele Manteau, die hem op een diplomatieke manier uit wandelen heeft gestuurd.’
Waarom bent u dan, ondanks alles, toch vrienden voor het leven gebleven?
'Ondanks de felle ruzies die er tussen ons zijn geweest, is onze vriendschap altijd gebleven. Na de zelfmoord van Jan Emiel Daele heeft Jeroen me opgebeld. Daele was een gemeenschappelijke vriend, iemand die ons bond. Nadien zijn de wonden langzaam genezen. Brouwers is nu weer een goede vriend, af en toe zien we elkaar zelfs. Hij heeft het er ook niet langer moeilijk mee om toe te geven dat hij bepaalde invloeden van me heeft ondergaan.’