De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Juliette Gréco, 7 februari 1927 - 23 september 2020

Juliette Gréco was een gedichtenzangeres voor anderen. Reciteur. En de chansonnière van de tragiek. Ze trok zich op aan de filosofen, schrijvers en dichters die haar interesseerden, en werd zelf een middelpunt van de belangstelling.

Parijs 1951 © Boris Lipnitzki / Roger Viollet / ANP

In de kelders van Saint-Germain-des-Prés gebeurde het, kort na de Tweede Wereldoorlog. De 22-jarige Juliette Gréco, dankzij haar verschijning al ver buiten Parijs bekend, zong gedichten. ‘Gréco heeft miljoenen in haar keel’, schreef Sartre meteen, ‘miljoenen gedichten die nog niet geschreven zijn, waarvan er slechts een paar geschreven worden.’ Ze werd ‘la diseuse’: de vertolkster, reciteur.

Ze wist zich op te trekken aan de filosofen, schrijvers en dichters die haar interesseerden, en wederzijds – Merleau-Ponty, Vian, Beauvoir, Sartre, Cocteau en Camus. Ze werd zelf een middelpunt van de belangstelling, met haar donkere stem, zorgvuldige dictie en expressieve handen, uitgelicht door de altijd zwarte kleding. Op haar beurt gaf ze later jongere schrijvers en zangers een podium: Sagan, Gainsbourg, Brel, Aznavour, Brassens en Prévert, onder anderen. Na het jaar 2000 volgde een nieuwe generatie: Biolay, Miossec en Olivia Ruiz.

Haar biografie vertelt zich zoals ze sprak, in interviews, documentaires, in haar autobiografie: in bescheiden zinnen, wijsheden, zorgvuldig gekozen anekdotes. Niet zeuren, ondanks obstakels. ‘Ik begreep dat mijn moeder nooit van me zou houden. Dus ik moest ophouden haar liefde te zoeken.’ ‘Ik ben niet geïnteresseerd in mezelf, het gaat om de ontmoeting.’ Regelmatig ondeugend twinkelende ogen, een stralende lach. ‘Wat is schoonheid? De blik van een ander.’ ‘Als een man saai wordt, verlaat je hem; alleen vogels blijven een leven lang bij elkaar.’

Ze was de tweede dochter in het gezin. Haar vader, een Corsicaanse politieman, had liever een zoon gehad. De teleurstelling leidde tot zo veel agressie dat haar moeder met haar twee dochters vertrok. Maar hun moeder kon geen liefde voor haar kinderen tonen. ‘Je bent de vrucht van een verkrachting’, kreeg Juliette te horen.

In de oorlog werden haar moeder en zus opgepakt door de Gestapo. Hélène Duc, Gréco’s vroegere docente Frans, inmiddels actrice, ving haar op. Eerder had ze Juliette al uit haar cocon weten te trekken door haar in de klas gedichten te laten voordragen. ‘Ik ben haar alles verschuldigd’, zei Gréco later. Duc introduceerde Juliette in de Parijse theaterwereld, gaf haar haar eerste rol.

Parijs werd in 1944 bevrijd. Haar zus en moeder keerden beiden terug uit Ravensbrück in 1945, gebroken. Met haar zus Charlotte betrok Juliette een appartement naast uitgeverij Gallimard, midden in het intellectuele centrum. In de bar beneden bekeek ze de mensen vanaf een barkruk. Mensen keken terug.

‘Als een man saai wordt, verlaat je hem; alleen vogels blijven een leven lang bij elkaar’

‘Wat doet u hier, zo alleen?’ vraagt een vaste klant. De man is Maurice Merleau-Ponty. ‘Hij is vrolijk, slim, een goede danser en charmant’, schrijft ze later. Ze ontmoet Simone de Beauvoir, ‘geniale vrouw, filosoof, vult me met bewondering’, die Gréco de wereld van de cultuur opent. Fotografen van Samedi-Soir en van Life zien de jonge opvallende vrouw in de buurt van de schrijvers. Haar foto’s gaan de wereld over. Zo wordt ze de muze van Saint-Germain-des-Prés.

Het is Sartre die Gréco in 1949 aan het zingen krijgt. Ze kiest zelf de gedichten: ‘Si tu t’imagines’ van Raymond Queneau en ‘La fourmi’ van Robert Desnos, experimentele poëzie. Sartre vraagt Joseph Kosma, componist die voor Jacques Prévert onder meer ‘Les feuilles mortes’ schreef, om muziek. Optreden doet ze in haar oude kleding, met haar zwarte haar los, haar grote ogen met zwart oogpotlood omrand. De kledingstijl van Gréco, de toegewijde vertolkster van het Franse chanson, wordt dat jaar een hit.

Naast en rond de poëzie en het toneel was er nog meer muziek, nieuwe muziek. De Amerikanen brachten het mee, speelden het in Club Saint-Germain: de jazz van Charlie Parker, Duke Ellington, Miles Davis. Met die laatste, hij is nog niet beroemd, krijgt ze een relatie. Voor Amerikaanse ogen en wetten moeilijker te accepteren dan voor Franse, weet Davis. Gréco: ‘Sartre vroeg aan Miles: “Goh, Davis, waarom vraag je Gréco niet ten huwelijk?” Miles antwoordde: “Omdat ik haar niet ongelukkig wil maken.’”’

Ze treedt op in New York, in Brazilië en in L’Olympia in Parijs. Ze trouwt met acteur Philippe Lemaire, ze krijgen een dochter, Laurence-Marie. En ze scheiden. ‘Het was voorbij, ik begon me te vervelen.’ Gréco lonkt met de filmwereld, speelt in een film van Jean Renoir, later ook naast Orson Welles. En keert terug naar het chanson.

In 1955 heeft ze haar eerste concert in Nederland, Het Parool noemt haar ‘de chansonnière van de tragiek’. Voor Liesbeth List is ze een van de grote voorbeelden. In de jaren zestig heeft Gréco haar grootste successen, ‘Déshabillez-moi’, waarin ze een man guitig instrueert over hoe snel hij haar moet uitkleden – langzaam. Strijdbaar met humor: ‘Ik zal niet gekleed in mannenkleren met een spandoek de straat op gaan, maar ik ben me altijd bewust geweest van mijn vrouwelijkheid. Schreeuwen is niet altijd noodzakelijk.’

Hoewel haar succes in Frankrijk in de jaren tachtig inzakt, blijft ze optreden, zingen, ze kan niet zonder publiek. In het buitenland heeft ze steeds meer succes, na 2000 keert ze ook steeds vaker terug in eigen land. Al vanaf 1967 wordt ze begeleid door Gérard Jouannest, de vroegere vaste pianist-componist van Jacques Brel. In 1989 trouwen ze, tot aan haar laatste concert, in 2016, zal hij haar begeleiden. Haar afscheidstournee breekt ze vroegtijdig af na een beroerte; ze heeft haar spraakvermogen verloren.

Gréco is op 23 september in haar huis in de Provence overleden, ze wordt begraven op het Cimetière du Montparnasse in Parijs, naast Jouannest, die daar sinds 2018 ligt. Op 5 oktober is de dienst, in de kerk van Saint-Germain-des-Prés.