JACQUES LACAN, ALAIN BADIOU EN ‘68

‘Jullie moeten je schamen!’

De psychoanalyticus Jacques Lacan verweet de opstandige Parijse studenten dat de universiteit al lang was begonnen hun vrijheid over te nemen. Hun opstand was slechts een academische formaliteit.

Mei ’68 wordt onder academici nog altijd geroemd vanwege het jeugdige elan en de creativiteit van Parijse studenten. Hoe groots was hun kritiek op bureaucratie en vastgeroeste moraal! Wat gaf het een impuls aan economie en welzijn dat de politieke instituties van voor ’68 verdwenen! Deze studenten stonden voor het feit dat je de wereld echt kunt veranderen, en dat je je leven echt zelf mag vormgeven.

Slavoj Zizek, de Sloveense filosoof, noemt deze generatie in zijn laatste boek Violence ‘liberale communisten’. Liberale communisten zijn pragmatisch, flexibel en haten doctrinaire regimes. Volgens hen is er geen onderdrukte klasse. Er zijn slechts concrete problemen die moeten worden opgelost. Liberale communisten vinden het heerlijk om humanitaire crises in Azië op te lossen of Zuid-Afrika te boycotten.

In mei ’68 lukte het de Parijse studenten om de strijd aan te binden met de starre autoriteit van de universiteit. Enige oude, conservatieve faculteiten aan de Sorbonne probeerden de rebellie te breken. Andere meer liberaal ingestelde faculteiten trokken gezamenlijk met de studenten op naar de barricaden. Beide partijen buitelden in spontane debatten over elkaar heen. Nachtenlang werd er doorgepraat. Iedereen op de universiteit scheen meegesleurd te worden in een orkaan van redeloze ruzie.

Niet alle Franse filosofen zijn negatief over de gevolgen van Mei ’68. Alain Badiou is de revolte zijn hele leven trouw gebleven. Hij zag Mei ’68 als een evenement waarbij twee wezensvreemde partijen onder de vlag van de communistische partij bij elkaar kwamen. Jonge studenten en jonge arbeiders ontmoetten elkaar. Terwijl vóór ’68 de Franse communistische partij slechts opgebouwd was uit arbeiders maakte Mei ’68 duidelijk dat er nieuwe vormen van politieke organisatie mogelijk waren. De fabrieksstakingen van Mei ’68 leverden een situatie op waarin kleine groepen studenten en arbeiders een politiek verbond smeedden. Het beeld van één groot emancipatoir feest is daarom vals, aldus Badiou: natuurlijk had Mei ’68 de schijn van bevrijding van een archaïsche wereld, maar de werkelijke inhoud was de kracht van een organisatie die het politieke veld wist te monopoliseren en een nieuwe manier van politiek bedrijven mogelijk maakte. Volgens Badiou zijn de consequenties van deze politieke samenwerking nog lang niet in volle omvang uitgewerkt.

Een van de weinige denkers die niet meeging in de zee van emoties was Jacques Lacan, de freudiaanse psychoanalyticus. Lacan was niet voor of tegen de opstandige studenten. Hij beschuldigde hen er slechts van dat ze niet radicaal genoeg waren. Hij verweet ze dat ze hoereerden met de universiteit waartegen ze dachten te revolteren. Lacan herkende in hun geschreeuw een pleidooi voor een Nieuwe Meester. Hij waarschuwde de studenten dat ze op het punt stonden er een te krijgen – maar dan een Nieuwe Meester waar ze bepaald niet blij mee moesten zijn. Het voorbeeld is de vrije commune waar alles mag, maar waar vervolgens een sterke leider opstaat die misbruik maakt van ieders verworven vrijheden.

In zijn collegereeks L’envers de la psychoanalyse in 1969 verweet Lacan zijn grotendeels maoïstische leerlingen dat de universiteit waar de studenten tegen streden al lang was begonnen hun vrijheid over te nemen. Hun opstand was niet meer dan een abstracte, academische formaliteit, aldus Lacan. Hij eindigde zijn collegereeks dan ook met een pleidooi voor de schaamte: ‘Jullie moeten je schamen! Wat een aanfluiting, die opstand!’ ‘Maar’, zei hij vergoelijkend, ‘wees maar niet bang, je sterft gelukkig niet zomaar aan schaamte.’

Een opmerkelijk standpunt. Zeker gezien het feit dat de Université de Paris VIII Vincennes, de nieuwe ‘experimentele’ universiteit, als eerste in Frankrijk een departement psychoanalyse instelde, op lacaniaanse leest geschoeid. Michel Foucault werd als directeur aangesteld. Maar dat vond Lacan helemaal niet belangrijk. Lacan maakte zich ernstig zorgen over de toestand van het academische denken en zijn experimenten. Mei ’68 gaf deze vraag een acute waarde en vervolgens een acuut antwoord: de universiteit is verworden tot een machinerie van hysterische waarheden die elkaar opvolgen als modieuze gadgets zonder samenhang en zonder schaamte.

Slavoj Zizek, Violence_. Profile Books Ltd,_
224 blz., € 19,95