De avondklokrellen

Jullie rechtsorde is de onze niet

De afgelopen dagen werd gesproken over ‘de ergste rellen in veertig jaar’. Als die vergelijking wordt doorgetrokken, staat ons de komende tijd nog wat te wachten. We staan op een politiek en maatschappelijk keerpunt.

Bij rellen op Urk werd na de invoering van de landelijke avondklok een GGD-testlocatie in brand gestoken. 23 januari © ProNews / ANP

De rellen van de afgelopen dagen vertonen de nodige overeenkomsten met het straatgeweld in de hoogtijdagen van de kraakbeweging begin jaren tachtig. Ook toen was er het afgrijzen van de samenleving en waren er meer ontredderde dan verbolgen bestuurders.

De krakers vormden de meest radicale representanten van de zelfverzekerde emancipatoire golf die vanaf de jaren zestig over het land spoelde. De belangrijkste kenmerken hiervan: de roep om inspraak, democratisering en het in hoog tempo verstevigen van de verzorgingsstaat. Het waren trouwens maatschappelijke veranderingen die door de meeste politieke partijen gesteund werden. Met het verlagen van de stemgerechtigde leeftijd, het instellen van een minimum(jeugd)loon en het beschikbaar stellen van bijstandsuitkeringen (vanaf zestien jaar) werd vooral de onafhankelijke positie van jongeren sterk verbeterd. Vanwege de zich sinds de oorlog voortslepende woningnood ontbrak alleen nog zelfstandige woonruimte in het rijtje.

Om deze laatste hindernis te slechten namen jongeren het heft in eigen handen. In zo’n beetje alle Nederlandse steden en dorpen werden leegstaande huizen en bedrijfsruimtes gekraakt. Die jongeren kwamen daarbij bijna per definitie in botsing met de autoriteiten. Aanvankelijk lieten ze zich nog afschepen, maar toen vanaf 1980 de krakers zich daadwerkelijk tegen de ontruimingen begonnen te verzetten, escaleerde het conflict met de overheid. Met de leus ‘Jullie rechtsorde is de onze niet!’ legitimeerden de krakers hun verzet. Steeds moest een grote politiemacht op de been worden gebracht om het gezag te herstellen. In Amsterdam en Nijmegen werd het leger ingezet en reden de tanks door de straten.

De geest was uit de fles. Grote groepen krakers geloofden dat met verzet tegen rechterlijke uitspraken en ophef op straat de oplossing van hun problemen dichterbij gebracht werd. Hoogtepunt in die ontwikkeling waren de kroningsrellen op 30 april 1980 in Amsterdam. Onder het motto ‘Geen woning, geen kroning’ demonstreerde de kraakbeweging tegen de monarchie als symbool van de bestaande rechtsorde. Waar van tevoren niet op gerekend was, was dat ze in hun kielzog veel grotere groepen jongeren – al dan niet voortgedreven door een punkachtige No Future-instelling die mede was ingegeven door de hoge (jeugd)werkloosheid – achter zich aan kregen; zo meldde zich onder andere de F-side van Ajax op het strijdtoneel. Het resultaat van die dag was behalve een enorme ravage in Amsterdam meer dan tweehonderd gewonde politieagenten en ME’ers.

Net als afgelopen week was het land te klein om de algehele verontwaardiging te kunnen bevatten. De socialistische Vara, die het gewaagd had iets te enthousiast verslag te doen van de demonstraties, kreeg de goegemeente over zich heen. Ze zouden met hun uitzendingen de rellen alleen maar hebben aangewakkerd; duizenden mensen zegden hun lidmaatschap op. Degenen die zich gedurende de progressieve opmars in de voorbije decennia gedeisd hadden gehouden grepen hun kans. Het gehamer op ‘law and order’ was niet van de lucht. En wie durfde daar ten overstaan van alle chaos nog iets tegenin te brengen? Het herboren zelfbewustzijn van rechts voedde zich met het krakersgeweld.

Zo markeerden de krakersrellen van begin jaren tachtig het begin van het einde van de toen zo’n twee decennia oude linkse lente. Het geweld bood de onthutste samenleving de gelegenheid te beginnen over de ‘doorgeschoten idealen van de jaren zestig’. Waar dat doorschieten aanvankelijk de excessen van het krakersverzet betrof, nam men van lieverlede de vermeende ontsporing van de samenleving als geheel op de korrel. Als reactie op de verzorgingsstaat ontlook namelijk in diezelfde jaren de neoliberale, economische politiek, die de samenleving tot op de dag van vandaag in haar ban houdt.

Het geteisterde politie-apparaat ontwikkelde nieuwe strategieën om uit de hand lopende demonstraties beter in de hand te houden. In het vervolg liet men de ME’ers niet langer lijdzaam in linie ‘stenen happen’, maar trachtte de politie actief de demonstranten in te sluiten en op te pakken. Wie nu dacht dat toenemende repressie het enige antwoord was op de geweldsuitbarstingen van begin jaren tachtig komt echter bedrogen uit. Talloze evaluaties, rapporten en achtergrondbeschouwingen verschenen. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr) kwam eind 1980 tot de conclusie dat het door de overheid gevoerde beleid ‘onmiskenbaar grote spanningen onder de bevolking heeft opgeroepen’. Structurele verbetering van de besluitvorming was volgens de raad nodig. Het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk publiceerde enkele weken na het kroningsoproer de opvatting ‘dat de jeugd draagster kan zijn’ van ‘maatschappelijke veranderingen’ en dat het daarom van belang was excessief geweld van jongeren te beschouwen als een ‘signaal van maatschappijkritische aard’, dat beantwoord moest worden door het realiseren van ‘optimale ontplooiingskansen’.

Ronkende taal en strenge repressie gingen dan ook achter de schermen gepaard met oplossingen die er uiteindelijk toe geleid hebben dat de angel uit het krakersverzet werd gehaald. Honderden kraakpanden werden in de loop van de jaren tachtig in heel Nederland aangekocht voor jongerenhuisvesting. Wethouders in grote steden kregen de armslag om grootschalige woningbouw in de oude stadswijken te plegen en huisjesmelkers werden door opkoopprogramma’s van woningbouwcorporaties buiten spel gezet.

Zoals toen Den Uyl naar de achtergrond werd gedrongen, wankelt nu het tijdperk-Rutte

Een herhaling van dit tweesporenbeleid – naar buiten toe hardvochtig, van binnen begripvol en oplossingsgericht – ligt nu heel wat minder voor de hand dan destijds. Duidelijk is wel dat de huidige raddraaiers, net als de krakers destijds, de meest radicale exponenten zijn van veel grotere ontevreden groepen die in de afgelopen jaren politiek de wind behoorlijk mee hebben gehad. Maar waar de krakers nog tamelijk ondubbelzinnig en concreet de woningnood in het vizier hadden, is de onvrede van de huidige generatie jonge onruststokers, op z’n zachtst gezegd, diffuser. Los van de avondklok en alle andere maatregelen die de jongeren vanwege de pandemie over zich heen gekregen hebben, lijkt de weerzin nog meer dan vroeger gelegen in een algeheel wantrouwen tegen de bestaande (rechts)orde.

De afgelopen paar jaar hebben we al een paar keer kennis kunnen maken met ruwe ontbolstering van opgekropte woede en frustratie. Behalve de opstootjes van het extreem-rechtse Pegida kwamen vanuit Frankrijk de gele hesjes overwaaien, later banjerden de boeren dwars door de voortuin van de macht. De demonstraties aan de andere kant van het politieke spectrum, zoals voor het klimaat en tegen racisme, zijn hierbij vergeleken een toonbeeld van maatschappelijke aangepastheid.

In de afgelopen twintig jaar is vooral door neoliberale en conservatieve politieke partijen getracht om het gebrul uit de onderbuik van de samenleving te smoren door het adopteren van haar standpunten. Het heeft geleid tot normalisering van radicale, extreem-rechtse denkbeelden. Gezien het toenemende straatgeweld mag de conclusie getrokken worden dat het uit politiek opportunisme meehuilen met de populistische wolven uiteindelijk niet de oplossing is. Sterker nog, diep gevoeld onbehagen en besef van miskenning zijn er alleen maar door versterkt en nu in de frontlinie van de rechtsstaat beland. Die vermeende onafzienbare stroom van buitenlanders en vluchtelingen, waartegen de afgelopen jaren de populisten en fatsoenlijk rechts gezamenlijk optrokken, was achteraf gezien misschien toch niet de belangrijkste klacht.

Het waren merendeels jongeren die de afgelopen week aan het front kwamen opdagen. Voor hen is werkloosheid een minder groot probleem dan vroeger, maar of je met een nulurencontract of een flexwerkbaantje beter af bent is de vraag. Zelfstandige woonruimte dreigt voor de jeugd weer net zo’n onbereikbaar ideaal te worden als veertig jaar geleden. Maar ook boeren zien de supermarktmultinationals woekerwinsten maken op hun producten die ze voor een schijntje moeten aanleveren, en menige medewerker in de collectieve sector voelt zich met een karig salaris uitgemolken door het management, dat vooral bezig is met efficiency en fraudebestrijding. Ondertussen staan de beurzen er florissant bij, zijn de vermogensbelasting, de hoogste schijf voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting per 1 januari opnieuw verlaagd.

Als de vergelijking met ‘de ergste rellen in veertig jaar’ opgaat, dan zal ook deze keer repressie niet het enige antwoord kunnen zijn om een eind te maken aan de geweldsuitbarstingen. Wil men de boel op de lange termijn pacificeren, dan zijn ook andere krachtdadige ingrepen noodzakelijk. En die zullen op specifieke punten wederom sterk afwijken van de lijn die in de afgelopen decennia gevolgd is.

Het opgekomen straatgeweld zou weleens het laatste signaal kunnen zijn voor de heersende orde om daadwerkelijk stappen te ondernemen om de maatschappelijke ongelijkheid en economische disbalans te corrigeren. En dat gaat niet met een procentje meer of minder, maar alleen met rigoureuze politieke keuzes. De tijd dringt, niet alleen omdat het onwaarschijnlijk is dat de geest van geweld vanzelf terugkeert in de fles of er met repressie weer in gedwongen kan worden. Het zou ook prettig zijn als een en ander geregeld werd voordat de klimaatproblematiek (of de volgende pandemie) weer de nodige offers van de samenleving gaat vragen.

Mocht men onverhoopt toch alle pijlen enkel en alleen op het criminaliseren en vervolgen van de relschoppers richten, dan dreigt verdere escalatie. Ongeregeldheden hebben dan namelijk de neiging om zich uit het publieke domein terug te trekken en zich ondergronds voort te zetten. Mede vanwege het destijds gevoerde beleid zijn terroristische aanslagen anders dan in de ons omringende landen grotendeels aan Nederland voorbij gegaan.

Veertig jaar geleden waren de meest gewelddadige protesten sinds de Tweede Wereldoorlog een teken dat de kortdurende hegemonie van vooruitstrevende en emancipatoire ideologieën op haar einde liep. Die rol werd overgenomen door conservatieve en neoliberale denkbeelden, sinds 2002 samen optrekkend met de nakomelingen van de populistische Fortuyn-revolte. Als de vergelijking met veertig jaar geleden opgaat, dan kan momenteel opnieuw betoogd worden dat de idealen van die heden ten dage overheersende ideologie behoorlijk zijn doorgeschoten en dat er een flinke correctie noodzakelijk is.

De afkeer van de huidige geweldsexplosie zou er dan ook toe kunnen leiden dat we opnieuw op een keerpunt staan. Met het ontzenuwen van het geweld en het aan de kaak stellen van de grootste ophitsers kan tegelijk een begin worden gemaakt met het herstellen van het vertrouwen en het aanpakken van de problemen die eraan ten grondslag liggen. Of die andere politiek gespeeld kan worden met dezelfde poppetjes is de vraag.

Zoals destijds de symbolische voorman van het linkse levensgevoel, Joop den Uyl, langzaam maar zeker naar de achtergrond gedrongen werd, lijkt met al het geweld ook het begin van het einde te zijn ingeluid van het tijdperk-Mark Rutte. Als de voortekenen niet bedriegen, wordt de belangrijkste politieke kwestie bij de komende verkiezingen dan ook of Rutte het onder zijn verantwoordelijkheid vormgegeven regime zelf zal gaan ontmantelen of dat dat wordt overgelaten aan een volgende generatie politici.


Eric Duivenvoorden is socioloog en filosoof en schreef onder meer Een voet tussen de deur: Geschiedenis van de kraakbeweging 1964-1999 (2000) en Rebelse jeugd: Hoe nozems en provo’s Nederland veranderden (2015)