Jullie zijn Hollandse kinderen

Nederland leest, gratis en voor niets, dankzij een actie van het CPNB. Simon Carmiggelt vond De gelukkige klas indertijd ‘een heerlijk boek over het verloren paradijs van onze kindertijd’, maar Kees Beekmans ziet dankzij Thijssen zijn eigen vmbo-leerlingen weer voor zich.
Theo Thijssen
De gelukkige klas
Een uitgave van de Stichting CPNB ter gelegenheid van Nederland Leest 2007. Tot 16 november gratis verkrijgbaar in de bibliotheek en in het voortgezet onderwijs

De stijl waarin Theo Thijssen De gelukkige klas schreef, is zo natuurlijk, zo gewoon, en tegelijkertijd zo bijzonder dat ik geneigd ben te zeggen dat het daarom zo’n heerlijk boek is. ‘Het is eigenlijk een beetje misdadig wat ik nu ga doen: weer m’n dagboek voortzetten.’ Dat is de eerste zin, en daar is niets gekunstelds aan. Thijssen houdt de lezer heel dichtbij. Maar ik doe hem te kort als ik het succes van dit boek aan de stijl zou ophangen.

Voor leraren is het een feest der herkenning. Zo blijkt de ellende waarmee ze met grote regelmaat door regering of schoolbestuur worden opgezadeld niet van nu te dateren – Thijssen heeft het er al over, en híj ‘zette z’n dagboek voort’ in de jaren twintig: ‘In het vervolg moeten we van onze klas een “register” bijhouden, waarin van week tot week wordt aangetekend wat we “behandelen” en hoe de vorderingen der leerlingen zijn. En dan moeten we ook invoeren een schrift dat door de klas circuleert en waarin telkens een volgende leerling werk maakt.’ Deed me sterk denken aan het LeerLingVolgSysteem en het LeerStofVolgSysteem dat ikzelf gedwongen werd bij te houden in de jaren negentig. Ook precies dezelfde reacties in de lerarenkamer als toen bij Thijssen, variërend van grote meegaandheid tot koppig verzet.

Maar belangrijker is wat ín de klas gebeurt, en dat beschrijft Thijssen mooi, subtiel, zonder zijn eigen hebbelijkheden of onzekerheid te verhullen, want hij weet ook niet altijd hoe hij moet reageren. Zo beschrijft hij de komst van een nieuwe, nota bene gebochelde leerling in zijn klas, Louis. ‘Zou hij ’t óók gemerkt hebben, Louis, dat z’n bult vermakelijk werd gevonden?’ Thijssen zet Louis snel – om ’m weg te hebben van voor de klas – naast Marcus Meyer, ‘dáár, is nog net ’n mooie plaats open’. Dan ziet Thijssen deze Marcus Meyer al direct ‘rondkijken om blikken op te vangen en met lollige verstandhouding te beantwoorden’, en had hij de jongen het liefst ‘zonder enige verdere uitleg uit z’n bank gesleurd en hardhandig ergens naartoe gesmeten’. Maar het is, noteert hij dan, alsof Marcus voelt wat zijn meester denkt, ‘want ineens boog-ie zich voorover en ging ook zitten lezen’.

Maar dit is geen boek voor enkel leraren. Dit is een _feelgood-_boek voor iedereen, mede omdat de band tussen Thijssen en zijn gelukkige klas zo hecht is, zo warm. Hoe belangrijk die band is, daar herinnert Thijssen ons aan, wat geen kwaad kan in een tijd waarin het frontale lesgeven en het klassikale systeem als achterhaald worden beschouwd. Jan Siebelink merkt dit ook op, in zijn nawoord van deze gratis Openbare-Bibliotheekeditie (Actie Nederland Leest 2007). Hij noemt het boek zelfs ‘een krachtig pleidooi voor de magie tussen een leerkracht en zijn klas’, en daarmee ben ik het hartgrondig eens.

Natuurlijk zijn er verschillen tussen toen en nu, maar ik sta liever wat langer stil bij de overeenkomsten. Mooi, die lange beschrijving van het lezen (‘de leesvaardigheid’ zouden we nu zeggen) van Fok, de vertwijfeling van Thijssen, waarom leest die jongen zo slecht voor, terwijl-ie de tekst wél begrijpt. Hij kan ’t niet rijmen, snapt ’t niet – maar het ontroerende is dát hij er zo lang over nadenkt en Fok zo onopvallend mogelijk aan kleine experimenten onderwerpt om erachter te komen wat er met de jongen aan de hand is.

Nog ontroerender vond ik de beschrijving van ‘dat dooie vervoegen van de werkwoorden’, wat Thijssen snel gaat vervelen maar waar de leerlingen dol op zijn, het opdreunen van tegenwoordige tijd, verleden tijd et cetera. ‘Ieder op de beurt mag dan zo’n kranig stuk geleerdheid schallend uitkramen en niemand voelt zich te dom. Voor mij is dát nog maar ’t interessante: te zien hoe zelfs de bescheiden onbelangrijke figuurtjes als Joop Spoelders en Piet Stempel en Koba Hellendoorn en Leentje Roos zich dan voelen als toch óók zo mis niet te zijn.’

Vermoedelijk vond ik dit daarom zo ontroerend omdat ik er zelf zo vaak voor heb gepleit het vmbo-onderwijs zo in te richten dat leerlingen er gevoel van eigenwaarde en zelfrespect aan ontlenen. Ze moeten er dingen kunnen doen die ze leuk vinden omdat ze er goed in zijn, zodat ze zich ook eens kunnen ‘voelen als toch óók zo mis niet te zijn’. En dan had ik het over de Piet Stempels en de Leentjes Roos van déze tijd: bescheiden onbelangrijke figuurtjes die nu Mohammed Boumazouid of Fatima Bouslamti of Priscilla Roos heten, die vaak even beroerd lezen als Fok, maar timmeren of een band plakken wél leuk vinden.

Als de kinderen de verleden tijd als iets schools dreigen te gaan zien, iets moeilijks, en gaan zeggen ‘ik valde’, schrijft Thijssen: ‘“Halt,” heb ik gezegd, “nou doe je net zoals een Frans of een Engels kind het zou opzeggen dat Hollands moest leren. Maar da’s nou juist ’t gemakkelijke, dat jullie Hollandse kinderen zijn. Jullie weten vanzelf hoe ’t moet.”’ Op iedere pagina tref je dit soort parels. De gelukkige klas is een kleine schatkist.