MENAHEM PRESSLER, PIANIST

Jullie zijn schoolmeisjes

De pianist Menahem Pressler, 86, is volgende week met het Jerusalem Kwartet te horen in Amsterdam. Vorig jaar gaf hij er een masterclass: een donderpreek tegen de middelmaat. Muziek maken doen we in de Pressler-modus.

PIANIST MENAHEM PRESSLER, meer dan een halve eeuw de spil van het Beaux Arts Trio, geeft in de Kleine Zaal van het Concertgebouw een meerdaagse masterclass voor trio’s. Het is december 2008. De maand waarin hij, hoor ik de eerste ochtend in de pauze, zijn 86ste verjaardag viert.
Pressler, een van de mooiste pianisten die de kamermuziektraditie voortbracht, heeft de dood verslagen. Zijn meesterschap baadt in het aureool van ongenaakbaarheid dat hoogbejaarde charme tot een mijnenveld kan maken, charme die van anderen niets meer verwacht en namens de beschaving toch maar volhoudt, voor het goede voorbeeld.
Zijn komst brengt ongeluk. Hij is in Amsterdam, soms zie je het hem denken, om rekeningen te vereffenen met de strebers die iets van zijn glorieuze reputatie hopen af te laten stralen op hun verse, povere cv’s, en zich in ruil graag voor de leeuwen werpen. Dat is de deal, dat is zoals het gaat. Aanklager op de bühne, een geamuseerd publiek, de smaak van kunst, de geur van bloed; Big Brother, maar voor ons soort mensen.
Pressler loopt als een kievit, praat als Brugman, strooit met bonmots, hij is een goedgeluimde inquisitie; zijn kritiek is even genadeloos als zijn complimenten. Decent betekent ‘rampzalig’; nice ‘nog net aanvaardbaar’, very good – dat blijkt uit wat er na het compliment nog aan bezwaren volgt – hooguit een goed begin. Als je een leven lang hebt geprobeerd niet klein, niet vlak, niet onverschillig en niet onbetekenend te zijn, is het slecht toeven in een tijd die de muziek van roeping heeft gedegradeerd tot ambacht.
De vraag is steeds: waarom een meesterklas? Een masterclass is geen muziekles. Een muziekles brengt je technisch-muzikale vaardigheden bij: toucher, toonladders, spiccato, dubbelgrepen, embouchure. De masterclass is er voor afgebakken muzikanten met een speelbewijs, die aan hun inspiratie willen schaven. Ze komen voor verbreding en verdieping, termen uit moderne onderwijscurricula, bedacht door mensen die geloven dat je ambities vrucht laat dragen door ze uit te spreken. Ze willen balsem voor de ziel. Wat als die ziel ontbreekt?
Dan hebben we nog altijd iets om naar te kijken.
Op de plaats waar Pressler in zijn Adriaan van Dis-fauteuil geruisloos de muziek meeleest, een mooie daad van openbare bescheidenheid voor iemand die het repertoire uit zijn hoofd moet kennen, stond twintig jaar geleden de sopraan Elisabeth Schwarzkopf dezelfde klus te klaren als nu haar joodse landgenoot van het Beaux Arts, die in de jaren dertig op de vlucht moest voor haar politieke vrienden. Bien etonnés, wanneer dat had gekund, elkaar over haar graf heen terug te vinden in het tijdloze adagium van zachte heelmeesters en stinkende wonden.
Als het Rodin Pianotrio, een jonge club van hardwerkende en gewetensvolle meiden, in Beethovens Pianotrio op. 1 nr. 3 van de spanning of uit onmacht door het ijs zakt, valt na deel 1 de bijl. Waar Schwarzkopf het type van de deur in huis was – die zond sopranen heen met het advies zo spoedig mogelijk te trouwen – is Pressler de sluipmoordenaar wiens schijnbare voorkomendheid het erger maakt. Zozo, hoofdschudt hij na het eerste deel dreigend beleefd. Goed, goed. Dat was min of meer zuiver, min of meer gelijk. Het was… decent. En dat, komt hij terzake, is het ergste wat je over een uitvoering zou kunnen zeggen.

Daar sta je dan, als slachtoffer. Je gaat niet zeggen: oude boef, wat denk je wel? Je hebt uit vrije wil je kop in de strop gestoken, uit vrije wil de beul carte blanche gegeven. Wat kan men doen? Begrijpend glimlachen, zoals een dochter naar een dictatoriale vader doet; de vernedering door het gezag met waardigheid pareren. De celliste doet het. De violiste volgt. Geen slaande deuren.
Nu wordt de situatie interessant, omdat hij psychologisch zo gecompliceerd is. Een mens heeft zijn trots, maar trots komt nu slecht uit. Op die momenten blijken de voordelen van het Stockholm-syndroom. Dankbaarheid is een uitkomst. Pijn is minder erg als je gelooft dat je hem hebt verdiend. Spuit een grote pedagoog zijn gal, dan voor jouw bestwil – morgen verder.
Wat ik me als toeschouwer afvraag is waarvoor geplaagde triospelers dankbaar zouden zijn. Voor wat ze leren? Wat leren ze dan?
Hoe Pressler het wil, omdat Pressler het kan.
Hoor wat hij zegt. Dat ze naar elkaar moeten leren luisteren. Dat de piano niet te hard mag. De geheimzinnige verbanden tussen vorm en inhoud. Wat, vraagt de pedagoog, is het karakter van dit stuk?
Mysterieus, zegt de pianiste.
Fout! Natuurlijk fout. It has passion, weet Pressler. Daarom hield Haydn niet van dit stuk, wat Beethoven hem nooit vergaf. Mysterieus? Niets daarvan. Het is drama.
Het eerste deel mag over in de Pressler-modus. Kunnen jullie, luidt zijn amuse-gueule, deze keer samen spelen?
Zo, dat scheelt. Het vuur uit de schenen. Het verschil tussen een orkest met en zonder dirigent. Voor drie paar geestesogen ditmaal driewerf de kop van Presslers Beethoven, een haan met wilde manen. Men voelt de druk en spreekt reserves aan. De eerste pijn, de eerste liefde. Al wat beleefd moet zijn om ooit muziek of poëzie te kunnen worden.
Does it feel better? vraagt Pressler.
Ja, knikt de violiste braaf.
Verwerken ze het ook? Hoort iemand met goede oren over een jaar aan het Rodin Trio dat het door Pressler is bewerkt, als het in een Drentse dorpskerk koffie en koek lardeert met Ludwigs derde trio?
Dat vraagt Pressler zich ook af, net als ik. En ik zeg nee, net als hij. Een volwassene trekt alleen zichzelf uit het moeras, mits hij de gaven heeft.
Dat is waarom ik niet geloof in meesterklassen. Ik vrees dat het kaf er net zo weinig van opsteekt als het koren. Wie goed is, leert van zichzelf. Wie de goddelijke vonk mist leert slechts van anderen en nooit voor lang, omdat geen les beklijft. Talent is een soort innerlijk kompas voor hoe het moet; aanleg is het vermogen om te doen alsof zolang er Presslers in de buurt zijn, zodat het soms net lijkt of leren groeien is.

Een meesterklas is geen les. Een meesterklas is een donderpreek tegen de middelmaat, die oude grootheden uit ijdelheid en terechte verontwaardiging in de gordijnen jaagt. Vat je ze zo op, dan staan de Pressler-monologen in het juiste kader. Maar helpen doen ze niet, en ik wil ze in het openbaar niet horen.
Is there something in there? vraagt hij de violiste. Hij wijst op zijn hart.
Noem het moord.
Muziek maken, legt Pressler uit, gaat alleen als je een ideaalbeeld in je hoofd hebt. Als je dus weet hoe je muziek wilt laten klinken. Alleen dan, zegt hij, kunnen we beter worden. This was much better, complimenteert hij het Rodin Trio. Maar: you just play. My papa is happy with that, mammy is happy with that, and my piano teacher is happy with that. Jullie zijn schoolmeisjes, dat zegt hij. Misschien is het zo, maar andermaal: ik wil het in het openbaar niet horen. Dat moet privé blijven, zoals met seks moet en intieme dagboeken. Het raakt een kern, zelfs als er geen kern is.
Dit is geen masterclass. Pressler neemt wraak. Ik snap het en ik haat het.

Menahem Pressler (piano), Jerusalem Kwartet. Werken van Bartók, Debussy en Schumann. 3 februari 2009, Kleine Zaal Concertgebouw Amsterdam