Twee eenlingen in negentiende-eeuws Zuid-Afrika

‘Jullie zullen met verbazing op ons terugkijken’

De een, Olive Schreiner, schrijft de allereerste belangrijke Zuid-Afrikaanse roman, over feminisme, geloof en onderdrukking. De ander, Louis Anthing, probeert de uitroeiing van de Bushmen in de Kaap te verhinderen. Opzienbarende daden.

Een Khoi-dorp aan de oever van de Oranjerivier in Zuid-Afrika. 1856 © Stefano Bianchetti / Getty Images

Olive Schreiner wordt in 1855 geboren in Wittebergen Native Reserve, een onherbergzaam oord in wat nu het bergstaatje Lesotho is. Pa, een diepgelovige calvinist van Duitse komaf en toepasselijk Gottlob geheten, is een chaoot die zijn positie bij de missiepost verliest en in economische problemen komt. Ma Rebecca, dochter van een Engelse predikant, goed onderwezen en streng, schrikt niet terug voor lijfstraffen. Haar dochter beschrijft haar later als liefdeloos. Zij is degene die de kinderen kennis en discipline bijbrengt. Olive, zo werd al snel duidelijk, is allesbehalve een standaardkind. Ze is leergierig, temperamentvol, complex en kritisch. Als negenjarige zet ze al dikke vraagtekens bij het geloof van haar ouders, als haar favoriete zusje Ellie overlijdt. ‘Ik sliep naast haar kleine lijfje tot ze begraven werd, en daarna zat ik vaak urenlang bij haar graf, en het was onmogelijk voor me, toen en nu, om de gangbare doctrine te accepteren dat ze nu elders leefde, zonder lichaam’, schrijft ze in een brief.

Op haar twaalfde verhuist ze naar het plaatsje Cradock in de kurkdroge Karoo, waar ze haar oudere broers en zussen helpt in het huishouden. Later wordt ze kinderjuffrouw voor Afrikaner families. Ze leest als een bezetene, slokt de woorden op van John Stuart Mill, Ralph Waldo Emerson, Charles Darwin en Herbert Spencer. In het rode stof en de onbarmhartige zon, tussen de gigantische aloë vera hunkert ze naar vrijheid – vrijheid van denken en vrijheid van meningsuiting. Niet alleen die van haar, maar die van alle onderdrukten en verschoppelingen in de kolonie, iedereen die automatisch als ondergeschikte wordt beschouwd door de bestuurders en hun vazallen. Ze voelt zich geïsoleerd en onbegrepen en brengt haar ennui later pakkend onder woorden: ‘Stel je voor, een heel land vol lower en middle class cultuurbarbaren, zonder een aristocratie van bloed of intellect, of gespierde arbeiders om hen te redden.’

Het Zuid-Afrika van de negentiende eeuw zag er heel anders uit dan de republiek van nu. Het was geen natiestaat, maar een verzameling kolonies en ministaatjes. Het centrum van de macht lag in de Kaapkolonie, waar Groot-Brittannië na zo’n 150 jaar Nederlands bestuur in 1806 zeggenschap over had gekregen. Aanvankelijk opereerden de Britten vooral op afstand, omdat het veiligstellen van de handelsroute naar India prioriteit had. Maar in 1820 besloot Londen vijfduizend kolonisten naar de Kaap te zenden, waarmee de settler-kolonie een feit was.

Zuidelijk Afrika veranderde daarmee in een gebied waar de invloedssferen zich als versnelde tektonische platen bewogen. Je had de settlers en de koloniale bestuurders, aangestuurd door Londen; je had de afstammelingen van de Nederlandse en Noord-Europese kolonisten, de Boeren of Afrikaners, die twee kleine republieken hadden gesticht, Transvaal (1852) en Oranje Vrijstaat (1854); en je had de inheemse bevolking die je kon opdelen in de oorspronkelijke bewoners, Khoi (‘Hottentots’) en San (‘Bushmen’) en de zwarte volken die hier eeuwen geleden waren gearriveerd. Volgens de eerste officiële volkstelling bestond de Kaapkolonie in 1865 uit 180.000 ‘Europeanen’, 200.000 ‘Hottentots en anderen’ en 100.000 ‘Kaffirs’. Al die groepen waren op drift. Ook de dominante ideologieën botsten, het imperialisme, het kapitalisme, het christendom en het liberalisme dat recent uit Engeland was overgewaaid en dat in 1834 voor het einde van de slavernij had gezorgd. De voornaamste overeenkomst was dat ze allemaal met dedain neerkeken op de inheemse geloven en denkwijzen.

Schreiner, met haar scherpe intellect en grote geldingsdrang, wil weg. Als ze genoeg heeft gespaard stapt ze op een boot naar Engeland, waar ze medicijnen wil studeren. Ze is dan 26. Haar gezondheid laat evenwel te wensen over en haar studieplannen vallen in het water. In plaats daarvan voltooit ze een manuscript over haar Zuid-Afrikaanse belevenissen, getiteld The Story of an African Farm. Haar sociale leven bloeit op. Ze wordt opgenomen in een cirkel van Londense radicalen, onder wie Eleanor Marx, de dochter van Karl, en Edward Carpenter, dichter, filosoof, socialist, feminist, homoseksueel. Later sluit ze zich aan bij een groep intellectuelen die zich The Fellowship of the New Life noemen, geïnspireerd door esoterische denkers als Ralph Waldo Emerson en diens geloof in de overstijgende kracht van de natuur, het onbekende. Na de nodige afwijzingen publiceert Chapman & Hall in 1883 The Story of an African Farm. Het boek wordt aanvankelijk uitgegeven onder het pseudoniem Ralph Iron, een eerbetoon aan Emerson en ingegeven door de wens van Schreiner om niet te worden beoordeeld op grond van de haar opgelegde identiteit van ‘exotische vrouw uit de kolonie’.

The Story of an African Farm is de allereerste belangrijke Zuid-Afrikaanse roman. Het is een baanbrekend boek, zowel in literaire als inhoudelijk zin, met een verhaal dat zich afspeelt in een land dat tot dan toe vooral bekend stond om zijn wilde beesten, onverschrokken ontdekkingsreizigers, lijdende missionarissen en oorlogszuchtige stammen. Het gaat over twee jonge vrouwen, nichtjes, die rond 1860 opgroeien op een afgelegen boerderij in de Karoo. De ene, Em, is onaantrekkelijk, lief en bescheiden en schikt zich zonder morren naar de mores van haar tijd. De andere, Lyndall, is knap, trots, tegendraads, scherp en rebels – unladylike. Uiteindelijk sterft de rebel, nadat ze een onwettig kind heeft gebaard. Ook is er een jonge man, de boerenknecht Waldo (wederom een eerbetoon aan Emerson), de zoon van een Duitse opzichter die is gemodelleerd naar Schreiners vader. Schreiner heeft haar ziel en zaligheid in Lyndall en Waldo gelegd. Waar Lyndall als vrijdenker naar intellectuele bevrediging zoekt, raakt haar mannelijke alter ego Waldo begeesterd door het onbekende, nadat hij van zijn geloof is gevallen. Het moge duidelijk zijn: Lyndall en Waldo weerspiegelen de twee kanten van Schreiner.

Het boek wordt uitstekend ontvangen, en Schreiner is de eerste – en lange tijd enige – Zuid-Afrikaanse auteur die internationale bekendheid geniet. In een essay uit 1968 roemt Nobelprijswinnaar Doris Lessing onder meer de wijze waarop Schreiner ‘zowel pijn als schoonheid, angst en passie’ beschrijft, naast de naakte schoonheid van de Karoo en hoe ze op ingetogen wijze de drie eenzame mensen op een afgelegen boerderij weet uit te beelden. Met een ongetrouwde jonge moeder als tragische heldin druist het in tegen alle victoriaanse normen en waarden – denk alleen maar aan het idee van seks voor het huwelijk. Lessing vergelijkt de impact van het boek met die van klassiekers als Moby Dick, Jude the Obscure en Wuthering Heights.

‘Stel je voor, een land vol lower en ­middle class cultuurbarbaren, zonder een aristocratie van intellect om hen redden’

In The Story of an African Farm komen de hoofdthema’s uit Schreiners leven terug: feminisme, geloof en onderdrukking. We lezen over seksualiteit, het huwelijk, man-vrouwverhoudingen en de worsteling met het geloof. Schreiner was, schrijft auteur Dan Jacobson in het voorwoord van de heruitgave uit 1971, de eerste schrijver die ‘erin slaagde om [Zuid-Afrika] en zijn mensen onderwerp van fictie te maken’. Minstens zo belangrijk is dat Schreiner het intrinsieke falen van het Britse imperialisme signaleert. Het boek is een aanklacht tegen het kapitalisme waar de plek van uitbuiting (de kolonie) volledig is losgekoppeld van het centrum van de macht (Londen), een situatie die, waarschuwt ze, onvermijdelijk tot ernstige conflicten zal leiden.

Na het verschijnen van het boek stort Schreiner zich op het schrijven van brieven, die zo intens zijn dat aan haar geestelijke gezondheid wordt getwijfeld, iets wat ze zelf ook beseft. Ze schrijft: ‘O, het is niet mijn borstkas, het zijn niet mijn benen, het is ik, mijzelf. Wat moet ik doen? Waar moet ik heen?’ Die vraag beantwoordt ze door, na acht jaar Engeland, in 1889 terug te keren naar de Kaap, waar ze als gevierde auteur nu met de nodige egards wordt behandeld. Dat haar jongere broer William een opmerkelijke politieke carrière doorloopt, die hem uiteindelijk het premierschap van de Kaapkolonie zal opleveren, draagt ongetwijfeld ook bij aan haar nieuwe standing.

Ze vindt een echtgenoot, een boer van Britse komaf, die als hulde aan haar feminisme haar naam aan de zijne verbindt en tot Olive’s dood als Samuel Cronwright-Schreiner door het leven gaat. Ze krijgen een kind, maar dat sterft kort na de geboorte. Schreiner heeft ook diverse miskramen. Desondanks voelt ze zich ‘thuis’ in de Kaap. Dat blijkt onder meer uit de toon van haar brieven, die rustiger en afgewogener wordt.

Voor de activist in Schreiner breken er vruchtbare tijden aan als de Kaapkolonie in 1890 een nieuwe premier krijgt. Cecil John Rhodes is een man die zijn imperialistische ambities niet onder stoelen of banken steekt. Aanvankelijk is Schreiner onder de indruk van hem, maar al snel vindt ze zowel de man als zijn ideeën verwerpelijk. Ze bestrijdt hem met de pen in een serie polemische artikelen die zowel in Zuid-Afrika als in Groot-Brittannië veel aandacht krijgen. Rhodes, begonnen als diamantenhandelaar, stoort zich er niet aan. Hij breidt de Britse invloedssfeer noordwaarts uit, naar wat Northern en Southern Rhodesia gaat heten, het latere Zambia en Zimbabwe. Tevens heeft hij een begerig oog laten vallen op Transvaal, de onafhankelijk Boerenrepubliek waar flinke goudvoorraden zijn ontdekt.

De liberale geluiden in het koloniale bestuur ijlen weg en worden overstemd door het gebulder van de voorstanders van een keihard kapitalisme. In 1899 worden de eerste schoten gelost. De Anglo-Boerenoorlog zal drie jaar duren en laat een getraumatiseerd Afrikaner volk achter. Schreiner betoogt in haar schrijven dat ze niet gelooft dat de Boeren met geweld kunnen worden onderworpen. Ze beschouwt de oorlog als een onontkoombare uitwas van het kapitalisme. ‘Stel je voor dat we de rest van ons leven het kapitalisme moeten bestrijden’, schrijft ze. Ze heeft gelijk – de oorlog heeft desastreuze gevolgen voor Zuid-Afrika. De Boeren, oftewel de Afrikaners, richten zich na hun bittere nederlaag tegen een Britse overmacht op, roepen ‘nooit weer!’ en introduceren na gewonnen verkiezingen in 1948 het apartheidssysteem om de toekomst van het Afrikaner volk veilig te stellen. De voormalige onderdrukte is de nieuwe onderdrukker.

Schreiner laat de pen onophoudelijk over het papier krassen. Er zijn zo’n 4800 van haar brieven bewaard gebleven en online te lezen dankzij The Olive Schreiner Letters Project (duizenden andere werden na haar dood vernietigd door haar vervreemde echtgenoot; hij had ze gebruikt om haar biografie te schrijven waarin vooral hij zelf erg goed naar voren komt en zij wordt afgeschilderd als ziekelijk, eenzaam en afhankelijk).

Voor Olive Schreiner is de Afrikaner aversie tegen het feminisme een hard gelag © www.oliveschreiner.org/
Schreiner leest Gandhi de les als hij bekend maakt volledig achter de Britten te staan bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog

Het Schreiner-archief illustreert hoe belangrijk de brief destijds was als middel om in contact te komen met een wereldwijd netwerk van activisten en intellectuelen. Zo correspondeert Schreiner met collega-pacifist Mahatma Gandhi, die ze de les leest als hij bekend maakt volledig achter de Britten te staan bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Ze schrijft: ‘Het kan toch niet zo zijn dat u die zelfs niet de wapens wilde opnemen voor de zaak van uw eigen onderdrukte mensen nu bloed wil vergieten voor deze verachtelijke zaak.’

Binnen dat netwerk van correspondentievrienden valt nog een naam op, die van de Nederlandse Aletta Henriette Jacobs. Jacobs (1854-1929) is net als Schreiner een pacifist, feminist en activist. Als eerste vrouwelijke arts in Nederland zet ze zich in voor geboortebeperking en gendergelijkheid. De twee vrouwen voelen een verwantschap. Jacobs prijst haar Zuid-Afrikaanse generatiegenoot als de ‘geniale en sympathieke Olive Schreiner’. Ze vertaalt Schreiners boek Woman and Labour, dat 1911 door P.N. van Kampen & Zoon wordt uitgegeven als De vrouw en arbeid. Het groeit uit tot een feministisch standaardwerk, met vertalingen in het Zweeds (1911), Frans (1913), Duits (1914) en Spaans (1914).

Volgens de Poolse onderzoeker Małgorzata Drwal komen de twee vrouwen elkaar voor eerst tegen in augustus 1911 als Jacobs Zuid-Afrika bezoekt als onderdeel van een wereldwijde tournee om vrouwenstemrecht te propageren. Jacobs en haar gezelschap wonen bijeenkomsten bij van lokale organisaties van witte vrouwen en ze ontmoeten Zuid-Afrikaanse activisten. Het is vaak vechten tegen de bierkaai. Met de gruwelijkheden van de Anglo-Boerenoorlog nog vers in het geheugen hebben de Afrikaner vrouwen weinig affiniteit met een beweging die ze als Brits en dus als imperialistisch beschouwen. Wat zij zich herinneren zijn de Britse concentratiekampen waarin zo’n 27.000 Afrikaner vrouwen en kinderen door ziekte en honger overleden.

Voor Schreiner, die heeft gepoogd dergelijke wantoestanden onder internationale aandacht te brengen, is de Afrikaner aversie tegen het feminisme een hard gelag. Ook bij de witte Engelstalige vrouwen stuit ze op wantrouwen. ‘Schreiner’, schrijft Drwal, ‘vond dat de concepten van gender, ras en klasse nauw met elkaar verweven waren en daarom verdiende vrouwenstemrecht geen prioriteit boven politieke rechten voor zwarten.’ Dat standpunt valt slecht bij Zuid-Afrikaanse vrouwenorganisaties die niks moesten hebben van universeel stemrecht (ook Jacobs had er moeite mee). Als de South African Women’s Enfranchisement League in 1913 besluit om zich alleen op witte vrouwen te richten, zegt Schreiner haar lidmaatschap op.

Olive Schreiner overlijdt in 1920, een jaar nadat vrouwen in Nederland stemrecht hebben gekregen en dertien jaar voordat witte vrouwen in Zuid-Afrika naar de stembus mogen. Het zal dan nog 61 jaar duren voordat alle Zuid-Afrikanen, ongeacht hun ras of geslacht, mogen stemmen.

Schreiner dankt haar bekendheid aan haar boeken, die haar een breed Europees en Zuid-Afrikaans publiek opleverden. Ze was uniek, een eenling in een wereld zonder ‘shares’, ‘followers’ of ‘likes’. Als ze ergens heilig in geloofde, dan waren ‘de brief’, ‘het rapport’ of ‘een opiniestuk’ de enige opties om dat uit te dragen. Voor de ongeïnteresseerde of onwillige ontvanger was de prullenmand vervolgens een eenvoudige optie.

Dergelijke weerstand ondervindt Schreiners mannelijke tegenhanger, de 1829 in Venlo geboren magistraat Louis Anthing, die als een Nederlandse Don Quichot de uitroeiing van de Bushmen in de Kaap tracht te verhinderen. Hij sterft ongehuwd en kinderloos in 1902, al snel een vergeten voetnoot in de geschiedenis van de kolonie. Totdat een Zuid-Afrikaanse studente hem opvoert in haar kandidaatsscriptie uit 1977 getiteld ‘The San of the Cape Thirstland and L. Anthing’s “Special Mission”’. De Spaanse onderzoeker Jose Prada-Samper pakt de draad daarna op en schrijft een aantal doorwrochte artikelen over Anthing waarin hij met moeizaam vergaarde brokken informatie de vergeten ambtenaar (er zijn zelfs geen foto’s van hem) in een onwaarschijnlijke held verandert.

Anthing bericht de Britse minister van Koloniën over ‘de systematische vernietiging van een menselijk ras’

Anthings familie kwam oorspronkelijk uit het Duitse hertogdom Saxen-Gotha. Zijn grootvader was een huurling die als officier onder meer in de napoleontische oorlogen vocht. Uiteindelijk werd hij de commandant van Nederlands Batavia, het huidige Indonesië. Zijn aide-de-camp was zijn zoon Johan Philipp, die zijn vrouw, de dochter van een Duitse arts en slavenhouder, ontmoette tijdens een tussenstop in de Kaap. Ze kregen vier kinderen, onder wie Louis. Het gezin ging naar Nederland, waar pa een jaar na de geboorte van Louis overleed. Toen de jongen negen was besloot zijn moeder om terug te keren naar haar Zuid-Afrika.

Prada-Samper vermoedt dat Anthing, net als Schreiner, vooral thuisonderwijs heeft genoten. Een belangrijke invloed op zijn denken is de familievriend Petrus Borcherdus Borcherds (1786-1871), de zoon van een Nederlandse predikant die er voor die tijd verlichte ideeën op na hield – de magistraat was een abolitionist en was dankzij zijn reizen naar de binnenlanden redelijk op de hoogte van de penibele situatie waarin de Bushmen verkeerden. Ongetwijfeld heeft hij daar met de jonge Anthing over gesproken.

Aanvankelijk lijkt Anthing niet voorbestemd voor opzienbarende daden. Hij was betrokken bij een beweging die gekant was tegen het idee om van Kaapstad een strafkolonie te maken, maar daarna begint hij netjes aan een loopbaan als koloniaal ambtenaar. In 1859 wordt hij in Springbokfontein geplaatst, 560 kilometer ten noorden van Kaapstad, de roerige frontier van de Kaapkolonie. Daar hoort hij tijdens een verhoor van een gevangene over de moordpartijen die zouden plaatsvinden op de inheemse |xam Bushmen, bedoeld om deze jagers/verzamelaars voorgoed te verdrijven zodat de grond door de Europeanen en ‘Bastaards’ (kleurlingen, meestal het product van een Europese man en inheemse vrouw) kan worden gebruikt voor landbouw en veeteelt.

Anthing schrijft een bevlogen brief aan de procureur-generaal in Kaapstad, William Porter, een fervente liberaal die een rechtvaardige maatschappij nastreeft, ongeacht klasse of kleur. Die versie van liberalisme moet wel in een negentiende-eeuws licht worden bezien, getuige een zin uit een brief van Anthing: ‘De gebruiken van de Bushmen zijn zonder twijfel barbaars, maar (ook al heb ik er pas drie of vier ontmoet) ik heb tegelijkertijd karaktertrekken ontwaard die een verhevenheid van de ziel tonen, die mij, zonder mijn gevoel van superioriteit aan te tasten, deden voelen dat hij en ik tot hetzelfde ras behoren.’

Porter gelast zijn protegé om onderzoek te verrichten naar de moorden. Dat begint in 1862 als Anthing verder landinwaarts verhuist, naar het plaatsje Kenhardt, op de rand van de Kalahariwoestijn. Daar stuit hij op een situatie die vele malen alarmerender is dan hij had verwacht. Hij windt er geen doekjes om en bericht de Britse minister van Koloniën over ‘de systematische vernietiging van een menselijk ras’. Hij meldt dat deze genocide wordt uitgevoerd ‘alsof het een noodzakelijke transactie was in de manier waarop het leven zich in de kolonie voltrekt’. Hij houdt de Europese ‘trekboeren’ verantwoordelijk voor de moordpartijen en stelt voor dat er land moet worden vrijgemaakt voor de Bushmen, en dat ze vee moeten krijgen, zodat ze een menswaardig bestaan kunnen leiden.

In de veronderstelling dat zijn voorstel is goedgekeurd haalt Anthing daarna geld van een overheidsrekening om aan de slag te gaan. Dat blijkt een misrekening. Porter is inmiddels vervangen en Anthing wordt gesommeerd om terug te keren naar zijn oude stek in Springbokfontein. Hij vertikt dat en reist uiteindelijk met een aantal |xam naar Kaapstad, opdat ze daar zelf hun verhaal kunnen doen over de wandaden die de trekboeren hebben begaan. Het heeft weinig effect – de Britse drang om de geldverslindende kolonie winstgevend te maken overschaduwt mensenrechtenkwesties. Zelfs in Cape Argus, een in 1857 opgerichte liberale krant, wordt Anthing beschimpt en wordt spottend geschreven over de gotspe van hooggeplaatste ambtenaren die de boel op kosten jagen ‘om tegen windmolens te vechten, Hottentot Venussen te redden of naakte Bushmen van kleding te voorzien’. De scribent vindt dat de oproerkraaier ‘beter op staatskosten naar een inrichting kan worden gestuurd dan zich vrij door het land te begeven als dat ertoe leidt dat hij de Engelse regering belachelijk maakt voor de inheemse stammen’.

Een gesticht wordt het niet, maar Anthing, die nog probeerde op eigen kracht de Bushmen bij te staan, wordt als ambtenaar ‘verbannen’ naar het plaatsje Cradock, midden in de Karoo, waar hij weinig schade kon aanrichten. Dit is toevallig ook de plek waar de jonge Olive Schreiner een tijd verbleef. Dat ze elkaar ooit bewust hebben ontmoet is onwaarschijnlijk – Schreiner was immers 26 jaar jonger. Maar toen haar The Story of an African Farm verscheen was Anthing 54, dus de kans dat hij op de hoogte was van haar werk is niet onwaarschijnlijk, beaamt Jose Prada-Samper. Het was immers een kleine wereld en dissidente stemmen hadden een magneetwerking op elkaar. Maar, voegt de Spaanse onderzoeker toe, Anthings empathische denken leek vooral beïnvloed door politici en verlichte bestuurders, en niet zozeer door romanschrijvers.

Anthing blijft obsessief brieven pennen, waarin hij, net als Schreiner, onder meer waarschuwt voor een oorlog tussen de Britten en de Afrikaners. Paarlen voor de zwijnen. Anthing overlijdt in 1902, het jaar van de vredesovereenkomst tussen de Britten en de Boeren – eenzaam en alleen, terwijl de |xam een voor een werden uitgemoord totdat ze uiteindelijk allemaal zijn verdwenen.

Toch moet zijn belang niet worden onderschat, zegt Prada-Samper. ‘Zijn rapporten en brieven vanuit Springbok en Bushmanland in 1861-1863 zijn van grote importantie omdat ze de eerste officiële documentatie vormen van wat we volgens de 1948 VN definitie als genocide mogen classificeren. Ik twijfel er niet aan dat veel van de ambtenaren hem vooral een lastpost vonden, met zijn ellenlange rapporten vol morele verontwaardiging en al te gedetailleerde verslagen van zijn komen en gaan. Ja, hij was langdradig en betweterig, maar in het geval van de documenten over Bushmanland is dat een bonus voor ons onderzoekers.’

Uiteindelijk was Anthing net als Schreiner een koloniale eenling, rechtschapen, intelligent en vooral excentriek. In De vrouw en arbeid verwoordt Schreiner de strijd van de eenlingen fraai, wellicht onbewust met de waanwijze woke’ers in het achterhoofd. ‘Ik wil de mannen en vrouwen van de komende generaties graag zeggen: “Jullie zullen met verbazing op ons terugkijken! Jullie zullen je het nodige afvragen over die gepassioneerde strijd die zo weinig heeft opgeleverd; over de wegen die moesten worden ingeslagen, die nu voor jullie zo duidelijk zijn, maar die wij negeerden… Jullie zullen je verbazen over al het werk dat zo weinig teweeg bracht; maar wat jullie nooit zullen weten is hoe we áán en vóór jullie dachten, dat we ons zo hard hebben ingespannen om dat kleine beetje te bereiken; dat we troost vonden in onze eigen futiliteiten, met groei en een voller leven voor jullie in gedachten.”’


Dit stuk kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, fondsbjp.nl