Jullie zwarte prinses

Waarom wordt Ayaan Hirsi Ali niet als feministische heldin omarmd? is de vraag die politicoloog Meindert Fennema zich stelt, in een correspondentie met een jongere, vrouwelijke collega, Sjoerdje van Heerden (in De Groene Amsterdammer van 13 maart). Het lijkt mij niet moeilijk om die vraag te beantwoorden, omdat er vreselijk veel over is geschreven, onder anderen door mij. Maar wat ik daarover op mijn weblog heb gemeld, vond Fennema kennelijk niet interessant. Heeft hij wel al leren googelen?

Wat Fennema wél doet: hij vergelijkt de bestseller van Hirsi Ali, Mijn vrijheid, met mijn boek van meer dan dertig jaar geleden, De schaamte voorbij. En constateert dat er overeenkomsten zijn. Terecht: beide boeken zijn een variant op het klassieke feministische Bildungs-verhaal: van slachtoffer tot heldin. Na veel onderdrukking neemt een vrouw haar leven in eigen handen. Zou het toevallig zijn dat beiden als kind slachtoffer waren van huiselijk geweld? vraagt Fennema zich af. Nou, nee, natuurlijk, aangezien één op de vijf vrouwen te maken krijgt met geweld ligt dat nogal voor de hand. Hij heeft het alleen mis als hij het heeft over mishandeling in de jeugd. Ik had een mishandelende echtgenoot, mijn ouders sloegen en verwaarloosden me niet. Niet de enige misser van Fennema: mijn boek speelt zich niet af in een ‘progressief milieu waarin gelijkheid tussen man en vrouw volkomen geaccepteerd waren’ – er zou anders weinig reden zijn geweest om me bij de vrouwenbeweging aan te sluiten. Ook is het uiteraard onzin om te beweren dat ik mij kosmopoliet zou noemen op basis van het feit dat ik (dertig jaar geleden!) wel eens in Duitsland en Londen was geweest, alsof ik in die jaren erna niets anders zou hebben gedaan dan ‘met een spiegel naar mijn eigen geslacht te kijken’. En alsof ‘kosmopoliet’ niet veel meer duidt op een levenshouding, in een tijd van opkomend bekrompen nationalisme en ‘eigen volk eerst’, dan op het aantal landen dat iemand zou hebben bezocht.

Fennema geeft ruimschoots de voorkeur aan Hirsi Ali’s boek. Dat mag. Hij vindt Hirsi Ali’s boek boven het mijne uitstijgen vanwege de ‘relatieve mildheid’. Een kleine aap uit de mouw, want uiteraard gaat het daarbij om mildheid ten aanzien van mannen. Inderdaad, dertig jaar geleden (!) gaf ik de schuld van alle ellende van vrouwen ruimschoots aan ‘de mannen’. En ik kan het me voorstellen dat Fennema het prettiger vindt dat Hirsi Ali de schuld geeft aan de islam in plaats van aan Fennema en zijn seksegenoten.

Als Mijn vrijheid het eerste, of het enige boek van Hirsi Ali was geweest, zou de kans groot zijn geweest dat ook zij een identificatiefiguur zou zijn geworden voor haar generatie vrouwen, en met name voor migrantenvrouwen. Maar we zijn niet vergeten dat er van alles aan voorafging. Halleh Ghorashi, zelf voor een islamitisch regime gevlucht, zag in Hirsi Ali aanvankelijk een geestverwant. Dat ging over toen ze, anders dan Hirsi Ali, die haar lotgenotes altijd uit de weg is gegaan, kennismaakte met moslima’s die wel degelijk bezig waren met hun emancipatie. En het haar opviel dat Hirsi Ali daar geen enkele interesse voor had. En het duidelijk werd dat Hirsi Ali in feite spreekbuis was geworden van het dominante anti-islamdiscours dat de migranten in Nederland vooral bedreigde met uitsluiting. Seculiere feministes, hier, maar net zo goed in Iran, kunnen heel goed samenwerken met moslimfeministes. Dat was voor Hirsi Ali natuurlijk geen optie.

Sjoerdje van Heerden komt al dichter bij het antwoord op de vraag van Fennema, als ze constateert dat Hirsi Ali vaak het verwijt toegeworpen heeft gekregen dat ze het vrouwen eerder lastiger heeft gemaakt dan hen heeft geholpen. Van Heerden heeft anders dan Fennema de moeite genomen ‘navraag’ te doen bij de vrouwen die Hirsi Ali beweerde te willen bevrijden: ‘Onbedoeld lijkt ze te spreken namens en voor alle moslimvrouwen en haar oordeel is hard. Hierdoor krijgen moslimvrouwen een stempel opgedrukt waar zij nooit om hebben gevraagd.’ Inderdaad. Want Hirsi Ali was wel, in Fennema’s ogen, aangenaam mild over mannen, maar dit schreef zij in Mijn vrijheid over haar ‘zusters’:

‘Ik wist dat er ook tijd voor nodig was om moslimvrouwen uit hun mentale kooi te bevrijden. Ik verwachtte geen overweldigende steun van de moslimvrouwen zelf. Mensen die alleen onderdanigheid kennen, bijna tot op het punt dat ze zelf niet meer kunnen nadenken, hebben jammer genoeg niet het vermogen om zich te organiseren of de wil om een eigen mening te laten horen.’

Dit is de arrogantie waar Ghorashi het over heeft. Hirsi Ali, zelfbenoemd redster van de moslimvrouwen, had geen boodschap aan gelovige vrouwen met een andere, minder dogmatische mening dan de hare, want die anderen, die konden niet nadenken. Er was voor haar maar één model mogelijk om je als vrouw vrij te vechten: afstand nemen van religie en als het nodig was ook breken met afkomst en familie. Voor veel migrantenvrouwen was dat in het geheel geen aantrekkelijke of noodzakelijke optie. Die kozen voor andere wegen om zich te emanciperen, ze voelden zich, bijvoorbeeld, verbonden met hun familie van migranten, ook al konden ze binnenshuis best strijd hebben over hun eigen mate van vrijheid. Ook ken ik vele tweede-generatievrouwen die een onderscheid maken tussen een traditionele cultuur die ze afwijzen, en het geloof, dat ze wensen te behouden. Het heeft hen er in het geheel niet van weerhouden om hun plaats in te nemen in de Nederlandse samenleving, zoals, bijvoorbeeld, Hirsi Ali’s parlementaire collega’s Azough, Albayrak, Bouchibti en Arib illustreren, of zoals Karabulut en Karimi, die, meen ik, niet religieus zijn maar ook geen neiging hebben om de islam tot de grootste vijand van de integratie te verklaren.

Maar dat paste niet in het beeld dat Hirsi Ali voor ogen stond. Zo negeerde ze schrijfsters als Nawal al-Sadawi en Fatima Mernissi, ze negeerde ook de vrouwengroepen en organisaties – ook die van haar landgenotes die haar hulp graag hadden willen hebben en die al lang voor haar komst actief waren in de strijd tegen mishandeling en ook tegen genitale verminking. Ze sloot zich niet aan bij de vrouwen die vochten voor een zelfstandige verblijfsvergunning. Coalities met politici van andere partijen tegen eerwraak, ook al niet interessant. Ze sloeg – ik weet dat uit de eerste hand – elke uitnodiging af om te praten met de vrouwen die in Nederland bezig waren om emancipatie en islam te combineren. Geleerde vrouwen op dat vlak als Amina Wadud, Riffat Hassan, Margot Badran, Asma Barlas, om er een paar te noemen, bestonden voor haar niet. Niet interessant. Nog steeds moslim. Dus achterlijk. De werkelijke discussie is ze dus altijd uit de weg gegaan. Wat ze wél deed was een tenenkrommend simplistisch beeld over islam en vrouwen de wereld in sturen – geen onderscheid tussen cultuur en religie, geweld is alleen het gevolg van de islam, dat werk – waarmee ze niet verrassend vooral goed aankwam bij – ik kan er niets aan doen – blanke naar rechts en islamofobie neigende mannen en een enkele dito vrouw.

Dus toen Cisca Dresselhuys, die daarvoor al had gemeld dat vrouwen met een hoofddoek niet naar een functie in de redactie van Opzij hoefden te solliciteren op het lumineuze idee kwam om Hirsi Ali te lauweren voor haar geweldige werk voor de emancipatie van moslimvrouwen, en haar meteen maar even de ‘derde golf’ uit te laten roepen, waren er voor het feestje niet meer dan zegge en schrijve drie moslima’s te vinden die er bij wilden zijn. Kortom: Hirsi Ali vond geen enkele aansluiting bij al die ‘achterlijke’ vrouwen die door haar bevrijd moesten worden, en ze probeerde dat ook niet. Nou mag iedereen die dat wil zich een feministe noemen, maar vrouwenemancipatie zonder vrouwen, dat gaat toch moeilijk.

Dat zou allemaal nog niet zo erg zijn geweest – er zijn altijd vele verschillende feminismes geweest – als dat niet gebeurde in een tijdperk van grote polarisatie, waarbij de migranten (m/v), met name die met een moslimachtergrond, door de rechterzijde tot zondebok werden gemaakt van alles wat er mis was in de maatschappij. Ik hoef dat niet te herhalen: Bolkestein, Scheffer, Fortuyn, en daarna kregen we ook nog Verdonk en Wilders. Geen wonder dat de blanke rechterkant dol was op die mediagenieke zwarte prinses die hen zo gelijk gaf: de islam is achterlijk, wist ze daar zelf niet alles van, en die nu eens niet tegen mannen schopte, maar integendeel, hen geweldig ‘verlicht’ vond.

Anders dan Fennema suggereert heb ik Hirsi Ali nooit gehaat. Ik heb me wel, net als veel andere feministes van de tweede golf, die zich al veel langer engageerden met zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen, suf geërgerd aan de gigantische mediahype – over de hoofden van de vrouwen heen die beter wisten. Ik heb me wild geërgerd aan de domme gemakzucht waarmee Hirsi Ali, die kennelijk door al die media-aandacht steeds meer ging geloven in haar eigen importantie, als spreekbuis van de emancipatie van moslimvrouwen werd opgevoerd, en ik heb me ook opgewonden over de manier waarop rechts opeens de vrouwenemancipatie kaapte, met de hulp van Ayaan. Wat niet betekende dat ook zij, ook wij, niet geschokt waren dat ze werd bedreigd, dat we niet meeleefden toen Theo van Gogh werd vermoord. Ook stonden we er niet achter dat ze het land uitgezet zou worden. Maar dat ze een grote leegte achterlaat nu ze vertrokken is naar een ultraconservatieve denktank in de Verenigde Staten, nou nee. Dat had Fennema natuurlijk al lang kunnen weten als hij even had gegoogeld, en niet was blijven hangen bij een boek en zijn grieven daarover van dertig jaar geleden.