Jungs zegetocht

Ilja Maso, De zin van het toeval. Uitgeverij Ambo, 240 blz., 334,90. Margaret A. Hagen, Ph.D., Whores of the Court: The Fraud of Psychiatric Testimony and the Rape of American Justice. Uitg. HarperCollins, importeur Nilsson & Lamm, 338 blz., 354,05
ILJA MASO, hoogleraar wetenschapsfilosofie aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht, stelt in de inleiding van zijn studie De zin van het toeval dat hij een ‘wetenschappelijke houding’ aanneemt om het bovennatuurlijke te bestuderen.

Wat een ‘wetenschappelijke houding’ precies is, weet ik niet, maar Maso heeft beslist een rustige betoogtrant. Geen wilde stellingen, eerst een gedegen grondslagenonderzoek, dan pas voorzichtige meningsvorming.
Maar dan komt Maso met conclusies die nogal rauw op de maag vallen. Met name zijn vierde conclusie opent de weg naar de zweverigheid: 'dat de wetenschap zichzelf tekort doet als ze geen aandacht zou schenken aan “individuele ervaringen van unieke gebeurtenissen” die sommige gevallen van toeval nu eenmaal zijn’.
Na zo'n opmerking is de beer los, zou je denken, te meer daar Maso zich niet verdiept in de methodologie van het onderzoeken van dergelijke individuele ervaringen. Maar Maso zet eerst nog een handig stapje terug, om te schetsen hoe weinig wetenschappelijk de wetenschap vaak te werk is gegaan bij het bekritiseren van wat voor paranormaal doorgaat. Hij spreekt, waarschijnlijk niet ten onrechte, van een fundamentalistische houding van de wetenschap en beeldt zo de wetenschap af als een kerk - tamelijk overtuigend.
Dan ineens zaait de auteur een grappig soort verwarring door op te merken dat hij regelmatig aanvallen had van een preoccupatie met het bovennatuurlijke. Wat krijgen we nu? Maso verliest zich dan opnieuw in omtrekkende bewegingen, en pas bij zijn bespreking van de ideeën van Popper springt hij definitief in het zweverige diepe door te stellen: 'Behalve dat dit “falsificatieprincipe” (van Popper - jn) nogal problematisch is, draagt het ertoe bij dat een groot gebied van de menselijke ervaring wetenschappelijk als niet interessant wordt beschouwd.’ Dat zij dan zo, zou je nog kunnen zeggen. Maar Maso vindt dit kennelijk een afdoende kritiek. Na nog enkele genietbare hoofdstukken belanden we definitief in de blubberige denkwereld van Jung en gaat het alleen nog maar over archetypen, de onstoffelijkheid van het bewustzijn, de unus mundus (de geestelijke totaliteit aan het begin van de tijden) en meer van dat uitsluitend navoelbare fraais.
Het moet gezegd: Maso weet heel helder over de Jung-onzin te schrijven. Hij weet zelfs de ideeën van James Redfield over het ervaren van synchronistische gebeurtenissen door een 'verlaging van de bewustzijnsdrempel’ aanzienlijk eleganter te formuleren dan Redfield zelf. (Zonder Redfield zelfs maar te vermelden, gek genoeg.) Maar uiteindelijk dwaalt Maso weg in kletsica van dit type: 'Het lijkt erop dat het bewustzijn van een materieel object door een zeer emotionele gebeurtenis zodanig kan worden beïnvloed, dat het vanaf dat moment een intens emotionele voorstelling van die gebeurtenis met zich meedraagt. Deze voorstelling kan zo sterk zijn, dat iedereen die met dat object in aanraking komt, de invloed daarvan ondergaat en de neiging krijgt de oorspronkelijke gebeurtenis te herhalen.’ Ja hoor.
HET RUIM onderbouwde polemische geschrift Whores of the Court van de Amerikaanse ontwikkelingspsychologe Margaret A. Hagen biedt een nogal treurig voorbeeld van waar het heen gaat als je het falsificatieprincipe van Popper overboord zet. Dit boek gaat over de klinische psychologie en hoe deze een factor van belang is geworden in de Amerikaanse rechtspraak.
Anders dan bij de experimentele psychologie gaat het hier niet om door een onafhankelijke partij controleerbaar onderzoek, maar om de ervaringswereld die ontstaat uit de wisselwerking tussen psycholoog en cliënt - ook wel genoemd therapeutische waarheid, een waarheid die van belang zou zijn voor de genezing van de cliënt. Wanneer nu deze therapeutische werkelijkheid als een wetenschappelijk feit buiten de spreekkamer van de psycholoog in de realiteit terechtkomt, en wanneer deze vervolgens een argument wordt in de rechtspraak, ontstaan er bizarre situaties.
Net als in Nederland heeft de psychotherapie in Amerika de maatschappelijke status van wetenschap gekregen. Begrippen als verdringing en verwerking, door de experimentele psychologie nog steeds aangevochten, zijn algemeen aanvaard en een psychotherapeut is onontbeerlijk als begeleider bij rechtszaken.
O. J. Simpson was bijvoorbeeld, nadat hij veelvuldig zijn vrouw had geslagen, veroordeeld tot psychotherapie. Hij mocht dit per telefoon doen. Later zou hij diezelfde vrouw vermoorden. Een voorbeeld uit velen.
Aan de hand van een groot aantal rechtszaken toont Margaret Hagen aan dat de klinische psychologie in Amerika een machtsfactor is geworden waar men niet meer omheen kan, terwijl deze, wetenschappelijk gezien, niet meer om het lijf heeft dan de astrologie. De klinische psychologie heeft haar maatschappelijke status voor een groot deel te danken aan haar indrukwekkende begrippenapparaat, waarmee de suggestie wordt gewekt dat op elke vraag een antwoord bestaat. Ideaal voor rechters die het vaak ook niet meer weten.
In het Amerikaanse rechtssysteem kom je met een beetje handige advocaat een heel eind, maar met een psycholoog achter de hand kun je als slachtoffer torenhoge schadevergoedingen eisen voor de geleden psychische schade, of kan deze je, als dader, met nooit wetenschappelijk onderzochte diagnosen als Urban Psychosis of Battered Woman Syndrome verminderd toerekeningsvatbaar laten verklaren voor bijvoorbeeld moord. Dat schiet gelijk een eind op. Vaak neemt de psycholoog niet eens meer de moeite om de cliënt in kwestie persoonlijk te ondervragen, of kan een gesprek van een paar uur voldoende zijn om een diagnose te stellen, die voor veel partijen, inclusief hemzelf, onvoorstelbare hoeveelheden geld in het laa…latje…tje kan brengen.
Hagen gaat ook uitgebreid in op kwesties waarbij psychologen, voor veel geld ingehuurd als getuige-deskundige, volstrekt foutieve voorspellingen doen over daders die, eenmaal vrij, onmiddellijk weer in het vertrouwde patroon vervallen.
Terwijl ze in gevangenschap toch zulke voorbeeldige cliënten waren geweest, die het psychojargon inmiddels even goed beheersten als hun therapeut. Uit proefonderzoeken bleek dat de psychologen er in twee van de drie gevallen naast zaten.
Maar aan de zegetocht van het psycho-establishment lijkt voorlopig geen einde te komen. Misschien wel bij gebrek aan alternatief. Wat zou Jung van zijn zegetocht hebben gedacht?