Bart Chabot, Brood en spelen

Junkieprins, koning van ’t gedogen

Bart Chabot

Brood en spelen

Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 669 blz., €24,95

Door vorig jaar van het dak van het Hilton-hotel te springen, heeft Herman Brood zichzelf vermoedelijk veel leed bespaard. Je had er toch niet aan moeten denken hoe de prins der junkies in het kader van de «eindoplossing» van het hoofdstedelijke «verslaafdenprobleem» (term als zodanig horen bezigen door een CDA-parlementariër in de uitzending van Buitenhof van zondag) naar een zorgboerderij uit het alternatieve circuit van Eduard Bomhoff was gebracht? Herman Brood was het product van de gedoogsamenleving en daarmee een typisch Nederlands cultuurfenomeen. De vraag is echter of hij anno 2002 nog wel zou worden gedoogd.

Een veeg teken was het rumoer dat opstak in Zwolle voorafgaande aan de plaatsing van een beeltenis ter nagedachtenis aan de zanger in zijn geboorteplaats. Veel inwoners van de IJsselstad zeiden ernstig in hun normen en waarden te worden gekrenkt. Ook onheilspellend in zijn afwijzing was Albert Verlinde, het trendorakel van het populaire RTL4-programma Boulevard, die tot grote woede van de weduwe Xandra Brood overging tot postume karaktermoord op de begraven ster. Hoe lang dan nog, zo vraagt een bang mens zich af, voordat Herman Heinsbroek onder het motto «Elly & Rikkert zijn er ook nog» een ethische banvloek uitspreekt over de mythische grootverbruiker?

De Commissie Normen en Waarden van het kabinet-Balkenende zal niet verheugd reageren op Brood en spelen, het derde deel van de tetra biografie van Herman Brood dat de Haagse dichter Bart Chabot (onder meer bekend van het mythische De dag dat de Tweede Wereldoorlog ook aan Nederland niet onopgemerkt voorbijging) heden het licht heeft doen zien. In 1996 verscheen van Chabot Broodje gezond, een even hilarisch als hartverscheurend verslag van zijn jarenlange omzwervingen met «de zoon van alle moeders». Broodje gezond liet zich lezen als een moderne Tijl Uilenspiegel, een schelmenroman met veel speed en heroïne weliswaar, maar toch een schelmenroman. Het boek was een onverbiddelijke bestseller en beleefde herdruk op herdruk. Voor het eerst was een schrijver erin geslaagd om daadwerkelijk binnen te dringen in het behoorlijk gesloten universum van ’s lands nationale troeteljunk. Voor het eerst werd uitzicht geboden op Heel de Mensch Brood, de man achter het geschmier met de media, en het was een ontroerende en louterende ervaring. Dat deed Chabot door in de beste traditie van het new journalism zo dicht mogelijk op de huid van zijn personage te gaan zitten, niet te analyseren, maar zo levensecht mogelijk op te schrijven waar men was en wat men zei. In feite schreef Brood via Chabot zijn eigen verhaal.

In 2001 verscheen deel 2 van Chabots monsterproject, Broodje halfom. In dit aanmerkelijk dunnere boek volgde hij hetzelfde procédé als in Broodje gezond, zij het dat de hoofdpersoon tegen die tijd al met grote gezondheidsklachten kampte en het boek derhalve tragischer van ondertoon was. Kort na de presentatie van Broodje halfom ging Brood over tot zijn fatale sprong. Deze week verschijnt dus deel 3, Brood en spelen, en dit keer is het weer een even dikke pil als Broodje gezond. Toch zal dit boek waarschijnlijk minder makkelijk de grote massa bekoren. Het is een nogal hardcore drugsboek geworden, behoorlijk monotoon, bij lange na niet die joy ride van energie en levenslust die van Broodje gezond zo’n feestelijk leesavontuur maakte.

Brood en spelen handelt over de jaren 1998-2000, als Bart Chabot Herman Brood vergezelt op een lange theatertournee. De derde deelnemer aan het literaire variétéprogramma Apocrief is de Rotterdamse dichter Jules Deelder. Het gezelschap trekt volle zalen, al is het publiek vaak verbijsterd door de spontane «performances» en klagen recensenten en theaterdirecteuren over het gebrek aan theatrale vormgeving. Brood draait voornamelijk op zijn roem, en wordt in het theater als een soort levend kunstwerk binnengehaald. Van Zoetermeer tot Heerenveen vergaapt het publiek zich aan zijn luier. Zowel Brood als Deelder verkeert voor de hele duur van het boek onder invloed van Extreem Gevaarlijke Drugs, net als de gehele entourage van het trio, een ruim dertig man tellende hofhouding van lieden met onbestemde functie.

De enige die niet onder invloed is, is schrijver Chabot zelf, en die afstand is in zijn boek merkbaar. Het effect is dat zowel Brood als Deelder een karikatuur van zichzelf blijft. Ze vuren constant speedmonologen op elkaar en op het publiek af, die Chabot als trouwe secretaris ijverig maar ook enigszins klinisch noteert. Het paradoxale resultaat is een drugsboek zonder roes. Als je te veel hoofdstukken achter elkaar leest, begint zich een soort zeeziekte te manifesteren. Een handicap vormen ook de omgevingsfactoren. Het rigide schema van een theatertoer leidt automatisch tot veel herhaling, en de ene show lijkt al snel op de andere. Bovendien is de chemie tussen Deelder en Brood — twee diva’s uiteindelijk — in het boek niet erg actief. Chabot had zijn manuscript kunnen bekorten om hetzelfde verhaal te vertellen.

Dat laat onverlet dat er voor de liefhebber weer veel valt te genieten. De lange monoloog van Brood over een — gedroomde? — ontmoeting met William Burroughs, de peetvader van de Beat-generatie, doet denken aan de absurde humor van de jonge Dylan. Ook werpt Chabots derdeling meer licht op Broods gedachten rond zijn zelfverkozen levenseinde. Ondanks zijn ferme formaat heeft Brood en spelen iets weg van een tussendoortje. Het grote wachten is op het vierde en laatste deel van Chabots honorabele project, Broodje springlevend.