Junkieverdriet

Theodore Dalrymple
Drugs, de mythes en de leugens
Vertaald door Jabik Veenbaas
Nieuw Amsterdam Uitgevers, 160 blz., € 14,95

Theodore Dalrymple moet je twee maal lezen. De eerste keer om ruim twee uur grinnikend te genieten van zijn onweerstaanbaar grappige en gepeperde stijl, die hij al eerder demonstreerde in Leven aan de onderkant (2004) en Beschaving of wat er van over is (2005). Bovendien sleept hij je in zijn argumentatie mee door de persoonlijke observaties waarmee hij zijn stellingen onderbouwt. Bij herlezing krijg je nog meer bewondering voor zijn sublieme stijl, maar ontdek je ook hoe hij je het zicht beneemt. Niet dat zoiets erg is. De meeste polemisten doen dat en het nut is dat je gedwongen wordt je eigen meningen kritisch tegen het licht te houden. Een te genuanceerde mening met veel mitsen en maren kan ook te veel schaduwen opwerpen.

In Drugs, de mythes en de leugens vraagt Dalrymple zich drie zaken af. Is verslaving een ziekte? (Zijn antwoord daarop is luid en duidelijk: nee.) Hoe komt het dat we allemaal denken dat het een ziekte is? Wat moet je eraan doen? In tussenzinnen vertelt hij ons wat de oorzaak van de hausse aan verslaving teweeg heeft gebracht.

Verslaving is geen ziekte, omdat elk medisch handboek, en Dalrymple haalt er veel aan, bij onthouding van opiaten spreekt over een milde griepachtige reactie. Dat is heel iets anders dan het delirium tremens bij bijvoorbeeld de acute onthouding van alcohol, die werkelijk levensbedreigend kan zijn. Ontegenzeggelijk heeft hij hier gelijk in. Het stelt niet zoveel voor. Het theater dat de verslaafde tentoonspreidt des te meer. De gemiddelde verslavingsarts is daarvan goed op de hoogte. Het gemanipuleer om drugs of andere medicijnen, ook bekend voor de deskundige, is indrukwekkend en voor de toneelliefhebber misschien ook wel genietbaar. Saillant zijn de experimenten waarin verslaafden wijsgemaakt wordt dat zij opiaten krijgen terwijl dat niet zo is en geen onthouding vertonen, terwijl omgekeerd onthoudingsverschijnselen wel optreden als zij een opiaat krijgen terwijl hun verteld is dat zij niets krijgen. Dergelijk bedrog mag tegenwoordig in de wetenschap jammer genoeg niet meer.

De metaforen die de Engelse psychiater Dalrymple gebruikt om aan te tonen dat verslaving geen ziekte is, zijn hilarisch. Als verslaving een ziekte is, dan is sport dat ook, want daarbij treden veel blessures op die soms zeer ernstig zijn. Vervolgens toont hij ons het jargon van de verslaafde die suggereert dat de heroïne hem als het ware gevangen heeft genomen, en dat hij het niet kan helpen dat hij eraan verslaafd is. Terecht wijst Dalrymple erop dat het toch heel wat moeite kost om verslaafd te raken en dat het niet anders kan zijn dan dat mensen moedwillig dag in, dag uit bezig zijn met zichzelf verslaafd te maken. Dat is wel degelijk hun eigen schuld. De stap die hij vervolgens zet, is te kort door de bocht. Als het stoppen met heroïne geen medisch probleem is, dan is verslaving dus een moreel probleem. Ook dat wordt rijkelijk geïllustreerd. Het is zonder meer waar, maar over het psychologische effect van verslaving stapt hij wat gemakkelijk heen.

De bron van de mythen over verslaving volgens Dalrymple is cultureel gezien wellicht het meest interessant in dit geschrift. Het is de schuld van Thomas de Quincey, Samuel Coleridge en William Burroughs. Zowel inhoudelijk als literair laat Dalrymple van hun werk geen spaan heel. Coleridge was een dronkaard die vermoedelijk geen last had van opiaatonthouding maar van alcoholonthouding en die zijn bevingen tegenging door een flinke slok laudanum, een tinctuur van opium met alcohol. Dat Coleridge briljante gedachten kreeg ten gevolge van de laudanum is onwaarschijnlijk, want het waarlijk prachtige gedicht The Rhyme of the Ancient Mariner werd geschreven voor het dromerige Kubla Khan. Thomas de Quincey wijdt in Confessions of an English Opium-eater in zoveel hoogdravende taal uit over zijn verslaving dat het literair gezien niet anders geduid kan worden dan gezwets en medisch gezien onzinnige prietpraat. Maar als zulke beroemde mensen tot zoiets fraais in staat zijn, is dan de roes van opium niet de sleutel tot prachtige poëzie? Terecht merkt Dalrymple op dat al die miljoenen verslaafden niet veel bijzonders hebben bijgedragen aan de cultuur. Burroughs, ook al zo’n held, wordt afgeschilderd als een kwaadaardige psychopaat, wiens Junkie volstrekt onleesbaar is.

Maar wat moet er gedaan worden aan al die verslaafden? De maoïstische oplossing – alle verslaafden executeren – gaat Dalrymple te ver. De drugsklinieken sluiten lijkt hem een beter plan. In elk geval beter dan drugs te legaliseren. Aan de oplossing besteedt hij weinig woorden en het is ook maar de vraag of het legaliseren zonder meer, het sluiten van drugsklinieken of zelfs het doodmaken van verslaafden echt helpt. De oplossing vindt men veeleer in zijn andere boeken. Want waardoor komt het nu allemaal? Feitelijk door de verwaarlozing van onze jeugd. Door alles van een gelijke waarde te voorzien, door het onderwijs te ondermijnen, door geen eisen meer te stellen, door het ontbreken van waarden en door het ontnemen van de eigen verantwoordelijkheid, maakt niets meer iets uit. Het gevolg: ledigheid en verveling die alleen doorbroken worden door roze wolken van roesmiddelen en onmiddellijk genot. En daar zit wel degelijk iets in.

Hans Hovens is psychiater/A-opleider psychiatrie in het Delta Psychiatrisch Centrum en hoogleraar psychologie aan het Instituut voor Psychologie, Erasmus Universiteit Rotterdam