Just in case

De maand mei is ook de maand van de waarheid. Op de deurmat van heel schrijvend Nederland belandt een grote witte envelop met daarin minstens vijf vellen papier waarop de royalty’s van het vorig jaar zijn berekend. Veel wit, weinig cijfers, en één bedrag dat vetter gedrukt staat. Binnen dertig dagen op uw rekening te verwachten.

Mijn oudste broer heeft economie en accountancy gestudeerd. Als er een boek van mij wordt gepubliceerd, vraagt hij wat ik ermee ga verdienen. Ik weet dan nooit wat te zeggen. Nu had ik vorig jaar niet echt een nieuw boek. Ik hoef me dus nergens voor te schamen. Maar toch. Toen ik die envelop zag liggen, had ik niet veel zin ‘m open te maken.
Ik heb altijd iets simpels gehad met geld: geld is er om iets mee te kopen. Toen ik een goedbetaalde baan had, kocht ik een afwasmachine, ging ik vaak uit eten, makkelijk op vakantie, en stond ik iedere maand rood. Toen ik een minder goed betaalde baan had, hoefde ik die afwasmachine niet meer te kopen, en bleef verder alles hetzelfde.
Met zijn studiekeuze dacht mijn broer zich te verzekeren van goedbetaald werk, en dat is ook zo uitgekomen. Hij heeft in de financiële top van banken en verzekeringsmaatschappijen gewerkt, commissariaten bekleed, is lid geweest van raden van bestuur, en nu hoeft hij eigenlijk niet meer te werken. Hij laat zich nu gewoon af en toe inhuren. Hij belt me op vanuit Moskou waar hij een of andere instelling uit het slijk aan het trekken is - hij bivakkeert in een appartementencomplex met sauna en zwembad, en schuift ’s avonds een zalm in de magnetron - een maand later kijkt hij uit op Wall Street, New York, en nu zit hij in Rotterdam in een penthouse. Wat zijn werk inhoudt? Geen idee. Maar dat is altijd het geheim van werk. En zeker van werk waar geld mee te verdienen valt.
Ik doe het duidelijkste werk van de wereld, en kan mezelf nog steeds heel goed rijk rekenen. Het openmaken van die envelop hoort daar niet echt bij.
Wat ik nu het liefst met m'n geld zou willen kopen is een jurk van het merk Just in case. Het is Belgisch, en de nieuwe collectie voor de zomer heet The desperate kingdom of love. Hun website, waar ik zeker driemaal daags rondhang, is Pure literature. 'Dit is het verhaal van twee vrouwen die elkaar ontmoetten op een bus.’ Daarna neemt het verhaal alras een duisterder wending. De vrouwen weten niet meteen dat ze bij elkaar horen, ‘geestelijk tweeling’ zijn. ‘Ik denk dat ze eerst hun eigen leven te leven hadden’, aldus de verteller.
Ik kan er nu wel spottend over doen, maar wat ze maken is meesterlijk en precies wat je van een jurk wil. Je gaat er rechterop in lopen. Stoutmoedig en zwierig noemen ze het zelf. Ik twijfel tussen de Scream en de Soleil.
Als mijn broer thuis is, heeft hij honderd-en-een clubjes, van jaargenoten, de Rotary, Lions, vinologen, noem ze maar op. Omdat in het vinologische clubje ook een leraar Nederlands zit, combineren ze de wijn sinds een aantal jaar met de cultuur. En daar kom ik om de hoek kijken. Als de royaltyberekening ook zou voorzien in een geografische specificatie, dan zou er een duidelijke piek in de verkoop waarneembaar zijn in een kleine gemeente in het Utrechtse heuvellandschap. De christelijke boekhandel aldaar ziet zich iedere drie jaar gedwongen tot de meervoudige aanschaf van een roman die ze zelf nooit in de etalage zouden zetten.
Mijn broer is geen lezer, maar wel loyaal aan zijn schrijvende zus. Met een doos boeken in zijn kofferbak verricht hij zendelingenwerk. De tegenprestatie is te overzien. Op een vrijdagavond wacht ik zijn telefoontje af. Het vinologisch-culturele gezelschap heeft mijn boek gelezen en wil de schrijfster graag wat vragen stellen.
Is het goed als ik je op de speaker zet? vraagt mijn broer.
Opeens bevind ik me midden in een stampende herensociëteit. De sigarenlucht komt door de telefoon mijn kamer binnenzetten. Eerst maakt de leraar Nederlands zich los van het lawaai. Hij wil me hartelijk bedanken voor de geweldige leeservaring en sommeert het gezelschap voor mij te applaudisseren. Er wordt op de tafels geroffeld en er wordt geroepen, tot mijn broer aan de grootste schreeuwerd het woord geeft.
Of ik soms een woordenboek naast m'n computer heb staan.
Eh… Ik neem mijn bureau in ogenschouw. Hoezo? vraag ik.
De man toetert: hoe kom je anders aan die moeilijke woorden?
Op de achtergrond gebrul en gelach. Ik lach hartelijk mee en krik mijn volume wat op.
Welk woord dan bijvoorbeeld?
Imaginair! brult hij. Dat woord gebruikt toch niemand!
M'n broer haast zich weer voor de telefoon: je begrijpt, Mar, er is hier wel een fles of wat doorheen gegaan.
Misschien kan ik allebei de jurken wel bestellen. Ik scheur de envelop open en blader snel door naar het laatste vel, met het vetgedrukte bedrag. Ontgoocheling, ook best een moeilijk woord.