Justitie heeft een rustkuur nodig

Wat vindt het college van procureurs-generaal nou eigenlijk van de nevenfunctie van Steenhuis bij Bakkenist? Als de top van het Openbaar Ministerie zou menen dat het adviseurschap bij een onderneming die onderzoek doet naar het functioneren van de Groningse ‘driehoek’ (hoofdcommissaris, hoofdofficier, burgemeester) te verenigen is met de functionele betrokkenheid van Steenhuis bij diezelfde driehoek, zouden wij nu een overzichtelijk probleem hebben. Naast Steenhuis zou het hele college dan het veld moeten ruimen. Niet omdat Steenhuis een sjoemelaar is, maar omdat bij de uitoefening van zo'n hoge functie zelfs de schijn van belangenverstrengeling moet worden voorkomen. Dat is een politiek-bestuurlijk en ook juridisch hecht verankerd inzicht: het Straatsburgse Hof voor de Rechten van de Mens heeft er in diverse arresten op gehamerd dat de rechterlijke onpartijdigheid boven elke twijfel verheven moet zijn.

Het is ronduit tragisch dat dit punt in alle commotie totaal uit het zicht is verdwenen. De Tweede Kamer debatteerde afgelopen dinsdag over een volkomen uit de hand gelopen conflict, waarin naar het lijkt geen van de betrokkenen wist wat hij ontketende. De dreiging van rechtspositionele maatregelen waartegen super-pg Docters van Leeuwen in het geweer kwam, heeft van meet af aan een zakelijke discussie over het toch bepaald niet onbelangrijke hoofdthema onmogelijk gemaakt. Onduidelijk is of het alleen aan hem is te wijten dat er geen ‘open discussie’ kon plaatsvinden, zoals de minister van Justitie wel stelt in haar brief aan de Tweede Kamer over deze 'gezagscrisis’. Duidelijk is dat hij uiterst onhandig heeft geopereerd. Maar dat hij uit zou zijn op 'rebellie’ of een serieuze betwisting van het ministerieel gezag is uiterst onwaarschijnlijk. Zijn actie gold de procedurele zorgvuldigheid bij eventuele maatregelen tegen Steenhuis. Op dat punt heeft hij ook begrip en steun vanuit de rechterlijke macht gekregen, zij het ietwat halfslachtig, en niet unaniem: de Amsterdamse hoofdofficier Vrakking nam opzichtig afstand.
Intussen zitten we met de brokken. Ondanks alle reorganisatieinspanningen, en nog voordat de nieuwe structuur van het Openbaar Ministerie wettelijk vorm heeft gekregen, gaat het weer mis. Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Daarover moet de politieke discussie gaan. Hebben wij hier te maken met het Van Randwijck-syndroom? De gewezen Amsterdamse pg, die als enige het veld moest ruimen na de IRT-affaire, was destijds een prominent en gewaardeerd vernieuwer van de organisatie. Nog steeds is niet duidelijk waarom nu juist hij roemloos werd afgevoerd - met een futiele discussie over zijn gouden handdruk als trap na - terwijl verder iedereen promotie maakte. De als een nachtkaars uitgedoofde debatten over de 'poppetjes’ in de afwikkeling van de parlementaire enquête Opsporingsmethoden hebben kennelijk veel onzekerheid geschapen. Dat heeft ertoe geleid dat de slechts in schijn resolute acties van het departement van Justitie door de betrokken ambtenaren als bedreigend en verwarrend zijn ervaren. Dat Steenhuis met een kortgedingdagvaarding meende te moeten zwaaien en voortijdig de publiciteit zocht over het rapport-Dolman past geheel in deze overspannen sfeer. Hetzelfde geldt voor de mededeling van Docters dat hij fysiek kapot gaat aan het beeld dat van hem is ontstaan. De geschiedenis herhaalt zich: destijds werd Van Randwijck moreel gesloopt.
De slotsom moet zijn dat de crisis niet is bezworen door publiekelijke reprimandes van de premier of door het paniekerig wegsturen van een paar ambtenaren. De regering en het parlement moeten beseffen dat zij voor de zware opgave staan het vertrouwen te herstellen. Een ideaal scenario zou zijn dat de regering, na een open debat en in een gezamenlijke bezinning met de hoofdrolspelers in dit drama, een reconstructie en analyse zou presenteren van het gebeurde en alle mogelijke achtergronden daarvan. Daarvoor zou zij dan wel de tijd moeten krijgen. Dat zijn ministers, parlementariërs en magistraten aan het volk verplicht.