Groen

Juveniele spreeuw

Ooit een damhert een poging zien doen een brug over te steken? Ik wel. Het beest stond erbij als een verspringer, vlak voor de aanloop werkelijk begint: hiel, teen, hiel, teen en de hals als de atletenhanden in gedachten al in het zand. Maar het water in het kanaal in Infiltratiegebied IV van de Amsterdamse Waterleidingduinen stroomde te hard onder de brug door, het werd uiteindelijk niet verspringen maar wegrennen. Ooit een jonge vos bijna aangeraakt? Ik wel. Hij was rood en grijs en niet ziek, zoals we aanvankelijk dachten. Hij was aan mensen zo gewend dat hij in plaats van als een damhert weg te rennen nieuwsgierig dichterbij kwam, tot de grond hem toch te heet onder de voeten werd. Ooit een dode moeflon gezien? Ik wel. Op een bord aan een nieuw hekwerk werd melding gemaakt dat er 25 moeflons uitgezet waren, onder meer om de bospest weg te vreten. ‘Nog een moeflon gespot?’ vroegen we aan iemand die zat te eten langs het hek. Nee. Driehonderd meter verderop lag een dooie, met de tekening van een wijfje en de hoorns van een mannetje. Misschien iets te veel vogelkers gegeten.
Ik was met de libellentelman op stap en we zagen heel veel libellen, maar die werden niet geteld of geïnventariseerd, want ja, het was nu eenmaal geen libellenteldag. We hadden dus al damhert, vos en moeflon, terwijl we aan het vogelen waren. Ik ben een zeer beginnend vogelkijker, dus al blij met een halfdode mus, maar ik zag een fitis en een graspieper, een boomvalk (‘Net een reuzengierzwaluw’, zei de libellentelman. Daar heb je wat aan, zo onthoud je zulke vogels) en zelfs een gekraagde roodstaart, al was die nogal wispelturig, wat lastig is als je onhandig bent met een verrekijker.
Drie dagen later at ik een broodje op het terras van De Twee Cheetahs in Artis. Een lichtbruine vogel die ik qua voorkomen herkende, durfde een stukje brood uit mijn hand te pikken. Ik dacht: dat is een juveniele spreeuw. Bij controle gaf Petersons me gelijk. Voor je het weet, ben je een volbloedvogelaar. Tenminste, ik wel.