Plinius de Jongere

Juweeltjes van zelfingenomen proza

Plinius de Jongere

De brieven

Vertaald door Ton Peters

Uitg. Ambo-klassiek, 430 blz., € 40,61

Dient literatuur fictie te zijn, of mogen ook egodocumenten tot de serieuze letterkunde worden gerekend? En hoe zit het dan met brieven en dagboeken die door de auteur zelf geredigeerd zijn? Dat de brieven van Reve een integraal onderdeel van zijn oeuvre uitmaken, zal niemand betwisten, of dat ook geldt voor de dagboeken van Hans Warren is al twijfelachtiger. Het ligt er maar aan welk doel met de publicatie wordt nagestreefd: het scheppen van een literair universum waarvan het realiteitsgehalte betrekkelijk irrelevant is, of de documentatie van een leven dat om andere redenen interessant is.

Uit de klassieke oudheid zijn nauwelijks egodocumenten bewaard gebleven. Er zijn echter twee belangrijke uitzonderingen, te weten de briefwisseling van Cicero, die niet voor publicatie was bedoeld, en de brieven van Plinius de Jongere (ca. 62 tot na 113). Deze Plinius was dermate onder de indruk van zijn eigen schrijftalent dat hij zijn brieven verzamelde, zorgvuldig bijvijlde, ordende en liet uitgeven. In hoeverre deze epistels nog als authentiek mogen worden beschouwd, is een open vraag, duidelijk is dat Plinius — voor of na het verzenden — net zo lang heeft zitten schaven tot er juweeltjes van zelfingenomen proza ont stonden.

De brieven zijn des te interessanter omdat de auteur een vooraanstaand strafpleiter en bestuurder was, die bovendien vriendschappelijke contacten onderhield met de geschiedschrijvers Suetonius en Tacitus. Bovendien is aan de door Plinius zelf geredigeerde verzameling later zijn briefwisseling met keizer Traianus toegevoegd, compleet met de antwoorden van de vorst. Omdat Plinius gedurende ongeveer anderhalf jaar ’s keizers stadhouder in het huidige Noord-Turkije was, biedt deze briefwisseling een unieke gelegenheid om het bestuurlijk reilen en zeilen in een roerige Romeinse provincie te volgen.

Ton Peters, die eerder een monumentale uitgave van Vitruvius’ handboek over architectuur verzorgde, heeft nu alle brieven van Plinius vertaald en van — naar mijn smaak iets te — beknopt commentaar voorzien. De brieven behandelen de meest uiteenlopende onderwerpen, maar enkele thema’s komen steeds terug. Zo schrijft Plinius vaak over het schrijven zelf, over zijn redevoeringen in rechtbank of senaat, of over stijlkwesties.

Tegelijk ontroerend en bevreemdend zijn de brieven aan en over zijn ruim een kwart eeuw jongere vrouw: «Zij is zeer scherpzinnig en zeer ingetogen. Zij houdt van mij, het beste teken van haar trouw. Hierbij komt haar interesse in de literatuur, die zij uit liefde voor mij heeft opgevat. Mijn werkjes neemt ze ter hand, leest ze telkens opnieuw, leert ze zelfs van buiten.» Beroemd zijn de brieven over de uitbarsting van de Vesuvius en over het vervolgen van christenen.

Peters heeft de enigszins pedante stijl van Plinius over het algemeen adequaat weer gegeven. Typerend is een zin als deze: «Kortom, heb je iets gedaan waarover men beter zwijgt, dan wordt de daad als zodanig, heb je iets prijzenswaardigs gedaan, dan word je zelf beschuldigd omdat je het niet verzwijgt.»

Het enige wat ik niet begrijp, is dat Plinius de keizer met «u», Traianus hem met «jij» aanspreekt, waar het Latijn geen onderscheid maakt. Het is dit soort muggenzifterij waarin ook Plinius excelleert.