Juwelen

In de kunst bestaat zoiets als schoonheid om wille van de schoonheid. Bloemen of een papagaai voor de sier, eigenlijk mooier en minder vergankelijk dan in het echt.

Hier en daar in veel klassieke stillevens zien we, wat er ook wordt uitgestald, kleine tekenen van verval en bederf: fruit dat begint te rotten, verlepte bloemen die aan het doodgaan zijn, dat soort licht sinistere aanduidingen. Op die manier werd op discrete wijze het kunstige schilderij een morele betekenis meegegeven: voorbij aan de schone schijn is het een vanitas die kijkers eraan moest herinneren dat aan de stralende pracht die zij staan te genieten bijna onmerkbaar de verrotting al knaagt. Vanitas is het Latijnse woord in de Vulgaat. In onze oude statenvertaling zegt Prediker: ‘IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.’ In de nieuwe vertaling heet het nu: ‘Lucht en leegte, alles is leegte’, ook heel mooi en beeldend. Maar de schilderijen zijn dubbelzinnig. Je kunt goed zien dat, ondanks de ernst van de vermaning met de onvermijdelijke dood, de schilders enorm hun best deden de bloemen zo mooi en weelderig mogelijk te schilderen. Tegelijkertijd is hun compositie meestal ceremoniëel gedragen, of statig als kerkmuziek, wat past bij de ernstige ondertoon van schilderijen die een bespiegeling zijn op de vergankelijkheid van het genoeglijke leven. Ondanks dat zijn ze doorgaans erg mooi in kleur en belichting. Dat moet, want hoe verleidelijker de schoonheid, hoe navranter de boodschap.

Maar begin achttiende eeuw zie je hoe in de schilderijen die strengheid van opbouw langzaam begint te slijten – alsof men in de frivolere atmosfeer van wat de pruikentijd heet zulke morele overwegingen ging vergeten. De perziken en de witroze pioenrozen, bijvoorbeeld, en de fraai gekrulde tulp in het Stilleven met bloemen en vruchten zijn door de schilder Jan van Huysum, in Amsterdam, met grote en aandachtige verfijning uitgewerkt. Het boeket is weelderig in arrangement. De belichting is los en beweeglijk. Het is alsof het licht even voorbijglijdt en dan het sterkst de pioenen aanlicht, en dan de druiven en de fluwelige perziken. De bloemen staan opgesteld in een vaas op een dik blad van marmer. Van de neutrale achtergrond is weinig te zien. Ze verschijnen in close-up. Anders dan vroeger zijn ze ook niet opgevat als een formele, samenhangende groepering. Van Huysum schilderde bloem na bloem – en elke bloem in precies haar unieke kleur, haar fraai gekrulde vorm. Daar tussendoor de rusteloze ornamentiek van de groene bladeren. Al die detailleringen hebben, door de helderheid van de kleuren, ieder eigenlijk hun eigen licht. Zo is dit schilderij een oogstrelende verzameling van juwelen. Er vliegt nog wel een kleine vlieg rond maar de vanitas-gedachte is toch grotendeels verdwenen. Van de vaas krijgen we, in een koket doorkijkje, twee bevallige putti te zien.

Het schilderij is vooral gemaakt om mooi te zijn – zoals ook, meer nog, de glanzende porseleinen papegaai (een ara) die in juist dezelfde tijd als het Amsterdamse stilleven gemaakt is in de befaamde Saksische Manufaktur in Meissen. Het kunstige ding is gemodelleerd door ene Johann Kirchner naar Japanse voorbeelden van zulke levensgrote keramische vogels uit het eind van de zeventiende eeuw. Papegaaien waren zeldzaam want van ver en exotisch, en daarom waren ze ook duur. Bovendien is een ara oogstrelend mooi. Precies dat is wat deze slanke versie van porselein articuleert, stralend wit met het helder gekleurde glazuur waar Meissen beroemd om was en verfijnd getekend. Een kunstige papegaai, voor de sier, eigenlijk mooier en minder vergankelijk dan een echte levende.

Er bestaat dus, in de kunst (en ik denk nog steeds) zoiets als een productie van schoonheid om wille van de schoonheid. Zoals bij een stilleven en bij de siervogel maakt die productie gebruik van dingen die, vanwege hun kleur en vorm, al mooi zijn. Het gaat, bijvoorbeeld, dan om bijzonder fraaie bloemen als tulpen of om bijzondere vlinders of mooi, grillig gevormde schelpen. Die duiken in de kunst op omdat hun schoonheid zeldzaam is en de ogen aangenaam kan verstrooien. In opvattingen uit de Renaissance, of al daarvoor, werden die dingen in verband gebracht met God als de schepper ervan. Er was rond schoonheid iets gewijds, want zij was ook het voortbrengsel van God de Kunstenaar, deus artifex.