Ger Groot

K-woord

Er is iets misgegaan op het omslag van De eeuw van Schnitzler, Peter Gays ontmaskering van de «preutse» Victoriaanse tijd die zojuist bij De Bezige Bij verschenen is. De kaft toont het schilderij Pygmalion en Galatea van de Franse Victoriaan Léon Gérôme. Beeldhouwer Pygmalion kust, gekleed in de korte tuniek van de oude schoolplaten, de zojuist tot leven gewekte Galatea. Zij is, zoals het een antiek beeld betaamt, op een haarband na naakt. Haar bovenlichaam is al mens geworden, haar benen zijn nog van marmer.

Links van beiden is een kadertje uitgesneden waarin de titel en auteursnaam staan. Bij het knip- en plakwerk daaraan ging het fout. Vanaf de onderrand loopt een breuklijntje naar rechts waarlangs de twee helften van het in tweeën gesneden schilderij een millimeter verspringen. Er zit een knakje in de benen van Galatea, net boven de knie.

De Bezige Bij kan gerust zijn: het valt nauwelijks op. Op het dijbeen letten we alleen wanneer er de zoom van een minirok overheen valt, die de grens afbakent van het getoonde en het mysterie. Zoals bij de tuniek van Pygmalion dus. Bij de naakte Galatea is het tussenbeense zélf grens en mysterie tegelijk. Daar hebben de ogen werk genoeg aan; zo’n dijbeenbreukje merkt dan niemand meer.

Volgens waarnemingspsychologen gaat de blik bij het zien van een naakt lichaam rusteloos heen en weer tussen gelaat en geslacht. Af en toe maakt hij een nauwelijks geïnteresseerd uitstapje naar de andere contouren, maar steeds weer schiet hij ijlings terug naar boven- en onderkant.

In dat laatste geval is het meestal een steelse blik. We bezichtigen het geslacht liever niet pontificaal. Er moet iets indirects en daardoor versluierds in de ogen blijven. Lang niet alleen vanwege het fatsoen of vanwege de schrik die de vagina volgens Freud teweeg zou brengen. In haar vriendelijkheid zou de natuur haar daarom met een laagje dons hebben bedekt. De begeerlijkheid wordt niet gediend door een al te naakte waarheid.

De meeste pornografie heeft dat minder goed begrepen dan de Victoriaanse perversie, die ook op Gérômes schilderij gezorgd heeft voor een zekere onbestemdheid rond Galatea’s middel. De kut is er wel, maar nauwelijks gearticuleerd. Er moet iets te gissen overblijven. Erotiek is geen spel met het geslacht, maar met het raadsel daarvan, het opwindendst wanneer het weet dat raadsel te vergroten.

Met directheid is de lust, behalve wanneer hij speelt met zijn eigen bruskering, zelden gediend. Ze schrikt af door de rauwheid van het vlees dat, zoals de pornografische filosoof Georges Bataille wist, in de geslachtsorganen nooit zomaar mooi is. Dat geldt voor de blik zoals het geldt voor de woorden. Het woord «kut» kwam er in de vorige alinea dan ook met enige moeite uit. De taal van de erotiek houdt zich het liefst aan metaforen.

Het zojuist verschenen bundeltje Pruimenpolka (L.J. Veen) maakt daar zelfs in de titel geen geheim van. Het heet De honderd beste vieze liedjes te bevatten en de k-, l- en n-woorden komen er dan ook danig aan hun gerief. Maar armoedig is de zwakberijmde en meestal krommetrische poëzie gewoonlijk wel.

Hengstenbal, padvinderij en studentendispuut zullen er, zoals samensteller Erik Nieuwenhuis veronderstelt, nog wat leven in kunnen brengen. Zonder muziek en vooral toegevoegde joligheid wordt het onverhulde recht-op-en-neer alleen draaglijk wanneer de fantasie voor enige indirectheid zorgt. «O poort, o zucht, o tuin, o lust/ O moes, o vlaai, o muis, o trut», dicht Jules Deelder in een lied dat dan wel weer ongegeneerd Kutgedicht heet.

We moeten er maar aan wennen: het vooral in meervoudsvorm onwelluidende k-woord is bovengronds gekomen. Helemaal van harte gaat dat niet. De bekende en onbekende dames die enige maanden geleden de deugden en geneugten van hun geslacht bezongen, deden dat nog onder Latijns pseudoniem: De vagina-monologen.

Pronter was de Spaanse schrijver Manuel de Prada. Kut heette de kleine typologie van de vrouwelijke sekse die anderhalf jaar geleden in een Nederlandse vertaling verscheen. Het waren charmante stukjes over die van maagden, de overbuurvrouw, buikspreeksters en natuurlijk de celliste. We wilden er niet aan. Het boek ligt alweer een maandje in de ramsj.