Ger Groot

K3-poëzie

Twee maanden geleden had ik nog nooit van K3 gehoord. Toen begon mijn dochtertje van zes te zeuren. Nu krijg ik Tele-Romeo meermalen per dag voor de kiezen. Drie meidenstemmen, plus één vanaf de achterbank, zingen: «Niemand die mij helpen kan/ Daar ben je plots, mijn ideale man.» Met weemoed denk ik terug aan de Leidse Sleuteltjes. Mijn dochters carrousel van verliefd heden stelt nu al Schnitzlers Reigen in de schaduw.

«Morgen kan ze zwanger zijn», zongen André van den Heuvel en Leen Jongewaard ooit in Op een mooie pinksterdag. Die regel veroorzaakte een nationale rel. Toch is vaderverdriet zelden zo goed getroffen en raakt de regel mij, enigszins prematuur, in het hart. Maar Annie M.G. Schmidt, die hem geschreven had, voelde zich als dichteres mislukt. Ze was kinderboeken gaan schrijven en liedjes voor volwassenen. Daarmee heeft ze wraak genomen. Haar liedjes werden de geheime poëziecanon van hele generaties. Want verzen horen we het vaakst, en het liefst, op muziek.

Geen Gedichtendag kan tippen aan één uur Radio 2 of 3, de volkszenders die bouwstellingen, viswinkels en huiskamers drenken in poëzie. Dacht Gerrit Komrij daaraan, toen hij in het kersverse poëzieblad Awater schreef: «Soms is het de muziek die het hem doet, soms zijn het de woorden, soms is het van beide iets — het is altijd de poëzie»?

En wat doet die poëzie dan wel? «Een rol spelen bij ziekte en tegenslag, bij feest en plezier, bij ingrijpende beslissingen en geestelijke noodsituaties», schrijft Komrij. Welzijnsproza waar de sarcast van vroeger wel raad mee had geweten. Maar hij heeft gelijk.

Een dag later zong Willeke Alberti in de Arena: «Morgen, Máxima, ben jij de bruid». Ingrijpende beslissing. Geestelijke noodsituatie. De tranen bleven niet uit.

Ook ik ben K3 ten slotte leuk gaan vinden. Ontroerend zelfs.

«Voel jij je ook soms zo alleen/ Met al die mensen om je heen/ Als je lacht, als je huilt en er niemand luistert?» klinkt het hartverscheurend vóór en achter mij. Met beide handen aan het stuur houd ik mij moeizaam flink.

Worden we zo gemakkelijk verleid, wanneer een beetje poëzie maar een beetje muziek wordt? Waarschijnlijk is het niet ingewikkelder. Het dagblad De Morgen legde op Gedichtendag een paar poëziekenners en smartlappen zangers zes strofen voor. Drie van echte dichters, drie uit een levenslied. Het viel niet mee ze thuis te brengen. Eén kenner wist: echte dichters rijmen niet. Dat hielp zijn score een stuk omhoog.

Dus? «Zonder haar geen hemel of aarde/ zonder haar geen zin of begin./ Zonder haar het duister alom/ door haar het licht weerom.» Geen K3, maar Simon Vinkenoog op bladzijde drie van Awater. Daartegenover staat een echt niet-rijmend gedicht: «In de metro draag ik/ een gat in mijn romp/ waardoor reizigers staren».

Het is K3’s voel-jij-je-ook-soms-zo-alleen in de Awater-versie. «Ik heb me gemaskerd/ met een zonnebril,/ waarachter mijn ogen/ onzichtbaar lijden.» Geen Jacques Herb maar A.F.Th. van der Heijden, in een rubriek die — toegegeven — «Jeugdzonde» heet.

Poëzie heeft iets met jeugdzonden, het lezen én het schrijven ervan. Ze is, net als masturbatie, een vergrijp dat je alléén bedrijft, met één hand, en waarvan bijna iedereen bezweert dat het daarna over is. Niet volgens Komrij, en hij heeft opnieuw gelijk.

«Het is een belangrijke, warme ontdekking, — dat er rondom de harde kern van getrouwen die toch al af en toe een dichtbundel kopen — zoveel mensen met een hart voor poëzie bestaan», schrijft hij.

Hij zou nog meer gelijk hebben wanneer hij de poëzie niet zo nadrukkelijk in bundels zocht. Dan hoefden de Jeltjes van Nieuwenhoven en haar klonen zich op Gedichtendag niet in bochten te wringen voor een dichterlijke ochtendwijding, alvorens over te gaan tot de orde van de dag. Ze zouden de poëzie op weg naar hun werk al vanaf de achterbank hebben gehoord. Geen heel goede poëzie misschien, maar goed masturberen kan tenslotte ook niet iedereen.

Zelf kon ik in de Morgen-test maar één gedicht thuisbrengen. Zwerversliefde van Adriaan Roland Holst: «Laten we zacht zijn voor elkander, kind.» Het circuleerde in mijn tienertijd van jongens- naar meisjeshanden, wanneer het schoolbal naderde.

Die dingen veranderen niet. Achter mijn rug zingt mijn dochtertje: «Wie heb ik aan de lijn, hallo, hallo?/ Mijn Tele-Romeo.»