Kaal en harkerig

Georg Baselitz kiest een motief en daaromheen moet hij het schilderij vol zien te krijgen. Om vlotte vingervlugheid en sierlijkheid te voorkomen, zet hij het motief op z’n kop.

Nu de meesten inmiddels gewend zullen zijn aan Duitse schilderkunst is het moeilijk je voor te stellen hoezeer een groot, korzelig schilderij als Trümmerfrau (1978) van Georg Baselitz indertijd veel mensen mateloos kon irriteren. Het maakte deel uit van een tentoonstelling in het Van Abbemuseum, Bilder 1977-1978, waarin alles wat Baselitz in die periode geschilderd had vers uit het atelier werd getoond. Tot dat experiment hadden we geleidelijk besloten. Ik wilde dat het werk zijn rauwe ongemakkelijkheid zou laten zien – ongekeurd en niet gefilterd dus door esthetische keuzes en overwegingen. Dat is ook gelukt. De expositie bestond uit 27 werken. Vijftien daarvan waren tweeluiken of zelfs vierluiken. Samen vormden ze een ongewoon helder ensemble waarin met welhaast didactische onverbiddelijkheid vooral de methode van het schilderen van Baselitz werd uitgemeten – het op z’n kop schilderen van een motief om daarna, de impulsen van het motief volgend, het verdere oppervlak te bewerken en onder spanning te zetten. Trümmerfrau heetten de vrouwen die in de naoorlogse jaren met vrijwel blote handen het puin opruimden in gebombardeerde Duitse steden waaronder Dresden (in de buurt waarvan Baselitz toen opgroeide).
In het gelijknamige schilderij zien we omstreeks het midden het gebogen hoofd van een vrouw en (misschien, langs de rechterrand) nog een stuk gekromde romp verschijnen. Het zwarte hoofd, kortaf geschilderd, verschijnt tegen vlammend rood – daarom werd het een silhouet dat een voornamelijk vlakke werking heeft. Rondom dit strakke, vlakke motief kon niet goed een suggestie van diepte tot stand komen. De vrouw (als we de vorm zo mogen noemen) wordt omgeven en vastgehouden door opeenhopingen van stukken stug en abrupt borstelwerk – zwart en blauw en grijs rondom die rode gloed. Hier en daar zwerven nog wat zwarte hoekige en gekartelde stukken lijn die in die wirwar van brokstukken van schilderwerk (ook dat is een impressie) een suggestie van architectuur teweegbrengen. Er zit wel degelijk iets gebrokens in dit schilderij dat misschien achteraf toch aanleiding is geweest voor de titel.
Deze methodische werkwijze, een onverbiddelijke exploratie rondom of vanaf een motief, verliep in Trümmerfrau nog betrekkelijk ontspannen. Maar genoeg mensen vonden, in 1979, het schilderij lelijk of zelfs grof. Er waren er ook die de methodiek als een kille procedure ervoeren. Zij vonden het een tegennatuurlijke manier van schilderen – iets heel anders tenminste dan de vrije, vloeiende werkwijze van Willem de Kooning in bijvoorbeeld Untitled II van 1976. Vergeleken met de melodische souplesse van dat fraaie, kleurrijke schilderij lijkt Trümmerfrau eerder geremd en moeizaam. Bij De Kooning is elke penseelstreek een vlotte sierlijke krul, in het werk van Baselitz zijn de streken kaal en harkerig. In hun hoekigheid heb ik ze ook wel eens gotisch genoemd.
De nieuwe Duitse schilderkunst die in de jaren zeventig met nadruk manifest begon te worden, eerst in Europa en wat later ook in Amerika, was eigengereid en dwars en werkelijk iets anders dan wat toen, vrij algemeen, als goede en mooie kunst werd gezien: stralende schilderijen als die van Willem de Kooning. Met het feit dat veel van die schilders niet abstract maar figuratief werkten, had dat niets te maken. Baselitz ziet zichzelf ook niet als figuratief. Ik kies een motief en daaromheen moet ik het ding dan vol zien te krijgen, vertelde hij me ooit (ongeveer). Hij vond dat de rechthoeken van Mondriaan, en de drie kleuren, net zo goed een gekozen motief vormen dat vervolgens de verdere bouw van het schilderij stuurt. Er kon bijvoorbeeld niet zomaar een cirkel in opduiken. Baselitz gebruikte het motief op z’n kop om voor zichzelf in het proces van schilderen een obstakel op te werpen: tegen vlotte vingervlugheid. Die sierlijkheid (van schilderstalent) wilde hij absoluut niet.
Is er dan iets Duits aan deze stugge, karige kunst? Denk dan eens aan het verschil tussen het werk van Dürer en dat van zijn Venetiaanse leermeester Giovanni Bellini die hij boven allen bewonderde. Bellini’s composities zijn prachtig buigzaam en fluwelig van kleur – de kunst van Dürer is spits getekend en eigenlijk wat kaal en stroef omdat hij, denk ik, ook de Gotiek in zijn hoofd meedroeg, volgens Goethe de echte Duitse kunst. Enigermate programmatisch en vasthoudend, net als Baselitz, was Dürer trouwens ook.
Maar ook dit: toen Baselitz inmiddels de DDR had verlaten en in West-Berlijn op de academie zat, ging de eerste reis naar Amsterdam. Liftend ging hij naar het Stedelijk om daar Picasso te zien en de Geslachte os van Soutine – alles om de benauwenis van het Oostblok uit zijn kop te wassen.

PS Tot eind februari is van Baselitz de tentoonstelling Dresdner Frauen te zien in de Staatliche Kunstsammlungen in Dresden