Op een nazomermiddag zoeft een zitmaaier over het gras van begraafplaats Hoogen Heuvel in Oss. De hagen zijn gesnoeid, de paden verlaten – over de nabijgelegen Julianasingel sjeest autoverkeer. Een oudere man loopt in geruite blouse de rustplaats op. In zijn ene hand een wandelstok, in de andere een roos. Hij gaat langs de kindergraven en de aula richting een grafsteen. Daar legt hij de bloem weg en geeft een kort knikje.

Langzaam loopt de man langs de geschakelde graven in het midden van de begraafplaats. Hoe dichter bij de uitgang, hoe groter de afstand tussen de zerken. Graniet en natuursteen worden afgewisseld met donkere, omgewoelde plekken in het gras. Bij sommige graven staat een wit bordje: of de nabestaanden zich willen melden vanwege het verlopen van de grafrechten.

Op Hoogen Heuvel is de bezetting van de graven de afgelopen decennia sterk afgenomen: één op de drie graven is onbezet, laat de gemeente weten. Doordat begraafplaatsen in Nederland geen eeuwigdurend grafrecht kennen, moeten nabestaanden na een periode van tien tot bijvoorbeeld twintig jaar bepalen of ze het graf verlengen. Kiezen ze daar niet voor, dan gaat de gemeente over tot ruiming en verdwijnen de graven.

Daarnaast komen er minder nieuwe graven bij. De grootste reden daarvoor ligt in Oss aan de andere kant van de Julianasingel, waar in de nabije toekomst een crematorium zal verrijzen. Want van alle Nederlandse uitvaarten gaat het in ruim 67 procent van de gevallen om een crematie, blijkt uit cijfers van de Landelijke Vereniging van Crematoria – in 2010 was dat nog zo’n 57 procent. Ook stijgt het aantal crematoria sterk: van 68 in 2009 naar ruim 120 in 2022.

Doordat er meer graven geruimd worden dan dat er bijkomen, staan Nederlandse begraafplaatsen onder druk. Exacte cijfers zijn er niet, maar uit een rondgang onder experts, grafdelvers en beheerders komt naar voren dat mensen minder snel kiezen voor een begrafenis. Zo laat een beheerder uit Eindhoven weten dat ook een derde van zijn begraafplaats onbezet is. ‘En ik denk dat je bijna overal een soortgelijk antwoord gaat krijgen.’

Meerdere gemeenten worstelen met de financiën van de rustplaatsen. Van de circa 3400 in gebruik zijnde begraafplaatsen in Nederland zijn er ruim 1300 in handen van gemeenten. Verschillende Brabantse begraafplaatsen moeten elk jaar tonnen bijleggen om de exploitatie rendabel te houden of proberen hun rustplaatsen af te stoten naar externe partijen. Ook in Twente, Gelderland en Limburg spelen problemen rond de uitdunning van begraafplaatsen. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) blijkt dat gemeenten in 2021 ruim zevenhonderd miljoen euro kwijt zijn aan milieubeheer en het beheren van begraafplaatsen.

‘Veel begraafplaatsen kunnen kaalslag niet voorkomen’, zegt Gerrit Verhagen. ‘Als ze alle grafmonumenten laten staan waarvan de grafrechten verlopen, is er geen stimulans meer voor nabestaanden om grafrechten te betalen.’ Verhagen is eigenaar van Piëtas BV, gespecialiseerd in het beheren van begraafplaatsen: van het advieswerk tot het ruimen van graven. In Nederland is er een tiental bedrijven dat hetzelfde doet, naast aannemers die het werk ‘erbij’ doen.

Volgens Verhagen ruimen de meeste begraafplaatsen in eerste instantie ‘bovengronds’. Dan wordt de grafsteen verwijderd, maar blijven de resten liggen – het scheelt in de kosten. ‘Pas als de grond nodig is voor nieuwe plekken, zal er “ondergronds” worden geruimd.’ Verhagen werkt in het midden en zuiden van het land, hoofdzakelijk in steden, geseculariseerde gebieden en katholieke regio’s. ‘In meer protestante gebieden, zoals de Biblebelt, is de begrafeniscultuur sterker.’

Naast de populariteit van cremeren zijn er nog andere oorzaken voor de dalende bezetting op reguliere begraafplaatsen. Zo is er de opkomst van natuurbegraafplaatsen, waarbij in een natuurgebied wordt begraven – zonder grafsteen of een tijdelijke markering als een boomschijf – en de overledene opgaat in de natuur.

Bovendien is er de opgraving met herbestemming, waarbij nabestaanden na minimaal tien jaar grafrust hun geliefden laten opgraven. Dan kan de overledene alsnog gecremeerd worden of verplaatst worden naar een ander kerkhof, een natuurbegraafplaats of familiegraf. Dat laatste komt doordat nabestaanden hun geliefden weer dicht bij zich willen hebben, bijvoorbeeld in een urn in de woonkamer, maar ook omdat de verzorging van het graf tegen gaat staan of omdat ze de grafrechten niet willen verlengen.

Natuurbegraafplaats Koningsakker in Arnhem. Oktober 2019 © Koen Verheijden / ANP

Op de algemene begraafplaats van Bemmel staat funerair expert René ten Dam voor het graf van Herman Fleury (1910-1930). Het is een zonnige maandagmiddag, op twee hoveniers na is de begraafplaats verlaten. Om de schouder van Ten Dam (53) hangen twee camera’s. Vlak voor het grafmonument staat een bordje, er is een telefoonnummer te lezen en een tekst waarbij de nabestaanden van Fleury worden opgeroepen zich te melden – de grafrechten zijn verlopen.

‘Grote begraafplaatsen kennen we pas sinds 1829, toen het verboden werd om in kerken te begraven’

Ten Dam komt dat soort bordjes vaker tegen, vertelt hij. Als onderzoeker inventariseert hij oude kerkhoven, begraafplaatsen en grafmonumenten, vaak in opdracht voor gemeenten, parochies en stichtingen. ‘Na zo’n twintig tot dertig jaar kunnen nabestaanden het graf verlengen of moet een graf geruimd worden. In de gevallen van de bordjes is de nabestaande niet meer bekend.’

De funerair onderzoeker wijst naar het grasveld waar de hovenier net heeft gemaaid, aan de andere kant van het pad. ‘Hier lagen waarschijnlijk graven die zijn geruimd’, zegt hij. Bij een haag iets verderop, die de grens van de begraafplaats markeert, ligt een platte zwarte steen zonder tekst. ‘Grote kans dat dat het verzamelgraf is waar de geruimde resten liggen.’

Hoe verder Ten Dam de begraafplaats op loopt, hoe recenter de sterfdata op de zerken: bemost natuursteen maakt plaats voor gepolijst graniet; de letters worden beter leesbaar, sierlijker – op de meest moderne exemplaren staan foto’s, kleine kunstwerken en verse bloemen. Op het einde van het grindpad staat een stenen huisje, waar vroeger overledenen werden opgebaard. Schuin daarvoor liggen kindergraven en iets verderop een strooiveld voor as, met uitzicht op de akkers die de rustplaats omsluiten.

Ten Dam knikt tevreden, het kerkhof is goed onderhouden. ‘Ik geef vaak advies bij het onderhouden en behouden van begraafplaatsen, maar ook over welke grafmonumenten cultuur-historisch waardevol zijn.’ Naast het in kaart brengen van de plek doet hij veel archiefwerk. Daarbij kijkt hij niet alleen naar ‘belangrijke mensen’, zoals verzetshelden of bestuurders, maar ook naar mensen die een afspiegeling van de lokale gemeenschap vormen. ‘Dat kan ook een onderwijzer of een vroedvrouw zijn.’ Ook kijkt hij naar het materiaal, de symboliek en hoe de begraafplaats is ingericht. ‘In de vormgeving zie je vaak trends uit die tijd terug. Zo was er met de opkomst van de Amsterdamse school in de architectuur een toename van bakstenen grafmonumenten.’

Zijn passie voor begraafplaatsen ontstond tijdens zijn studie. Hij begon de graven van zijn favoriete dichters te bezoeken. Zo was hij op achttienjarige leeftijd onder de indruk van het graf van Gerrit Achterberg (1905-1962) – een grote zwerfkei op begraafplaats Rusthof in Leusden. Ook kwam hij veel op Soestbergen in Utrecht. ‘Die enorme rotonde met grafkelders, de natuur, de imposante monumenten – ik kom er nog altijd meerdere keren per jaar.’

In 2001 was Ten Dam een van de initiatiefnemers van dodenakkers.nl, een stichting die zich inzet voor het behoud van Nederlands funerair erfgoed. Samen met een aantal erfgoedexperts en vrijwilligers schrijft hij artikelen en zette hij een database op met alle Nederlandse begraafplaatsen. Langzaam kwamen er steeds meer adviesaanvragen van begraafplaatsen binnen, waardoor Ten Dam zijn baan als teamleider bij een energiebedrijf opzegde en zich als zelfstandige sinds 2015 volledig richt op onderzoek en advieswerk. ‘Simpelweg help ik eigenaren met plannen voor hun begraafplaats: welke monumenten zijn waardevol en behouden we voor de toekomst?’

In 2020 publiceerde de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen (lob) het rapport De begraafplaats van de toekomst met als ondertitel Van hoofd naar hart, in opdracht uitgevoerd door adviesbureau Morbidee. Volgens de onderzoekers moeten beheerders meer ‘verbinding zoeken’ met het publiek – rustplaatsen moeten meer zijn dan enkel een plek waar nabestaanden heen gaan om een overledene op te zoeken.

Daarbij benadrukken ze dat het niet om grote veranderingen gaat, maar vooral om een omslag in denken. Zo pleiten ze niet alleen voor het hanteren van de naam ‘gedenkplek’ in plaats van ‘begraafplaats’ – wat volgens hen uitnodigender klinkt, maar ze stellen ook voor om de bedreigingen – kosten, verouderde regels, cremeren en nieuwe trends – te incorporeren in de begraafplaats. Denk daarbij aan een urnenmuur, het inrichten van een gedeeltelijke natuurbegraafplaats op de eigen begraafplaats en het organiseren van activiteiten, bijvoorbeeld een klassiek concert.

‘Kijk naar de bibliotheek. Vroeger kon je daar enkel studeren en boeken lenen, tegenwoordig is er vaak een koffiecorner, zijn er lezingen door schrijvers en activiteiten met kinderen’, vertelt Anja Vink, voorzitter van de lob en directeur van de rooms-katholieke begraafplaats Buitenveldert in Amsterdam. ‘Wij moeten daar ook heen. Er is steeds meer vraag naar plekken voor islamitische graven, en veel begraafplaatsen reserveren daar nu een gedeelte voor.’

Vink pleit voor het verlagen van de drempel voor contact. Zo merkt ze, ook op haar eigen begraafplaats, dat ondanks groeiende aandacht in de media voor de dood, mensen toch nog steeds schroom voelen om op de rustplaats te komen, zeker als ze er niemand hebben liggen. ‘De dood blijft beladen en we praten er liever niet over. Als er minder begraven wordt, komen mensen minder in aanraking met begraafplaatsen en blijft die drempel ook hoger.’ Een manier daarvoor zijn activiteiten, zoals een zondagmiddagpodium, of speciale aandacht tijdens moeder- of vaderdag. Een lunchgelegenheid, met samenkomsten voor alleenstaanden, of op een verloren plek een speeltuintje voor kinderen, zodat er ‘wat meer leven is op de begraafplaats’.

Niet alleen de opkomst van cremeren zorgt voor een dalende bezetting op reguliere begraafplaatsen

Maar ze benadrukt dat de begraafplaatsen ‘wel vanuit hun eigen kracht’ moeten denken. Zo benoemt ze ‘unieke plekken’ als Zorgvlied of Westerveld, waar ook het eerste crematorium van Nederland staat, ‘of het prachtige Begraafpark Heilig Land Stichting’. Ook kent haar eigen begraafplaats graven van bekende Nederlanders, zoals Wim Sonneveld. Maar waar het om gaat, zegt ze, is dat niet alles op elke begraafplaats past. ‘Kijk naar wat mogelijk is en wat er past. Begraafplaatsen zijn een basis voor het verwerken van verdriet. Maar uiteindelijk kiest de burger hoe het afscheid eruitziet, en als dat cremeren is in plaats van begraven, dan is dat nu eenmaal zo.’

Begraafplaatsen vormen vaak groene zones – zeker in dorpen en steden waar veel versteende omgeving is. ‘De biodiversiteit van begraafplaatsen wordt vaak onderschat’, vertelt Korrie Korevaart, bestuurslid van Terebinth, een stichting die zich inzet voor het behoud van funerair erfgoed. ‘De begraafplaatsen zijn goed voor de ontwikkeling van planten en dieren en bieden goede afwatering in bebouwde omgeving.’ De grond van het kerkhof is niet stenig en houdt water vast.

Korevaart zet zich in voor het behoud van begraafplaatsen die dreigen te verdwijnen, onder meer in Rockanje en Naaldwijk. ‘Ik zie de begraafplaats ook als een groene, niet-versteende plek in de stad, niet enkel als een rustplaats.’ De begraafplaats in Rockanje is inmiddels behouden, de graven zijn geïnventariseerd en de beplanting is hersteld. ‘Het heeft nu ook de functie van een dorpspark, waar mensen op een bankje komen zitten of een boek lezen.’

Dat betekent volgens het bestuurslid niet dat alle begraafplaatsen in Nederland koste wat kost behouden moeten blijven. ‘We moeten zorgvuldig kijken naar welke begraafplaats een toegevoegde waarde heeft: dat geldt zowel voor de uniciteit van de begraafplaats als de omgeving.’

Daartegenover lijkt het haar ook onverstandig om zomaar begraafplaatsen te gaan sluiten. Zo bestonden in de jaren tachtig, met stijgende prognoses over de sterftecijfers, zorgen of er wel genoeg graven beschikbaar zouden zijn en begonnen begraafplaatsen uit te breiden – achteraf voorbarig. Korevaart pleit daarom voor een meer integrale benadering, waarbij over de grenzen van de individuele begraafplaats heen wordt gekeken.

Een plek waar dat gebeurt, is in de regio Breda, waar de Stichting Begraven & Crematoria Zuylen zowel begraafplaatsen beheert als een eigen crematorium uitbaat. In de negentiende eeuw startte de stichting met het verzorgen van uitvaarten en het uitbaten van twee begraafplaatsen, in 1978 kwam daar een crematorium bij. ‘We merkten dat in de decennia daarna minder begraven werd en meer gecremeerd’, vertelt directeur Roel Stapper. ‘Begraafplaatsen in de stad en omliggende begraafplaatsen kregen het daardoor zwaarder en klopten bij ons aan of wij wat konden betekenen.’

In de jaren daarna werd het beheer van de begraafplaatsen, van zowel katholieke als protestantse signatuur, ondergebracht bij de organisatie van Zuylen. ‘Ze horen nog steeds bij hun eigen parochie of organisatie’, vertelt Stapper. ‘Maar wij nemen de graaftechniek, de administratie en soms het groenonderhoud uit handen. Op die manier besparen de begraafplaatsen kosten.’

Door deze constructie zijn de begraafplaatsen onder het beheer van Zuylen toekomstbestendig. ‘Ik weet dat het niet overal kan’, zegt Stapper, ‘maar het zou het mooiste zijn als begraven en cremeren niet concurreren, maar samen kunnen gaan, waarbij het crematorium de economische kern is waarmee de kosten van de begraafplaats gedragen kunnen worden.’

Funerair expert René ten Dam staat op de begraafplaats in het Gelderse Bemmel bij het oude gedeelte. Op een steen staat een vers geschreven. Hij leest de tekst hardop voor. ‘Wat gij nu zijt/ was ik voor dezen/ wat ik nu ben/ zult gij haast wezen.’ ‘In die tijd werd anders naar de dood gekeken dan nu’, zegt hij. Tegenwoordig zijn grafmonumenten zeer persoonlijk, deze spreuk uit de jaren dertig is meer gericht op de passerende bezoeker en stichtelijker van aard.

Hij hoopt dat begraafplaatsen weer een actievere plaats in de openbare ruimte krijgen en in de levens van mensen. Dat kan in kleine dingen zitten. Zo zag Ten Dam een onderwijzer uit Vlissingen die haar leerlingen op de begraafplaats lesgaf over fossielen – in hardsteen zijn vaak restanten terug te vinden van zee-organismen. ‘Het had niet per se iets met de dood te maken, maar zo kwamen de kinderen toch op de begraafplaats. Dat verkleint de afstand.’

Op de vraag of het erg is dat er steeds minder begraven wordt, reageert hij mild. ‘Dat is niet eenvoudig met ja of nee te beantwoorden’, zegt hij. Gebruiken veranderen nu eenmaal, en dat is prima. ‘Grote begraafplaatsen kennen we bijvoorbeeld pas sinds 1829, toen het vanuit hygiënische redenen verboden werd om in kerken te begraven, wat daarvoor veel gebeurde.’

Waar Ten Dam zich wel zorgen om maakt, is het financiële plaatje. ‘Het moet betaalbaar blijven, anders kiezen mensen sowieso minder snel voor begraven – en vanuit cultuur-historisch perspectief zou dat jammer zijn.’ Daarbij worden urnen tegenwoordig na crematies steeds minder vaak bijgezet op kerkhoven – die komen toch vooral in de woonkamer terecht, of de as wordt uitgestrooid.

Ten Dam loopt richting de auto, om de volgende begraafplaats te fotograferen, in Angeren, zo’n acht kilometer verderop. ‘De begraafplaats is een dwarsdoorsnede van de maatschappij door de tijd heen’, zegt hij. ‘Hoe minder mensen worden begraven, hoe minder zichtbaar de dood is.’