De veerkracht van Den Helder

Kaatje doe de deur eens open

Door de bezuinigingen op Defensie verliest Den Helder opnieuw veel werkgelegenheid. Maar de stad is wel gewend aan tegenslag en elke keer rechtte men de rug. Nu is het zaak de reiziger naar Texel te verleiden. ‘Er is echt wel wat te zien.’

GELUKKIG IS HET tempo van de boemeltrein vanuit Alkmaar niet bepalend voor de pogingen om Den Helder uit het slop te halen. ‘Voor dat doel heeft Den Helder Napoleon uit de kast gehaald’, zegt stadshistoricus Marinus Vermooten (65). ‘Hij staat zelfs op het briefpapier van de gemeente en wordt op allerlei manieren herdacht.’ Het was immers de Franse keizer die Den Helder op 14 oktober 1811 als marinebasis op de kaart zette. Tweehonderd jaar later zit de stad in de problemen.

Den Helder heeft een bewogen geschiedenis. In weinig jaren is het aantal inwoners teruggelopen van 63.000 tot 57.207. Door zijn gunstige ligging kan de haven het Nieuwediep voor nieuwe welvaart zorgen. De haven is een perfecte uitvalsbasis voor aanleg en onderhoud van windmolenparken en straks voor de ontmanteling van olie- en gasplatformen op de Noordzee. Maar daar is een investering van drie- tot vijfhonderd miljoen euro voor nodig.

‘Kiezen voor doorgaan op de huidige weg, zonder nadrukkelijke en gerichte interventies, geeft geen of weinig uitzicht op het keren van het tij’, waarschuwen oud-minister Wim Deetman en Jan Mans, oud-burgemeester van Enschede, in hun rapport over de achterliggende oorzaken van de negatieve demografische ontwikkelingen in Den Helder en de omliggende regio, dat op verzoek van het ministerie van VROM en de gemeente Den Helder werd gemaakt. ‘De economische groei blijft dan uit. De bevolkingsafname zet verder door. De gewenste verbetering van de woon- en leefomgeving wordt beperkt gerealiseerd. Er is dan een echt krimpscenario aan de orde waarbij alle zeilen moeten worden bijgezet om de kwaliteit van het voorzieningenniveau overeind te houden.’

Koos van Dongen (61) heeft tien jaar in de gemeenteraad gezeten voor de door hem opgerichte Stadspartij. ‘Ik heb de afgelopen tien jaar de elkaar aflossende colleges van b. en w. horen roepen dat ze de binnenstad willen renoveren. Elke keer als ze een idee hadden, werd er een adviesbureau ingeschakeld. Dat heeft tonnen gekost. Binnen een jaar was het oorspronkelijke plan volkomen veranderd. Neem het ontwerp voor de ontwikkeling van de oude rijkswerf Willemsoord tot toeristisch stadspark. Een winkelier roept dat er voor de auto’s een weg omheen moet. De ontwerper moet terug voor ruggespraak met gemeente en winkeliers. Ik weet zeker dat als ik naar Bosnië ga het er knapper uitziet dan hier.’ Het is Deetman en Mans ook opgevallen: ‘De gemeenteraad stuurt soms wisselende signalen uit over het te voeren beleid in de stad door op eerder genomen besluiten terug te komen en discussies opnieuw te starten. Dit leidt tot vertragingen.’

‘We weten allemaal dat Rotterdam door de Duitsers is gebombardeerd’, zegt de ondernemer Ton van der Wal (59). ‘Maar dat Den Helder 117 bombardementen heeft overleefd is nauwelijks bekend. Tijdens de meidagen van 1940 door de Duitsers, tijdens de bezetting door de Engelsen om de reparatiewerven voor schepen te vernietigen. Aan de Kanaalweg stonden patriciërshuizen. Samen met de huizen aan de dijk zijn ze op last van de Duitse bezetter gesloopt voor de Atlantikwall, de 2685 kilometer lange verdedigingslinie ter voorkoming van geallieerde invasies. Dat heeft de stad getekend.’

De Visbuurt met de Oranjestraat, Spoorgracht en Van Hogendorpstraat is de oudste en een van de aardigste wijken van Den Helder. Het stratenplan is er nauwelijks gewijzigd. Het is een wijk met een eigen geschiedenis, een actieve bewonersvereniging en een groot saamhorigheidsgevoel. Het was aanvankelijk een wijk met kleine huisjes voor mensen met een smalle beurs. Ze vielen elkaar nooit af. Ze hielpen elkaar tijdens het verval van de haven het Nieuwediep aan het eind van de negentiende eeuw en tijdens de crisis van de jaren dertig. De buurt werd Pilo genoemd, omdat de daar wonende arbeiders bij de visverwerkende bedrijven pilo werkkleding droegen. Die kleding werd gemaakt van een weefsel van half linnen en katoen. Een bewoner werd pas Pilower genoemd als zijn ouders en grootouders in Pilo waren geboren.

‘Er bestaat nog één van die huisjes’, vertelt Ton van der Wal. ‘Het was niet zozeer een vissersbuurt, ook al woonden er veel Urkers, maar een buurt met wel zes, zeven visrokerijen, inleggerijen en andere bedrijven voor de verwerking van vis.’ Hij herinnert zich hoe hij als jongen van tien zondagsavonds als hij in bed lag om twaalf uur deuren open hoorde gaan van vissers die op klompen naar de haven gingen. ‘De schippers droegen in een theedoek een juspan waarin voor drie, vier dagen gesudderd vlees onder vet was gezet. Dat was voor aan boord. Dat is allemaal voorbij. Nieuwediep, zoals Den Helder vroeger werd genoemd, heeft nog maar zes grote kotters en vlagkotters die vanwege het geringe visquotum onder vreemde vlag varen.’

ZEVENTIG JAAR NA het begin van de Tweede Wereldoorlog noemt Peter Reenders (61), raadslid van de Stadspartij, Den Helder wederom een stad in ontwikkeling: ‘De ingrijpende stadsvernieuwing in de jaren vijftig is niet geslaagd. In de jaren zeventig moesten bovendien voor dijkverhoging historische panden worden gesloopt. De nieuwe Beatrixstraat is nooit een echte winkelstraat geworden, omdat hij te breed is. Het Stadshart moet opboksen tegen moderne winkelcentra in de drie woonwijken Nieuw Den Helder, de Schooten en Julianadorp. Bij deze winkelcentra is voldoende gratis parkeergelegenheid, terwijl in het Stadshart voor parkeren moet worden betaald.’ Hij vertelt dat het Stadshart met de oude rijkswerf Willemsoord, de haven en de Stelling Den Helder zijn aangewezen voor vernieuwing. Afgesproken is dat de provincie Noord-Holland en de gemeente Den Helder hiervoor samen vijftien jaar lang elk 2,5 miljoen euro inbrengen. ‘Maar’, voegt hij eraan toe, ‘de provincie stopt daarmee al in 2014. De financiële problemen die Den Helder toch al heeft, doordat Defensie veel banen op de marinewerf heeft geschrapt, worden daarmee alleen maar groter.’

De vraag is waarom dingen in Den Helder niet goed van de grond komen. ‘In de Helderse Courant staat dat het nog wel tien jaar zal duren voordat de kosten en baten op de oude rijkswerf Willemsoord in evenwicht zijn’, meldt stadshistoricus Vermooten. ‘De marinecultuur verhindert dat er dingen in Den Helder van de grond komen’, luidt de conclusie van Koos van Dongen. Voorbeelden zijn chicanes bij het gebruik maken van de open havenverbinding en kades door bedrijven. ‘In feite worden we geterroriseerd door de marine. De nieuwe marinewerf is nog altijd de grootste werkgever in Den Helder. Als die dichtgaat, betekent dat het einde van heel veel bedrijven die ervoor werken. De groenteboer kan zonder de marine niet bestaan. Het is deze werkelijkheid die Den Helder zo kwetsbaar maakt.’

En wat schrijven Deetman en Mans in hun rapport? ‘De dominantie van de marine in de afgelopen decennia wordt in diverse gesprekken aangegeven als de belangrijkste oorzaak voor de manier van functioneren van de stad, het bestuur en de maatschappelijke organisaties. Deze dominante speler in Den Helder heeft grote invloed op de stad, op het bestuur en op de economische ontwikkelingsmogelijkheden en kan verlammend werken op het ondernemerschap van de stad.’ De marine heeft veel gebracht voor de stad. Maar de afgelopen decennia is door de marine een krimpstrategie gevolgd van dertigduizend arbeidsplaatsen naar slechts ruim tienduizend, zonder noemenswaardige ruimte voor andere ontwikkelingen.

De rijkswerf is sinds de oprichting door koning Willem I in 1813 altijd een belangrijke werkgever geweest in Den Helder. Haar positie werd machtiger toen de regering net voor het eind van de negentiende eeuw Den Helder aanwees als de belangrijkste marinestad van het land, na de desastreuze gevolgen van de opening van het Noordzeekanaal voor de economie en werkgelegenheid van de stad. Technisch stond de werf toen al op een hoog peil. Een door stoom gedreven koopvaardijschip van enige omvang kon voor reparaties alleen op de rijkswerf terecht. Om die positie te behouden waren steeds meer vakmensen nodig. Gevolg was dat er zowel op de werf als op de vloot een arbeiderselite ontstond die zich begon te ontworstelen aan het proletariaat. Die arbeiders waren in vaste dienst en kregen een vast loon als ze zich maar netjes gedroegen. De vice-admiraal, als hoofd van de werf, verstond daaronder dat ze zich onthielden van politiek en nieuwlichterij als vakbonden en arbeiderspartijen.

Volgens de Helderse schrijver drs. Gus H. van Heusden bestond door die ontwikkeling na 1900 de bevolking van Den Helder voor negentig procent uit een elite van keurige mensen met een vast, zij het niet overmatig inkomen. Iedereen voelde zich boven iedereen verheven. Als er iemand werd bevorderd, verhuisde hij meteen naar een betere stadswijk. Het proletariaat werd gevormd door armoedzaaiers, die na de teloorgang van de transitohaven overbleven in de achtergebleven wijken. Deze standenmaatschappij viel uiteen toen op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak en de marine naar Engeland uitweek. Maar de geest ervan waart volgens Van Dongen nog altijd rond in Den Helder.

HET ONDERNEMENDE echtpaar Els en Leo Ellen stimuleert volgens velen op een bewonderenswaardige wijze het culturele leven in Den Helder. Zonder subsidie en vaak tegen de stroom in. In hun pal tegenover Willemsoord gelegen evenementengalerie Windkracht 13 hebben ze het vaak aan de stok met de Helderse ambtenarij. Els (59) noemt dat gevechten met paarse krokodillen. ‘Je mag wel een café hebben met kunst, maar geen kunst met een bar’, zegt ze. Behalve exposities en kunstuitleen worden er in Windkracht 13 voorstellingen en lezingen gehouden en vergadert de politiek er, maar de Ellens mogen de bezoekers na afloop geen drankje aanbieden. ‘Dat is toch kleinzielig?’

Voor de Ellens is Den Helder een stad met een gouden randje. Op de Vlootdagen passeren duizenden bezoekers hun galerie, maar op de terugweg slaat niemand af naar Den Helder. ‘Het lijkt wel of de stad afgeschermd wordt. Er is echt wel wat te zien’, zegt Els. ‘De catering was ditmaal vanwege de bezuinigingen in handen van een Belgisch bedrijf. De Helderse ondernemers hadden het nakijken. Dat is toch een dolksteek in hun rug?’

In het verleden is er sprake van geweest dat in Den Helder een dependance van een jazzfestival zou komen, vertelt Leo (59). ‘Dat zou een prachtkans geweest zijn. De entourage is er. De prachtige gebouwen van Willemsoord! Helaas, het jazzfestival gaat naar Texel.’

De veerboot is in handen van de Texelaars. ‘Die zorgen er wel voor dat er niets van Den Helder op hun eiland voet aan wal krijgt’, zegt Els. ‘Als wij de Dag van de muziek organiseren, mogen we op Texel geen folders rondbrengen. De Texelaars kunnen nooit naar onze schouwburg, want ze moeten de boot van tien uur halen. Wat ons op de been houdt is dat we van onze stad houden en er iets voor willen doen. Dat er kledingwinkels verdwijnen, komt door de geest van deze tijd. Mijn kinderen kopen alles via internet. We hopen dat Den Helder het redt, en mensen laat ondernemen in plaats van geld over de balk te gooien. De ontwikkeling van de Westergasfabriek in Amsterdam vinden wij een goed voorbeeld voor Den Helder. Het is fantastisch om te zien hoe afgeschreven oude gebouwen op een verlaten terrein een tweede leven hebben gekregen en hoeveel mensen daarop af komen.’

Marinus Vermooten noemt in dit verband Willemsoord een groot probleem: ‘Het is op het ogenblik een schip van bijleg. Het had met tal van toeristische evenementen in de gerestaureerde gebouwen veel bezoekers moeten trekken. Het had Den Helder op de kaart moeten zetten. Dat wil men nu met de verering van Napoleon bereiken. Ik heb daar in een ingezonden brief kritische kanttekeningen bij geplaatst. Natuurlijk heeft Napoleon tijdens zijn bezoek aan Den Helder in 1813 de stoot gegeven voor de marinehaven en de fortificaties, maar hij heeft met zijn inval in Rusland ook honderden soldaten de dood in gejaagd. Niet alleen Fransen, maar ook gedwongen soldaten uit de bezette landen. Hij was ook niet echt populair in Den Helder en is hier nooit eerder herdacht.’

Wat in Den Helder écht speelt, is de leegstand in de binnenstad, zegt Vermooten: ‘Pas sloot Hans Textiel de deur. Het zuidelijk deel van Den Helder, en met name Julianadorp, winkelt in Schagen. Dat is voor de mensen daar even ver als de binnenstad van Den Helder, en veel gezelliger.’ Vermooten hekelt ook de trage spoorwegverbindingen tussen Den Helder en het achterland: ‘De boemel tussen Alkmaar en Den Helder stopt bij alle tussenliggende plaatsen. Tussen Schagen en Den Helder ligt nog steeds een enkel spoor, sinds 1865. De wegverbindingen met het achterland zijn ook niet ideaal. In de jaren vijftig en zestig is het heel goed gegaan met Den Helder. Er werd veel gebouwd. Met de visserij ging het toen ook goed. Nu niet meer. V&D was twee keer zo groot als nu. De klad is er eind jaren tachtig, begin jaren negentig in gekomen. Ooit zouden we een stad van 150.000 inwoners worden. Elke keer lees je nu in de krant dat er weer tientallen mensen Den Helder de rug hebben toegekeerd. Het zijn vooral gezinnen met jonge kinderen die vertrekken. Buiten de marinewerf is hier weinig werk.’

Den Helder heeft in het verleden meer stormen overleefd. Door grootschalige bezuinigingen bij de marine in de jaren negentig gingen in Den Helder en de regio zesduizend arbeidsplaatsen verloren. Niet alleen bij de marine, maar ook bij toeleveranciers en dienstverlenende bedrijven. Dat dreigt opnieuw door de ink

rimping van de marine. Maar raadslid Reenders is ervan overtuigd dat Den Helder de potentie heeft om deze tegenslagen de baas te worden: ‘36 jaar geleden heb ik me in Den Helder gevestigd. De stad en de omgeving hebben mijn hart gestolen. Ik zal nooit meer een andere woonplek zoeken.’ Tegenover de teruggang van de visserij plaatst hij de groei van de offshore-sector: ‘De haven en het vliegveld De Kooy vormen vanuit Nederland al jaren de beste verbinding met de booreilanden op de Noordzee.’ Willemsoord ontwikkelt zich volgens Reenders ondanks alle kritiek tot een levendig stadsdeel met restaurantjes, terrassen, een bioscoop, het Reddingsmuseum en Marinemuseum, de ijsbaan, het kinderspeelparadijs en de jachthaven. ‘Met het kilometers lange schone strand, de duinen, het bos, de bollenvelden, de golfbaan, de watersport, het Wad, de dijk, campings, vakantieparken en hotels plus de meeste zonuren van Nederland is het voor de toerist ook goed verblijven in Den Helder.’

Maar het blijft merkwaardig dat Den Helder niet profiteert van de stroom reizigers die op weg naar de boot naar Texel Willemsoord passeren. Een van de oorzaken daarvan is volgens Deetman en Mans het ontbreken van een eigen toeristisch profiel om deze mensen tot een verblijf in Den Helder over te halen.

DE OPENING VAN het Noordzeekanaal op 1 november 1876 door koning Willem III was de grootste tegenslag in de geschiedenis van Den Helder. De opheffing van het verbod in 1851 om goederen voor Amsterdam in Den Helder te lossen en te laden had in korte tijd de haven het Nieuwediep aan de monding van het Noordhollands Kanaal veranderd in een bedrijvige internationale transitohaven. De Maatschappij Nederland, KNSM, Java en andere rederijen streken er neer. Vrachtschepen voerden steenkool uit New Castle, Sunderland en Cardiff aan. Zeilschepen losten graan uit de Verenigde Staten en het Russische Odessa. Tegelijkertijd werd Nieuwediep, dankzij de spoorwegverbindingen met Alkmaar en Haarlem, ook een belangrijke aanvoerhaven voor verse vis.

De Jutters uit het oude Helder, de Nieuwediepers en de Pilowers waren daar zelf nauwelijks bij betrokken, omdat ze het als vletterlieden te druk hadden met het beloodsen van koopvaardijschepen, of omdat ze als havenarbeiders betrokken waren bij het laden en lossen van de schepen. Er was zoveel werk dat ook Texelaars en Wieringers er goed konden verdienen. De hotels Den Burg en Bellevue openden hun deuren voor dagelijkse gasten en passagiers voor de lijnboot naar Indië. Uiteraard, zoals het een internationale haven betaamt, was er geen gebrek aan cafés en huizen van plezier.

Er ontstond onrust in Den Helder toen bekend werd dat de Amsterdamsche Kanaal-Maatschappij een begin had gemaakt met het doorgraven van ‘Holland op z’n smalst’, het smalle stuk duinen bij Velzen, voor het tot stand brengen van een directe verbinding tussen Amsterdam en de Noordzee. Doorgraven van de duinen was een riskante onderneming. Men was ervan overtuigd dat dit voor Den Helder snode plan zou mislukken, omdat de Kanaal-Maatschappij door pech werd achtervolgd, aannemers failliet gingen en de secretaris van de maatschappij achter de tralies verdween wegens frauduleuze handelingen. Daarom zongen de Nieuwediepers en de Jutters uitdagend: Laat de vrees u niet weerhouden/ Voor het nieuwe Noordzeekanaal/ ’t Levend zand stelt alle moeite/ Alle werk daar perk en paal/ Onze haven zal wel blijven/ Wat zij lang reeds is geweest/ Een der rijkste levensbronnen/ Voor Den Helder – ’t viert dus feest.

Ze zagen die tegenslagen voor de Kanaal-Maatschappij als het ingrijpen van een hogere macht. Wat dachten ze wel in Amsterdam, dat ze Holland op z’n smalst straffeloos door konden graven? Maar er hielp geen moedertje lief aan voor Den Helder. De doorgraving werd een feit en op 1 november 1876 voer de Rembrandt van de KNSM ongehinderd van Dungeness via IJmuiden naar Amsterdam. De gevolgen voor Den Helder waren desastreus. Vele malen erger dan het krimpen van de marine in onze dagen. Het was het einde van het Nieuwediep als transitohaven. De ene na de andere rederij verhuisde van Den Helder naar Amsterdam. De grotere mogelijkheden van het nieuwe IJmuiden voor de verwerking, aanvoer en vervoer van vis leidden ook tot het einde van Den Helder als grootste vissershaven van het land. De KNSM liet Den Helder onmiddellijk in de steek, de directie van de Maatschappij Nederland keek de kat nog even uit de boom, bang als ze was voor verzanding van het Noordzeekanaal.

Nog even vlamde de hoop op toen door zware stormen schepen niet in IJmuiden konden binnenlopen, terwijl ze met gemak met stormweer of met strenge vorst in het Nieuwediep konden binnenvallen. Maar eind april 1879 verruilde ook de Nederland Nieuwediep voor Amsterdam. Nieuwediep werd daarmee een oord van verschrikking. Omdat er geen schepen meer binnenkwamen, was er geen werk meer voor havenarbeiders en vletterlieden, zagen de winkeliers die een rijk bestaan hadden door de leveranties aan de koopvaardij hun omzet tot nul gereduceerd en konden ook de vele cafés en de huizen van plezier hun deuren sluiten.

De klap van deze crisis kwam niet aan in de wijken die bewoond werden door arbeiders van de marinewerf en personeel van de vloot. Tegenover vertrekkende gezinnen stond bovendien een stroom nieuwkomers voor de rijkswerf en de vloot, sinds de regering Den Helder had aangewezen als de belangrijkste marinebasis van het land. Burgers die de tering naar de nering moesten zetten, verhuisden naar goedkopere woningen. In de Pilobuurt stonden huizen leeg door het vertrek van de havenarbeiders en hun gezinnen naar Amsterdam of Zaandam, dat in opkomst was als houthaven. Vletterlieden monsterden op trawlers en loggers in IJmuiden, Scheveningen, Vlaardingen en Maassluis of op de grote vaart. Door het grote aanbod van arbeidskrachten tegenover een geringe vraag daalden de lonen voortdurend. De armoede werd het ergst gevoeld door mensen die noodgedwongen in de Pilobuurt moesten wonen. Uit die tijd stamt het spotliedje op Den Helder dat tijdens de crisis van de jaren dertig ook zijn weg vond naar andere plaatsen langs de kust: Helder in de kelder, boter bij de vis/ Kaatje doe de deur eens open, kijk eens wie er is/ ’t Is een arm meisje om een korstje brood/ Geef haar gauw te eten anders gaat zij dood.