De pijn van vissen

Kabeljau!

Wetenschappelijk onderzoek naar gevoelens in vissen leidt tot grote vragen over het ontstaan van bewustzijn in mens en dier. En je wordt er vanzelf vrolijk van.

Bioloog Victoria Braithwaite had nooit verwacht dat vissen haar levenswerk zouden worden. Dertig jaar geleden begon ze aan haar PhD; dat onderzoek ging toen nog over duiven. Enthousiast begint ze te vertellen: ‘Duiven zijn fascinerende wezens. Ze maken kaarten van hun omgeving waar ze niet alleen plaatjes van plekken, maar ook geluiden en geuren in opnemen. En ze hebben twee inwendige kompassen: één hoofdkompas en een back-up!’ Het bleek echter moeilijk om in het duivenonderzoek een plek te bemachtigen. ‘Er waren vier groepen gevestigde duivenonderzoekers. Elke groep had een eigen theorie en ze dachten allemaal dat zij het bij het juiste eind hadden. Ik was naïef, dacht toen nog dat je gewoon goed onderzoek moest doen, dat onderzoek publiceren en dat dan alles vanzelf zou komen. Nee dus. Ik heb toen zelfs wel eens gedacht om helemaal te stoppen met de wetenschap.’

Totdat ze op vissen stuitte. ‘Toen ik naar vissen ging kijken, zag ik dat een heleboel vragen die relevant waren voor duiven net zo goed opgingen voor vissen. En niemand hield zich er toen nog echt mee bezig.’ Vissen bleken razend interessant en ze besloot erin te duiken. ‘In die tijd zag ik vissen eerlijk gezegd nog niet bepaald als erg ontwikkelde dieren. Maar in de loop der jaren ben ik steeds meer onder de indruk geraakt van hun complexiteit, van de problemen die ze kunnen oplossen, op sommige gebieden zijn ze zó slim!’ Ook leerde ze tijdens de talloze experimenten die ze uitvoerde dat vissen een eigen persoonlijkheid hebben. Hoe je dat herkent? ‘Bijvoorbeeld doordat je ziet dat de ene vis elke keer staat te dringen om mee te doen aan een experiment, zoals door een doolhof zwemmen. Die zwemt altijd vooraan, staat bij wijze van spreken te trappelen. Terwijl de andere vis altijd achteraan blijft en maar met moeite in beweging is te krijgen.’

In 2010 publiceerde ze het populair-wetenschappelijke boek Do Fish Feel Pain? (Oxford University Press), waarin ze deze vraag in principe met ja beantwoordde. Aanvankelijk werd ze overvallen door de manier waarop de media vervolgens op het onderwerp doken. ‘Ons onderzoek was begonnen vanuit een welzijnsperspectief. Maar er gingen plotseling overal alarmbellen af. Mensen vangen natuurlijk vis om op te eten. Maar ook héél veel mensen vissen voor hun plezier. De hengelsport is onderdeel van hun leven, van hun traditie, hun identiteit. En dat lijkt opeens ter discussie te worden gesteld. Dat maakt mensen defensief.’ Inmiddels is ze gewend geraakt aan het feit dat haar onderzoek veel commotie veroorzaakt.

Maar hoe kom je er precies achter of een vis pijn heeft? Ik kan aan de dokter vertellen dat ik pijn heb. Zelfs aan een kind dat nog niet kan praten kun je meestal wel zien dat het pijn heeft. Of aan een hond die pijnlijke grimassen trekt. Maar hoe zie je dat bij een vis, die geen gezichtsuitdrukking heeft?

‘Tja, dan moet je dus andere manieren vinden om dat te onderzoeken’, zegt Braithwaite. Daarvoor is het belangrijk om eerst te begrijpen hoe pijn werkt. ‘Pijn is een proces van altijd minimaal twee stappen’, legt ze uit. ‘Aan de ene kant is er de gewaarwording, de detectie van iets dat het lichaam schaadt. Dit heet nociceptie en vertelt je waar die schade is.’ Braithwaite gaat ervan uit dat vrijwel elk dier dit heeft. Het is immers van groot belang vanuit evolutionair perspectief dat het een organisme opvalt dat er iets is dat het lichaam beschadigt. Zodat het daarop kan reageren. Het tweede onderdeel van pijn is een stuk ingewikkelder, omdat het daar gaat om de emotionele ervaring van pijn. ‘Hier wordt het een stuk moeilijker voor wetenschappers, maar toch denk ik dat we een heel eind kunnen komen als we onze experimenten slim vormgeven.’

Zo ontwikkelden Braithwaite en haar medewerkers een studie waarbij ze felgekleurde clusters van legoblokjes lieten vallen in tanks met regenboogforellen. Normaal gesproken vermijden deze forellen onbekende objecten die zich plotseling aandienen in hun omgeving. Dat defensieve gedrag is logisch, want de objecten kunnen gevaarlijk zijn. Vervolgens verdeelden ze de forellen in drie groepen. De eerste groep kreeg (pijn veroorzakend) azijnzuur toegediend, de tweede groep kreeg azijnzuur in combinatie met morfine om de pijn te dempen en de laatste controlegroep kreeg slechts zout water geïnjecteerd. Wat bleek? De vissen die slechts het azijnzuur hadden gekregen lieten veel minder van het defensieve gedrag zien dan de controlegroep. Aangenomen werd dat dit kwam doordat ze afgeleid waren door de pijn. De vissen die azijnzuur én morfine hadden gekregen bleven echter hun gewone defensieve gedrag vertonen en bleven de legoblokken dus vermijden. Zoals sommige mensen ook hebben ervaren neemt morfine niet de oorzaak van de pijn weg, maar verzacht het wel de emotionele ervaring van pijn. Dit zou betekenen dat het effect van het azijnzuur op het defensieve gedrag van de regenboogforellen dus niet om de fysiologische staat van de vis gaat, de nociceptie, maar juist om die tweede stap, de mentale ervaring van pijn.

In een andere studie kregen de regenboogforellen azijnzuur ingespoten in hun lippen. Hierop begonnen de forellen sneller te ademen, heen en weer te bewegen tegen de bodem van de tank, hun lippen te wrijven tegen het gravel aan de zijkant van de tank. Bovendien kostte het deze groep twee keer zo veel tijd om weer normaal te gaan eten als de controlegroep die slechts zout water geïnjecteerd had gekregen in de lippen. De vissen die azijnzuur én morfine hadden gekregen lieten eveneens dit ongebruikelijke gedrag zien, maar in veel mindere mate dan de vissen die alleen het azijnzuur kregen. De vissen met het zoute water bleven zich daarentegen de hele tijd normaal gedragen.

Braithwaite is door deze en vele andere experimenten die zij uitvoerde overtuigd geraakt: ‘Vissen voelen bewust pijn. Het is waarschijnlijk niet hetzelfde als wat wij mensen voelen, maar het is desalniettemin een bepaald soort pijn.’

‘Misschien nemen we pijn in vissen wel voor lief, omdat we niet zomaar kunnen stoppen met het eten van vis’

Het idee dat dieren überhaupt pijn zouden kunnen lijden is relatief nieuw. Aristoteles plaatste dieren in de vierde eeuw voor Christus ver onder de mensen op zijn Scala Naturae, letterlijk de ‘ladder van de natuur’. Dieren hadden volgens hem geen rationaliteit en verdienden daarom geen morele status. Ook in de Middeleeuwen bleef het idee bestaan dat planten er waren voor de dieren en dieren voor de mensen, terwijl Descartes, een van de grondleggers van het Verlichtingsdenken, dieren vergeleek met ‘automata’, een soort mechanische robots. Dieren konden volgens hem niet redeneren en geen pijn voelen, omdat ze geen bewustzijn hadden. Descartes had de wereld opgesplitst in een immateriële en een materiële wereld, waarbij het lichaam materie was en de geest of de ziel een immaterieel ‘iets’. Dieren waren in deze wereld enkel materie, net zoals rotsblokken. En een rotsblok voelt nu eenmaal geen pijn.

Gedurende lange tijd is er in de wetenschap nauwelijks getornd aan dit beeld. Pas in de tweede helft van de vorige eeuw begon het langzaam te kantelen. En het laatste decennium is er een grote ommezwaai gemaakt naar een nieuw soort denken over dieren. Inmiddels erkennen de meeste wetenschappers dat dieren, in ieder geval gewervelden (waaronder vissen), pijn kunnen voelen. Niet voor niets is in de Nederlandse Wet op de Proefdieren een glijdende schaal van vier niveaus van pijn bij proefdieren opgenomen. In veel andere westerse landen gelden vergelijkbare pijnschalen voor dieren.

Ook het publiek mengt zich steeds vaker in het debat over dieren en pijn. We voeren discussies over het minimaliseren van dierenleed onder proefkonijnen, over het lijden van varkens in megastallen en over de wenselijkheid van elektrisch vissen met behulp van pulswing-boten (boten die vissen op de bodem van de zee eerst laten opschrikken door middel van een elektrisch schokje, waarna de vissen in het net zwemmen). Er wordt wel gezegd dat we onze ‘cirkel van empathie’ steeds verder aan het uitbreiden zijn. Aan de andere kant is voor veel mensen het idee dat hun hond pijn heeft volkomen evident, terwijl pijn in vissen lacherig terzijde wordt geschoven en insectenburgers zijn te vinden in het vegetarische schap van de supermarkt. In die cirkel van empathie houden we kennelijk nog steeds gradaties aan.

Betekent de erkenning van pijn in dieren dan nu ook dat we kennelijk een bepaalde vorm van bewustzijn zijn gaan accepteren in dieren? Immers, om pijn echt te kunnen ‘voelen’ moet je je toch ook bewust zijn van die pijn? Kunnen dieren dat wel, zich bewust zijn?

In zijn in korte tijd tot standaardwerk verworden Zijn we slim genoeg om te begrijpen hoe slim dieren zijn concludeert primatoloog Frans de Waal dat er voldoende bewijs is om aan te nemen dat processen die we associëren met bewustzijn in mensen, zoals hoe we ons verhouden tot het verleden en de toekomst, ook in andere niet-menselijke dieren voorkomen. Officieel levert dat geen onomstotelijk bewijs voor bewustzijn in dieren, maar De Waal wijst erop dat in de wetenschap continuïteit steeds meer wordt geprefereerd boven discontinuïteit. Dit geldt zeker voor de hersenen van mensen en andere primaten, maar strekt zich tevens uit tot andere zoogdieren en vogels. De hersenen van gewervelden lijken veel meer op elkaar dan eerst werd aangenomen. Met andere woorden: waarom zouden die processen voorkomen in al die soorten met dezelfde basis-hersenstructuur, maar alleen bij mensen leiden tot bewustzijn? Dat zou onlogisch zijn.

Eerder zouden we moeten denken aan gradaties van bewustzijn, die voor iedere soort verschillend zijn. Als we de verschillende processen die kunnen bijdragen aan bewustzijn samen nemen kunnen we concluderen dat een geschikte definitie van bewustzijn, net als in het geval van intelligentie, pluralistisch zou moeten zijn: die zou verschillende vormen van bewustzijn in verschillende soorten moeten omvatten. Gedragingen van een soort, en dus ook de processen die bijdragen aan bewustzijn, komen voort uit het organisme in een bepaalde omgeving: natuurlijke selectie, groei en leerprocessen uit interactie tussen het individu en de omgeving.

Hoewel we er nog niet achter zijn hoe bewustzijn precies werkt, sluit deze manier van denken aan bij de groeiende interesse voor modellen van ‘embodied cognition’, waarbij het lichaam van een dier niet alleen een soort vehikel is voor cognitie, maar die cognitie ook daadwerkelijk vormgeeft. Frans de Waal noemt slurvige intelligentie als voorbeeld. Misschien is de cognitie van een olifant wel direct te linken aan het feit dat een olifant een slurf heeft die hij heeft leren gebruiken in een bepaalde omgeving. Een octopus ‘denkt’ met zijn armen en ‘praat’ via kleuren, terwijl wij denken met ons hoofd en praten met onze mond. Dat leidt wellicht tot verschillende vormen van bewustzijn.

Braithwaite komt vanuit deze definitie van cognitie, net als De Waal, tot de conclusie dat we bewustzijn eigenlijk niet meer uit kunnen sluiten: ‘Neem Gobi-vissen, die leven in kleine rotspoeltjes. Ze leren precies waar de kleine deukjes zitten in de poeltjes en ze leren om precies op tijd naar het volgende poeltje te springen om op die manier roofvogels te ontwijken. Ze hebben dus het vermogen om een soort kaart van al die poeltjes in de rotsen te onthouden. Dat is dan ook precies wat ze nodig hebben in die omgeving. Telkens kun je zien waarom een bepaalde eigenschap zich evolutionair heeft ontwikkeld. Dat gaat altijd om het verkrijgen van een bepaalde flexibiliteit om te overleven in een bepaalde omgeving. Om vandaag te leren van wat er gisteren is gebeurd. En om dat in de toekomst toe te passen. Het zijn precies dit soort flexibele leerprocessen die we associëren met bewustzijn.’

Haar redenering gaat vervolgens verder: ‘Als vissen (of andere organismen) dan inderdaad een bepaalde vorm van bewustzijn hebben, dán zijn ze ook in staat om emoties, zoals pijn, bewust te ervaren. En dán is het dus eigenlijk niet meer mogelijk om emoties in niet-menselijke dieren, in ieder geval in gewervelden, te ontkennen.’ Ze schreef er samen met Paula Droege een belangrijke paper over.

Hoewel wetenschappers steeds meer geneigd zijn zich te laten overtuigen door argumenten zoals die van Braithwaite en de consensus over pijn, gevoel en bewustzijn in vissen groeit, blijven er nog steeds met enige regelmaat artikelen verschijnen die haar bevindingen ernstig in twijfel trekken. Dergelijke redeneringen richten zich vrijwel altijd op de hersenstructuur van vissen. Neem een recent artikel van de Australische hoogleraar Brian Key, waarin hij betoogt dat vissen geen pijn kunnen voelen, omdat ze geen prefrontale cortex hebben. Mensen ervaren gevoelens door middel van hun prefrontale cortex. De beroemde neurowetenschapper Antonio Damasio reageerde op dit artikel en concludeerde dat in de wetenschap ‘geen enkel bewijs is voor het idee dat gevoelens in mensen uitsluitend voortkomen uit de cerebrale cortex. Integendeel, gebaseerd op anatomisch en fysiologisch bewijs spelen sub-corticale hersenstructuren en zelfs het hele centrale zenuwstelsel een rol bij het ervaren van gevoelens in mensen.’

Toch geeft Braithwaite toe: ‘Het klopt natuurlijk wel dat de verschillen tussen de hersenen van vissen en mensen enorm zijn. Ik zeg dan ook absoluut niet dat ze hetzelfde zijn. Toch vinden we bepaalde gemeenschappelijkheden die we terugzien in de hersenen van álle gewervelden: de conditionering van angst bijvoorbeeld of het in kaart brengen van de omgeving. Het is gevaarlijk om te zeggen: geen cortex, dus geen pijn. Bepaalde gebieden in het brein van een vis hebben bijvoorbeeld een functie die sterk lijkt op die van de amygdala en de hippocampus in zoogdieren; dat zijn de gebieden die te maken hebben met emoties, leren en geheugen. Als deze gebieden in een vissenbrein beschadigd zijn, dan kunnen ze de weg niet meer vinden in een doolhof en verliezen ze hun angst voor onbekende objecten.’

Via een heel andere weg in de evolutie hebben octopussen slimme oplossingen gevonden voor problemen

Braithwaite begrijpt dat de implicaties van haar onderzoek enorm zijn. Er wordt wereldwijd meer dan honderd miljoen ton vis gegeten per jaar. ‘Maar dat mag volgens mij geen reden zijn om het dan maar niet te onderzoeken. Misschien nemen we een bepaalde hoeveelheid pijn in vissen uiteindelijk wel voor lief, omdat we als mensheid niet zomaar kunnen stoppen met het eten van vis. Maar dan maak je in ieder geval een bewuste morele afweging. En dan zou je in ieder geval kunnen kijken hoe je die pijn zo veel mogelijk kunt minimaliseren.’

Is er eigenlijk een grens aan de uitbreiding van onze cirkel van empathie? Bernice Bovenkerk, milieufilosoof in Wageningen, vertelt dat er tussen haar studenten altijd wel iemand zit die denkt dat ook planten gevoel hebben. ‘Ik vind dat op zich een geldige vraag. Planten reageren wel degelijk op hun omgeving, maar ze hebben volgens mij geen nociceptie. Gevoel vervult volgens mij ook geen functie voor planten.’ En insecten? ‘Tja, dat zijn de zogenaamde boundary animals.’ Ze vraagt zich sterk af of insecten bewustzijn kunnen ontwikkelen. ‘Insecten leven meestal erg kort en de vraag is wat in dat geval het evolutionaire voordeel zou kunnen zijn van de ontwikkeling van complexere structuren die bewustzijn kunnen veroorzaken. Wat heb je eraan om van alles te leren als je al snel weer doodgaat? Bovendien zijn insecten ongewerveld en hebben ze dus geen centraal zenuwstelsel. Het kost veel neuronen, en veel energie, om een ervaring van pijn te creëren. En de vraag is of dat opweegt tegen de voordelen die de pijnervaring kunnen brengen.’

‘Aan de andere kant’, overweegt ze hardop, ‘een octopus is ook niet gewerveld en heeft een volledig decentraal zenuwstelsel (met talloze neuronen in iedere arm), maar blijkt ongelooflijk slim.’ Cephalopods, de groep waartoe de octopus behoort, vallen dan ook als enige ongewervelden onder de proefdieren die bescherming genieten onder een Europese richtlijn uit 2010, omdat ze geacht worden pijn te kunnen lijden. Bovenkerk geeft insecten uiteindelijk ‘het voordeel van de twijfel’ en laat insectenburgers in de supermarkt links liggen. ‘Daarmee lopen we het risico de insecten te industrialiseren en maken we ze tot een soort mini-vee.’

Bovenkerk denkt dat de traditionele dierethiek te veel gericht is geweest op pijn en het lijden van dieren. De dierenwelzijnbeweging heeft eigenlijk altijd het principe van de Engelse filosoof Jeremy Bentham als uitgangspunt genomen. Bentham, de grondlegger van het utilitarisme, schreef al in 1789: ‘When considering our ethical obligations to other animals, the most important question is not, “Can they reason? nor, Can they talk? but, Can they suffer?”’

‘Maar daarmee zien we dieren telkens alleen maar als slachtoffers van ons handelen’, zegt Bovenkerk. ‘Terwijl dieren zélf ook actoren zijn. Ze hebben een bepaalde wil en kunnen handelen met doelmatigheid. Voor dieren is zoiets als zelfverwezenlijking misschien wel belangrijker dan het vermijden van pijn. Net zoals dat voor ons mensen geldt, denk ik.’

Onlangs sleepte ze een Vidi-beurs in de wacht, waarmee ze de komende vijf jaar in Wageningen onderzoek gaat doen naar de veranderende relatie tussen mensen en dieren. Daarmee wil ze de dierethiek aanvullen zodat die beter aansluit bij deze tijd. Verschillende postdocs nemen deelvragen voor hun rekening. Zo gaat Eva Meijer, auteur van onder andere De soldaat was een dolfijn: Over politieke dieren, onderzoek doen naar agency van dieren. Zelf gaat Bovenkerk kijken naar wilde dieren. Ook worden boerderijdieren bestudeerd en de verschillende manieren van technologisch ingrijpen in het leven van dieren.

Het is een teken van de tijd dat er geld loskomt voor een grootscheeps onderzoek als dat van Bovenkerk. We horen en lezen over het Antropoceen en het stemt meestal somber. Het is een verhaal van destructie en verlies: stervende koraalriffen, verdwijnende diersoorten en gekapt tropisch regenwoud. Hele ecosystemen die in elkaar klappen, klimaatvluchtelingen (mens en dier), droogte en overstromingen: een dystopische toekomst. Als je dieren echter bekijkt als actoren met een eigen wil en handelen, dan word je als mens vanzelf vrolijk. Hoe mieren en masse samenwerken zonder ooit een leider aan te wijzen. Hoe olifanten afscheid nemen van hun overleden kuddegenoten. Hoe sommige vissen ‘staan te trappelen’ om aan een experiment mee te doen, terwijl andere er geen zin in hebben.

Het is fascinerend en er gaat een wereld voor je open. Niet dat het voortdurend pais en vree is in het dierenrijk, verre van dat! Maar als je je verwondert over de manieren waarop verschillende organismen zich hebben ontwikkeld in hun omgeving, in een voortdurende interactie met die omgeving, dan kun je misschien voor jezelf plotseling ook een klein beetje richting vinden, te midden van dat gitzwarte toekomstperspectief. Want ook wij mensen hebben ons ontwikkeld in die omgeving en zijn daar op talloze manieren mee verbonden. En dat zullen we blijven. In de populaire vierdelige serie Your Inner Fish van de Amerikaanse publieke zender pbs vertelt Neil Shubin, vispaleontoloog, wat hij over de menselijke anatomie te weten is gekomen door bestudering van miljoenen jaren oude fossielen. Hij laat zien dat onze handen voortkomen uit visvinnen, dat onze hoofden dezelfde structuur hebben als lang geleden uitgestorven kaakloze vissen, en dat grote delen van ons genoom net zo werken als die van wormen en bacteriën.

de vraag of dieren pijn hebben, de vraag zelfs of dieren emoties hebben, is dus misschien wel niet de juiste als we ons eigen bewustzijn of onze eigen emoties als uitgangspunt nemen. Dat wij mensen menselijke emoties en menselijk bewustzijn hebben, is het gevolg van een evolutionaire ontwikkeling die voortkomt uit de aanpassing aan onze specifieke omgeving. Misschien heeft de octopus met al die intelligentie in die acht armen wel iets heel anders ontwikkeld dat wij nooit zullen begrijpen. Een bewustzijn in kleur, of een ‘armige’ emotie.

De octopus heeft heel lang geleden in de evolutie een andere afslag genomen dan wij zoogdieren. Er is geen centraal zenuwstelsel, de octopus leeft solitair en de meeste neuronen zitten in zijn armen. En toch blijken octopussen uit tanks te kunnen ontsnappen, het licht aan te kunnen doen door gericht een waterstraal te spuiten, en hebben ze voorkeuren voor bepaalde verzorgers in aquaria en een afkeer van anderen. Ze komen misschien wel het dichtst bij wat wij zouden begrijpen als ‘aliens’, letterlijk: vreemd. Via een heel andere weg in de evolutie hebben ze, net als wij, slimme oplossingen gevonden voor problemen. En die slimmigheid leidt tot een vorm van bewustzijn die volgens Braithwaite en Droege dan weer leidt tot bepaalde emoties.

In 1974 publiceerde de Amerikaanse filosoof Thomas Nagel zijn essay What it Is Like to Be a Bat waarin hij de subjectieve aard van bewustzijn benadrukte. Een vleermuis heeft misschien bewustzijn (en dus emoties), maar alleen op de manier zoals een vleermuis dat kan hebben. We kunnen ons proberen voor te stellen hoe het is om te vliegen, om te communiceren via echolocatie, om ondersteboven te hangen en insecten te eten, maar dat is toch nooit hetzelfde als het perspectief van een vleermuis. Er is ook wel kritiek geuit op dit idee, want dat heeft ertoe geleid dat ethologen er zo lang vanuit gegaan zijn dat dieren geen binnenwereld hebben, omdat we daar toch nooit iets over te weten kunnen komen. Waardoor er ook geen onderzoek naar hoefde te worden gedaan.

Toch zullen we er waarschijnlijk inderdaad nooit achter komen hoe het is om een vis te zijn, al zit er nog zoveel vis in ons dna. Maar we kunnen wel proberen om goed te luisteren en om op andere manieren te kijken naar vissen, en naar al die andere organismen om ons heen. Hoewel de focus op pijn dieren wellicht tot slachtoffers maakt, is het wel degelijk een nobel streven om zo min mogelijk pijn te veroorzaken. We kunnen daarover niet praten met vissen, aan de andere kant kunnen we er eigenlijk met mensen ook niet echt goed over praten. Zoals Virginia Woolf schreef: ‘Elk schoolmeisje, als ze verliefd wordt, heeft Shakespeare en Keats om namens haar te spreken; maar laat iemand die lijdt de pijn in zijn hoofd aan een dokter beschrijven en alle taal droogt meteen op.’

Victoria Braithwaite denkt dat het kijken naar dieren als actoren kan bijdragen aan het verminderen van dierenleed. Ze vertelt over een vogelopvang bij haar om de hoek in een parkje waar gewonde vogels worden opgenomen en tentoongesteld. Sinds kort maken ze daar gebruik van ‘clicker training’, een bepaald soort training waarbij allerlei simpele instructies kunnen worden gegeven aan de vogels. ‘Sinds ze die clicker training gebruiken gaat het veel beter met de vogels. Als een vogel iets moet doen, bijvoorbeeld het nemen van een bepaald medicijn, hoeft hij niet meer met veel gefladder gedwongen te worden, maar dan kiest hij er zelf voor.’ Via de training heeft hij aangeleerd dat het loont om te doen wat wordt gevraagd. De focus op agency leidt op die manier tegelijkertijd tot minder lijden, tot meer inzicht in het leven van dieren, en daarmee ook in het leven van onszelf.