Kabelspaghetti

Terwijl Marcel Möring droomde over een idyllisch leven op het land, is hij verworden tot netwerkbeheerder.

IN HOEVEEL huizen heb ik gewoond? Dertien, als ik er niet een ben vergeten. Iets meer dan elke vier jaar een verhuizing. Ik weet niet of dat veel is, want ik kom uit een nogal nomadisch angehauchte familie.
Mijn moeder, die opgroeide in de vooroorlogse joodse buurt in Rotterdam, vertelt wel eens dat zij zo vaak verhuisden dat zij en haar zusje soms uit school kwamen en niet meer wisten waar ze heen moesten. Mij is dat een keer overkomen. Na uitbundig cafébezoek, ongeveer een week na de verhuizing, had ik geen idee waar ik woonde en toen een vriend de straat wist te herinneren, kon ik het huis alleen determineren aan de hand van het grindpad voor de garage. Aan de hand is in dit geval letterlijk, want ik ben kruipend van oprit naar oprit gegaan, tot ik de onze vond.
Ik ben een specialist geworden op het gebied van verhuistechniek. Ik pak een complete woning in een dag in en na de verhuizing weer in een dag uit. Mijn vader is er nooit aan gewend geraakt. Ik heb sterke beelden uit mijn jeugd waarin hij apathisch in de eerste stoel ploft die binnen is gebracht en het allemaal over zich heen laat komen.
Een huis is allang geen dak meer dat tegen wind en regen beschermt. Het is een cluster van leeftechnieken. Er is zelfs een woord voor: domotica. Dat is de bundeling van technieken en diensten die bijdragen aan de kwaliteit van het huiselijk leven.
Het is een wereld die, net als de meeste andere techniek, wordt gedomineerd door mannen, en dat heeft zo zijn nadelen. Die mannen ontwikkelen, bedenken en geven vorm aan technieken die het leven in huis moeten veraangenamen, maar omdat ze zelf de hele dag in het lab, de fabriek of het ontwerpatelier zitten hebben ze geen sjoege van huiselijke noden.
Dan krijg je roestvrijstalen kookplaten die na elke maaltijd met zen-boeddhistisch flegma moeten worden gereinigd en er desondanks na een jaar uitzien als de vierhonderdmeterbaan van Thialf na de tien kilometer. Aanrechten maken ze te hoog, ovens te laag, de borden in de afwasmachine vallen altijd om. De mechanische ventilatie kan nooit uit, de houten vloer krimpt in de winter en zet in de zomer uit. De lcd-televisie is zo dun dat hij alleen nog maar het equivalent van laptopgeluid voortbrengt, zodat je ’m moet aansluiten op een geluidssysteem, maar daarvoor zijn dan weer niet genoeg stopcontacten, waardoor een hoek in de woonkamer ernstig lijdt aan kabelspaghetti.
In mijn nieuwe huis (uit 1870) legde de elektricien een kabelsysteem aan opdat vier televisies, verdeeld over drie verdiepingen, gevoed kunnen worden met Will & Grace, Top Gear, Buitenhof en (mijn afleiding na het werk) snooker. Jammer dat het kabelsignaal zo zwak is dat je er dan weer een versterker tussen moet prutsen (in een meterkast, die vol staat met huisserver, wifi-station, twee terrabyte gedeelde opslag en drie extra stekkerdozen om alles te voeden).
Waar zijn de tijden van Des Esseintes gebleven, die in Huysmans’ A Rebours zijn woning laat customizen tot een autarkische leefcapsule waarin zijn decadente verlangens tot in het kleinste detail worden vervuld? Of Brideshead, het landhuis waarin Sebastian Flyte en Charles Ryder de schijnbaar eindeloze zomer doorbrengen die het afscheid van hun jeugd en idealen betekent.
De verlangens in ons oude huis zijn minder decadent dan die van Des Esseintes en het verleden van dit pand heeft voor ons nauwelijks betekenis, behalve dan de post, gericht aan een onvoorstelbare hoeveelheid vorige bewoners, die maar blijft binnenkomen. Wat er nog aan verleden was, behalve de ‘authentieke details’ waar de makelaar zo hoog van opgaf, hebben wij weggewerkt. De ruw in het dak gezaagde afvoer voor de wietplantage op zolder, de krakkemikkige douches in zo'n beetje elke kamer en de oversized ISDN-installatie van de twijfelachtige huisjesmelker die hier kantoor hield: het is allemaal verdwenen achter verse stuc en strakke gipsplaat.
Mij rest alleen nog de domotica.
Omdat de familie beschikt over vier computers, twee iPads en vier iPhones zijn twee zaken van groot belang: overal wifi en centrale dataopslag. Waar Des Esseintes zich druk maakte om fijn damast en exotische planten die niet op echte flora leken en Charles en Sebastian zich alleen bekommerden om de wijnkelder, tob ik over een draadloos netwerk dat aan de specificaties b, g en n moet voldoen en hoe iedereen ook nog veilig toegang te geven tot een centrale printer en het beest van een harde schijf dat in de meterkast huist.
Achter de ADSL-modem komt een AirPort Extreme-modem van Apple. Daaraan wordt twee terrabyte van Western Digital gehangen. Op de tweede verdieping versterkt een kleine AirPort Express het draadloze signaal en biedt en passant draadloos toegang tot een van de drie printers die ik onderhoud. De harde schijf is onderverdeeld in vier virtuele schijven, elk met hun eigen wachtwoord, zodat er ook nog zoiets als privacy is. Het lijkt goddomme wel een bedrijf.
Ooit had ik visioenen van een leven op het land, een boom planten, een moestuin en een flinke stapel hout voor de winter. En kijk eens wat er van mij geworden is: een netwerkbeheerder die droomt over Franse decadentie en Britse adel.

AirPort Extreme, € 159,- (online); J.K. Huysmans, Tegen de keer, alleen nog antiquarisch te verkrijgen; Evelyn Waugh, Brideshead Revisited, € 14,99 (bol.com)