Kabinet-De Jong stopte Indische oorlogsmisdrijven in de strafrechtelijke doofpot

Een speciale wet moest er in 1971 voor zorgen dat van oorlogsmisdrijven betichte Nederlandse soldaten nooit strafrechtelijk vervolgd konden worden. Experts zetten vraagtekens bij de geldigheid van de wet.

V.l.n.r. premier Piet de Jong en de ministers Joop Bakker (Verkeer en Waterstaat), Johan Witteveen (Financiën) en Carel Polak (Justitie). Aankomst bij de Trêveszaal voor een kabinetsberaad. Den Haag, 6 januari 1969. © Dick Coersen / ANP

Advocaat Liesbeth Zegveld overweegt aangifte te doen tegen voormalige Nederlandse soldaten die tussen 1945 en 1950 oorlogsmisdrijven pleegden in Indonesië. Dat kondigt zij aan in reactie op een onderzoek van De Groene Amsterdammer. Zegveld stond in 2012 Jeffry Pondaag bij toen hij namens het Comité Ereschulden aangifte deed van de zogenoemde Indische oorlogsmisdrijven. ‘Toen het Openbaar Ministerie antwoordde niet over te gaan tot vervolging, hebben we ons daar bij neergelegd’, vertelt Zegveld, die tevens hoogleraar War Reparations is aan de Universiteit van Amsterdam. ‘De documenten die De Groene Amsterdammer heeft opgedoken zijn voor ons reden om de zaak opnieuw te bestuderen.’

De Nederlandse regering tuigde eind jaren zestig een speciale wet op, de zogenoemde Verjaringswet, die ervoor moest zorgen dat de daders van de Indische oorlogsmisdrijven nooit meer strafrechtelijk vervolgd konden worden. De wet trad in 1971 geruisloos in werking en geldt tot op de dag van vandaag.

Het kabinet-De Jong had de wet in 1969 ingediend bij de Tweede kamer. De regering liet de Tweede Kamer daarbij bewust niet weten dat het de bedoeling is dat deze wet niet geldt voor de Indische oorlogsmisdrijven. Dat blijkt uit stukken die zich bevinden in het Nationaal Archief in Den Haag, maar die nog nooit in de publieke openbaarheid zijn gekomen.

De Raad van State, die standaard advies uitbrengt over nieuwe wetgeving, zet in 1969 vraagtekens bij deze gang van zaken. De regering moet expliciet aan de Tweede Kamer melden of deze wet van toepassing is op de Indische ‘misdrijven’, stelt het hoogste adviesorgaan van de regering. Adviezen van de Raad van State zijn in die tijd nog geheim en de Tweede Kamer zal er dan ook nooit kennis van nemen. Ook niet van de betekenisvolle observatie dat voor de Nederlandse militairen in Indonesië ‘te dezen een gelijke rechtsbedeling voorop zal moeten staan’. Uit dit advies kun je concluderen dat de Verjaringswet volgens de Raad ook van toepassing kan zijn op de Indonesische oorlogsmisdaden en dat daarvoor dan ook geldt dat ze nooit kunnen verjaren.

Het advies krijgt extra betekenis door de handtekening eronder van de vicevoorzitter van de Raad van State, de voormalige KVP-premier Louis Beel. Hij was van 1946 tot 1948 minister-president. Onder zijn verantwoordelijkheid vond in 1947 de eerste politionele actie plaats, inclusief de ‘misdrijven’ waaraan hij zelf refereert in zijn advies. Op het Ministerie van Justitie wordt besloten het advies van de Raad van State simpelweg terzijde te schuiven. Niemand zal in die jaren kennisnemen van het saillante advies en de keuze van minister Polak van Justitie om het te negeren. Pas in de Eerste Kamer vertelt Polak desgevraagd kort en bondig dat de wet simpelweg niet van toepassing is op de Indische oorlogsmisdrijven.

Decennialang spreekt vrijwel niemand over de vervolging van Indische oorlogsmisdrijven, althans niet publiekelijk. In augustus 1995 meldt minister Winnie Sorgdrager van Justitie in antwoord op Kamervragen dat vervolging simpelweg ‘niet meer mogelijk’ is met verwijzing naar de Verjaringswet in 1971. De Kamer neemt genoegen met haar antwoord en het onderwerp van de Indische oorlogsmisdrijven is weer van tafel. In 2012 geeft het Openbaar Ministerie in antwoord op de aangifte van Jeffry Pondaag aan dat ze afzien van vervolging, daarbij gebruikmakend van het verjaringsargument, mede met verwijzing naar de redenering van Sorgdrager.

Minister Sorgdrager (in 1995) en het Openbaar Ministerie (in 2012) interpreteren de Verjaringswet vooral ‘wetshistorisch’, constateert Wouter Veraart, hoogleraar rechtsfilosofie in Amsterdam. ‘Die interpretatie leidt echter niet altijd tot een eenduidige conclusie en is bovendien beperkt houdbaar,’ zegt hij. ‘Het hele wetgevingstraject overziend blijkt onmiskenbaar dat er ook al in 1971 verschillende visies waren op de Verjaringswet en op de uitleg ervan.’ Voor Veraart staat daardoor allerminst vast dat de Indische oorlogsmisdrijven zijn verjaard.

Tom Barkhuysen, hoogleraar staats- en bestuursrecht in Leiden en advocaat bij Stibbe, kijkt daar heel anders tegenaan. ‘Als de regering toen verklaarde dat het de bedoeling is dat verjaring nog steeds van toepassing is op de misdrijven in Indonesië, moeten mogelijke verdachten daarop kunnen vertrouwen.’

Harmen van der Wilt, hoogleraar Internationaal Strafrecht aan de Universiteit van Amsterdam, oordeelt dat de interpretatie van de Verjaringswet door de toenmalige regering ‘simpelweg niet deugt’. ‘Als je wilt regelen dat oorlogsmisdrijven van een bepaalde oorlog daarvan worden uitgezonderd, wat op zich al zeer opmerkelijk is, moet je daar zeer expliciet over zijn en dat uitgebreid motiveren. Dat gebeurt hier niet. Het is allemaal heel schimmig en onduidelijk geregeld. Om die reden zou ik zeggen dat deze wet ook gewoon van toepassing is op de oorlogsmisdrijven in Indonesië.’

Nederland is bepaald niet de enige voormalige koloniale macht met een problematische verhouding tot de eigen geschiedenis. Ook voormalige grootmachten als het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk kozen er na de dekolonisatie voor om eigen militairen niet te vervolgen. De Nederlandse houding kan dan ook worden geplaatst in een Europese context. ‘De kern is natuurlijk’, verzucht Wouter Veraart, ‘dat de verantwoordelijken voor de Nederlandse misdaden in Indonesië al in de vorige eeuw vervolgd hadden moeten worden. Vooral daarom is deze zaak dan ook beschamend.’