Kraakverbod is overbodig

Kabinet in antikraak

Het kabinet wil met een algeheel verbod het kraken onmogelijk maken. In de praktijk blijkt een eigenaar wel heel laks te moeten zijn, wil een leegstaande woning tegen zijn zin bewoond worden.

Op zijn hurken kijkt kraker Ruben – oranje broek, dreads, bijna twee meter lang – door een brievenbus naar binnen. «Ik vraag me af of hier nog iets gebeurt.» Posters op de houten platen voor de ramen van het pand aan de Hogewoerd in het centrum van Leiden kondigen een «destruct» feest aan op 15 april 2006. Een paar maanden geleden hebben Ruben en nog zo’n vijftig anderen dit gebouw gekraakt. «Het is al vier jaar van een huisjesmelker, staat in totaal zestien jaar leeg. En dat terwijl het een sú-per-mooi pand is», vertelt hij enthousiast. «Al die tijd is er nauwelijks iets mee gebeurd. Nou ja, er zaten een tijdlang wat Polen in die nogal rechts waren, naar de antisemitische graffiti op de muren binnen te oordelen. De ME moest langskomen om ze eruit te halen. Dat vertelden buurtbewoners ons.»

Toch konden de krakers, na wat heen en weer gepraat op het politiebureau waar ook de eigenaresse zich had gemeld, snel weer hun biezen pakken. Onbegrijpelijk, vindt Ruben. «Die vrouw had ruzie met de aannemer over onbetaalde rekeningen. Ze kon niets van papieren laten zien waaruit bleek dat er het afgelopen jaar ook maar iets met het pand gedaan was. Op het allerlaatste moment overlegde die aannemer toch een bewijs dat een werknemer daar ergens in de afgelopen twaalf maanden aan de slag was geweest. Jammer.»

Als het aan de ministers Dekker (Volkshuisvesting) en Donner (Justitie) ligt, zijn zulke perikelen binnenkort verleden tijd. Op verzoek van een meerderheid van de Tweede Kamer kondigden zij onlangs de komst van een algeheel kraakverbod aan. De regering heeft principiële bezwaren tegen deze inbreuk op het eigendomsrecht. In een opiniestuk in de Volkskrant noemde Dekker het kraken «een leuke oprisping van jaren-zeventig-nostalgie». «Leegstand behoort gelukkig steeds meer tot het verleden. Het kraken is niet langer nodig om leegstand tegen te gaan. Wat overblijft is een sleetse ideologie van gisteren die niet aansluit bij de realiteit van vandaag.» In het dagblad voor bouwend Nederland Cobouw ging de Haagse vvd nog een stapje verder. «Krakers vragen het leegstandsprobleem in de woningmarkt op te lossen, is als een autodief de sleutels geven van de auto van je vrouw. Omdat je vindt dat ze er te weinig in rijdt. Een onzalig soort Robin Hood-romantiek, een anachronisme uit de tijd dat men in Nederland wat doorgeslagen was en oproerkraaiers het hoogste lied zongen, al dan niet op de Dam.»

Met het verbod hangt krakers voortaan een gevangenisstraf van vier maanden boven het hoofd. Rond de zomer ligt er naar verwachting een concept-wetsvoorstel, zegt woordvoerder Jeroen Bos van het ministerie van vrom. Voorkomen moet worden dat het kraakverbod leidt tot meer leegstand of een grotere werklast voor Justitie. Het Openbaar Ministerie zal daarom met een speciale «Aanwijzing kraken» komen aan de hand waarvan de officier van justitie kan bepalen of hij overgaat tot strafrechtelijke aanpak van krakers. Criteria die daarbij meewegen zijn de maatregelen die een eigenaar heeft genomen om kraken te voorkomen, zoals het inzetten van antikraakwachten, de duur dat het pand leegstaat en hoe snel de eigenaar verzoekt om ingrijpen.

Voor het kabinet mag het om een principiële kwestie gaan, in de praktijk zijn de plannen volstrekt overbodig, denkt socioloog Hans Pruijt van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Volgens Pruijt, auteur van het overzichtswerk Squatting in Europe, is kraken nu al bijna onmogelijk, «tenzij de eigenaar er een potje van maakt». «Staat een pand korter dan een jaar leeg, dan wordt het ontruimd. Is het langer dan een jaar, dan zal de rechter ook gewoon akkoord gaan met ontruiming, tenzij de eigenaar geen goede plannen kan overleggen.» Hij ziet het kraakverbod dan ook vooral als een stokpaardje van een paar politici die «een puntje tegen links willen scoren».

En zelfs als een eigenaar er langer dan een jaar over doet om een bestemming te vinden voor zijn pand, kan kraken voorkomen worden. Met name het inzetten van antikraakwachten heeft de laatste jaren een hoge vlucht genomen. Enkele antikrakers volstaan om een heel gebouw tegen kraken te beschermen. Zij hebben daarbij geen huurrechten en betalen vaak zelfs nog een behoorlijk bedrag om in het pand te mogen verblijven. De maximale duur van zulke tijdelijke verhuur wordt volgens Pruijt bovendien verruimd van drie naar vijf jaar. «Uitholling van de huurbescherming», oordeelt hij. «Zo ontstaat een grotere groep huurders die ieder moment het huis uitgegooid kan worden. Antikrakers hebben nog minder rechten dan krakers.»

Pruijt kan zich voorstellen dat door de gunstige wetgeving verhuurders er in de toekomst voor kiezen hun woning sowieso eerst tijdelijk te verhuren, voordat ze een volwaardig huurcontract afsluiten. Een soort flexibilisering van de woningmarkt dus. Daarbij kan in navolging van de arbeidsmarkt een kloof ontstaan tussen insiders met enige mate van huurbescherming en verworven rechten, en vooral jonge outsiders die met de onzekerheid zullen moeten leven dat zij op stel en sprong op straat kunnen komen te staan.

Ook als een eigenaar niet de moeite heeft genomen antikrakers in te zetten en een pand gekraakt wordt, blijkt hij nog over een heel repertoire aan trucjes te beschikken. Lopend langs diverse in het verleden gekraakte panden in de stad somt kraker Ruben er een aantal op. Zo voldoet een sporadisch klusje soms al om «gebruik» aan te tonen en zo ontruiming af te dwingen, zoals in het voorbeeld van het eerder genoemde pand in Leiden. «Of ze zetten er gewoon heel veel troep in. Vervolgens is het aan de officier van justitie om te oordelen of dat voldoet aan de vage definitie van gebruik. Over het algemeen treedt die de laatste jaren al steeds strenger op tegen kraken.»

Ook als geen sprake is van gebruik of concrete plannen, doet een inderhaast in elkaar gezet contractje met een bevriende aannemer volgens Ruben vaak wonderen. Het is moeilijk te beoordelen of sprake is van doorgestoken kaart of niet. Kantoorpanden kunnen daarnaast ook ontruimd worden met een beroep op het bestemmingsplan.

Minder fraai is het onbewoonbaar maken van een pand door het dak en de ramen eruit te slopen, de waterleiding en elektriciteit onklaar te maken, of de krakers er eigenhandig of met behulp van een knokploeg uit te zetten. Het is aan de krakers of zij onder zulke omstandigheden willen wonen. Daarbij geven zij doorgaans blijk van weinig kieskeurigheid. Ruben: «Ik hoor wel eens van eigenaren die echt niet kunnen begrijpen dat je als kraker ergens zonder elektra of water gaat wonen.» De gouden tijden voor de kraakbeweging, toen er nog tal van panden overduidelijk jarenlang leeg stonden, zijn dus voorbij. Dat geldt niet voor de woningnood en de leegstand. De wachtlijsten voor een sociale huurwoning in een stad als Amsterdam kunnen nog altijd oplopen tot boven de tien jaar en ook huisvesting voor studenten blijft een heikel punt.

Tegelijkertijd stond eind 2005 in Nederland veertien procent van alle kantoorruimte, oftewel een kleine zes miljoen vierkante meter leeg. Maar met name «professionele» eigenaren weten steeds beter hoe zij hun ongebruikte bezit tegen krakers kunnen beschermen. Wat overblijft zijn veelal restjes: toevallig vergeten panden van slapende huiseigenaren of de niet-verkochte woning van oma die inmiddels in een verzorgingstehuis zit. Niet bepaald de schemerige bezittingen van speculanten en huisjesmelkers waar het de kraakbeweging aanvankelijk om te doen was.

Kraken is lastiger geworden, geeft Ruben toe. «Maar ik geloof wel dat het nog mogelijk is. Soms worden er nog grote complexen-met-een-verhaal gekraakt. Je moet je als kraker vooral erg goed voorbereiden, een pand bestuderen, kijken of er echt niets is waarop je ontruimd kunt worden. Vaak moet je direct na het kraken in discussie gaan met de eigenaar en de politie. Dan moet je harde feiten kunnen noemen die aantonen dat het pand langer dan een jaar leeg staat.»

Het is die rol van «leegstandswaakhond» die ook door de lagere overheden gewaardeerd wordt. De vier grote steden (G4) en 27 kleinere (G27) spraken zich daarom uit tegen een kraakverbod zolang leegstand niet hard wordt aangepakt. De krakers zijn blij met de onverwachte steun, al roept die ook twijfels op. De kraakbeweging wil meer zijn dan alleen een «juridisch breekijzer» van de overheid. «Bovendien zijn het de gemeenten die falen in hun huisvestingsbeleid, om woningen goed te verdelen en leegstand tegen te gaan», vindt Lotte van het Amsterdamse Comité tegen het Kraakverbod. Op initiatief van deze gelegenheidsalliantie van krakers en sympathisanten hangen sinds kort door het hele land honderden spandoeken aan (voormalige) kraakpanden, zoals de Melkweg en Paradiso in Amsterdam en Tivoli in Utrecht, waarmee geprotesteerd wordt tegen het dreigende kraakverbod. Mocht het daadwerkelijk zover komen, dan zal dat volgens Lotte niet het einde van het kraken betekenen. «We zullen eerder met een grote groep mensen gaan kraken en meteen de boel barricaderen. Kraken blijft nodig. Tegen leegstand en woningnood, want daar verandert antikraken niets aan. En het is de enige mogelijkheid om alternatieve plekken te creëren, waar mensen anders kunnen leven, met politiek of kunst bezig kunnen zijn.»

Wat dat betreft is het dreigende verbod nog een geluk bij een ongeluk. Het dwingt de kraakbeweging opnieuw na te denken over de eigen functie en zich bijvoorbeeld uit te spreken over de rest van het huisvestingsbeleid. Lotte: «Het is een prikkel om als krakers meer naar buiten te treden, uit die gemarginaliseerde positie. Want dat subculturele is nooit de bedoeling geweest: de kraakbeweging moet open zijn, zich met de buurt en de rest van de wereld bezighouden.»