Voorbij het eigen gelijk #3: Wim Eickholt

Kabouters in het hoofd

Wim Eickholt vond zichzelf na tegenspoed en buitensporig drankgebruik half verlamd terug in de straten van Utrecht, maar binnen een jaar was hij weer uit de goot. Nu is hij dé ervaringsdeskundige dakloosheid.

Medium mvdgwimdaklozegroene5871
‘Daklozen voelen zich geen lotgenoten, dat zijn ze alleen als ze iemand kunnen gebruiken om aan geld, drank of stuff te komen’

Het schemert als Wim Eickholt (55) in het centrum van Utrecht de plekken aanwijst waar hij bijna drie jaar geleden als dakloze rondhing. In dagopvang het Catharijnehuis kwam hij voor de omeletten. In café Springhaver was het warm en kon hij ongemerkt zijn glas wodka of jenever bijvullen uit zijn eigen fles. In een hofje vlak bij de Oude Gracht rustte hij uit op een bankje. ‘Je werd er wel weggekeken, maar als er niemand was, kon je drinken.’

Hij doet voor hoe hij in die tijd liep. Zijn hoofd hing naar beneden, zijn voeten sloften over de straatstenen. Hij had een ernstig vitamine B1-tekort, waardoor zijn onderlijf half verlamd was geraakt. Hij kwam alleen nog vooruit met kleine pasjes en raakte snel uit evenwicht. Hij droeg een luier. Op goede dagen kon hij cultuurcentrum Louis Hartlooper aan de rand van het centrum bereiken, vaker haalde hij dat niet.

Was hij langer op straat blijven zwerven, dan was hij misschien geëindigd aan de boom in de tuin van het Catharijneconvent. Aan de takken hangen ijzeren plaatjes met namen erop van overleden daklozen, die vaak anoniem zijn begraven. Straatpastor Bart van Empel vond dat ze toch érgens herinnerd moesten worden en richtte deze ‘levensboom’ in. ‘Kijk, daar hangt Mahmoud’, zegt Eickholt terwijl hij een plaatje vastpakt. ‘Een Irakees met een drankprobleem die ik kende van het Leger des Heils. Hij werd gevonden in een sloot in Overvecht.’

Eickholts verhaal is anders dan dat van de doorsnee dakloze. Jarenlang was hij mentor en docent tekenen, handvaardigheid & techniek op een praktijkschool in IJsselstein. Niets wees erop dat hij zou afglijden, maar na een reeks tegenslagen begon hij excessief te drinken. Toen hij zijn woonlasten niet meer betaalde en geen enkele rekening meer, belandde hij in 2015 op straat. Vervolgens gebeurde iets wat bijna niemand in die positie lukt: binnen een jaar was hij weer uit de goot.

Eickholt kreeg een huis en verwerkte zijn ervaringen in een boek. Onlangs publiceerde hij het verhelderende en zelfs humoristische Wat ik nou toch heb meegemaakt! Verslag van een jaar dakloosheid. Tegelijkertijd ging in Utrecht een theatershow met zangeres/pianiste Muriel Kloek in première, De zwerver en de zangeres, waarin hij voorleest uit het boek en zij Franse chansons over de zelfkant zingt.

Sindsdien is Eickholt dé ervaringsdeskundige wat betreft de wereld van daklozen, van wie er in Nederland volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek ongeveer 31.000 zijn. Hij wordt gevraagd voor een optreden in het televisieprogramma Klokhuis, voor een toneelstuk aan de Hogeschool in Ede, voor een kerstmarkt in Venlo en voor tal van andere evenementen die aandacht besteden aan het daklozenprobleem. Hij moet er nog van bijkomen, zoveel komt er op hem af. ‘Plotseling zitten er enorme waarheden in alles wat ik zeg’, merkt hij verwonderd op.

Niet zo gek, want hij begeeft zich nog steeds in de daklozenwereld. Hij werkt als vrijwilliger bij de Tussenvoorziening in Utrecht, de eerstelijns opvang van ‘alle mensen die naast de pot pissen’. Eickholt heeft een missie. Hij wil daklozen en hulpverleners dichter bij elkaar brengen, onderling begrip kweken. Mensen die niets met het onderwerp te maken hebben, wil hij wakker schudden: ‘Het zou voor zovelen goed zijn een tijdje dakloos te zijn, compleet op jezelf teruggeworpen te zijn. Mij heeft het verrijkt.’

Wim Eickholt woont nog steeds in het huis dat hem eind 2015 als een reddingsboei in een zee van ellende werd toegeworpen, in de Lodewijk Napoleonbuurt in Utrecht. Drinken doet hij niet meer, keurig betaalt hij zijn huur. Het is geen opoffering, hij is dol op zijn driekamerappartementje in de naoorlogse wijk. Hij houdt van de jaren-vijftigsfeer en de keuken met openslaande deuren naar een balkon. Dit is zijn thuis.

Op deze vrijdagmiddag is de woning kaal: de meeste meubels zijn opgeborgen in een container voor de deur, de rest staat binnen opgestapeld, afgedekt met plastic. De woningbouwvereniging heeft het pand opgeknapt en er hangt een verflucht, de geur van een nieuw begin. We zitten op de enige twee keukenstoelen in de lege woonkamer, met uitzicht op een nog blauwe lucht buiten. Het raam is open, in de herfstkou draait Eickholt shag uit een zak Drum. Kalm vertelt hij zijn verhaal.

Altijd al was er alcohol in zijn leven. Op bijeenkomsten in zijn ouderlijk huis was er jonge jenever voor opa en Martini voor de tantes. Niets bijzonders, zo was én is dat overal. ‘Drank zit in onze maatschappij ingebakken. Kijk naar de folders voor Kerst en Oud & Nieuw die we weer krijgen: een en al wijn en champagne.’ Al jong dronk Eickholt dagelijks. Of dat een kwestie van genen was, weet hij niet. Feit is dat zijn opa zich kapot zoop en zijn vader zou alcoholist zijn geworden als zijn vrouw hem niet had afgeremd.

Eickholt werd geboren in Amsterdam en groeide op in Utrecht in een gezin met één jongere zus. Zijn vader was bewakingsbeambte bij Philips, zijn moeder een huisvrouw die zichzelf met cursussen ontwikkelde. Eickholt deed de lerarenopleiding, hield van reizen en een tamelijk heftige levensstijl. Tien jaar voor het noodlottige jaar 2015 kreeg hij een vriendin. Ze rookten en dronken steeds meer, hielden extravagante feesten. ‘We hebben het beste en het slechtste in elkaar naar boven gehaald’, zegt hij.

Drie jaar voor 2015 kreeg hij op zijn werk te horen dat hij naar drank stonk. Zelf dacht hij dat het wel meeviel. Anderen, die dronken pas veel. Hij kwam terecht in een outplacementtraject en daarna in de bijstand. Een poos later vertrok ook zijn vriendin. Meer en meer verzoop hij in de alcohol, op het laatst dronk hij dagelijks vijf liter rosé. Als mensen in zijn omgeving zeiden dat hij moest stoppen, antwoordde hij: ‘Ik ben ermee bezig, echt, vertrouw me maar.’ Intussen dacht hij: klaar met zeiken? Dan kan ik verder met drinken.

Waarom hij zijn huis niet meer betaalde? Waarom hij niet meer at? ‘Heel simpel. Het enige waar ik geld voor nodig had waren drank en shag.’ De hele rest interesseerde hem niet meer. Toen hij zijn huis werd uitgezet, huurde hij eerst nog een kamer, maar ook die betaalde hij niet. Begin 2015 meldde hij zich in de Sleep Inn op het Jansveld in Utrecht. Hij mocht zich vervoegen in Kamer A, bed 1 onderin. Zijn spullen kon hij opbergen in vak 31. Zo begon zijn daklozenbestaan.

Meteen viel hem op hoe het leven op straat ontmenselijkt – en dan is de opvang in Utrecht nog goed geregeld. Daklozen kunnen ’s nachts terecht in de Sleep Inn en overdag in het Catharijnehuis. Meerdere instanties bieden therapie om van een verslaving af te komen en het Leger des Heils heeft kamers voor mensen die weer bij de wal opklauteren. En toch voelde Eickholt zich een nummer. ‘Dat begon op het moment dat ik de drempel over stapte bij de Sleep Inn. Er werd veel te veel óver je gepraat en altijd op een toon alsof je imbeciel was.’

‘Je hebt een cocaïneverslaving, maar je bént niet je verslaving. In ieder mens zitten talenten, ook als je op straat leeft’

Wat hem ook stoorde: uit de houding van gemeenteambtenaren met wie hij als dakloze te maken had, sprak vaak wantrouwen. ‘Daklozen belazeren de boel, dat was de gedachte.’ Hij geeft toe: de meeste daklozen liegen inderdaad alles bij elkaar, om te overleven, om aan geld voor hun verslaving te komen. Hij snapt dat misbruik van opvangplekken of uitkeringen wordt aangepakt. Toch moeten mensen zich niet bij voorbaat een oordeel aanmeten, vindt hij. ‘Ga uit van mijn onschuld tot mijn schuld bewezen is.’ >

De daklozen zelf deden van harte mee aan de ontmenselijking. ‘Het is een keiharde wereld. Daklozen voelen zich geen lotgenoten, dat zijn ze alleen als ze iemand kunnen gebruiken om aan geld, drank of stuff te komen. Het is een apenrots, je beoordeelt elkaar op ego, status. Als je veel gunsten te verlenen hebt, ben je iemand. En die gunsten zijn vooral: een grote bek, waarmee je bij iemand anders iets kunt bereiken.’

Er was veel onderling getreiter, waardoor slapen in de Sleep Inn problematisch bleek. In zijn boek beschrijft Eickholt de ruzies over een stopcontact, erg belangrijk voor het opladen van een telefoon. Er was gedoe over de afstandbediening van de televisie of soms alleen over een verkeerde blik waarmee iemand keek. De ene dakloze piste het bed onder van de andere, er werd gejat, gescholden en gevochten. ‘Als je iemand anders naar beneden haalt, haal je jezelf omhoog’, verklaart Eickholt. ‘En zwakbegaafden zijn het leukst om te treiteren. Waarom denk je dat zoveel mensen in een moeilijke positie een hond hebben? Die blijft je onvoorwaardelijk trouw. Dan is er tenminste iemand die om je geeft.’

Toevallig liep hij in de Sleep Inn Bob tegen het lijf, die hij nog kende van de middelbare school. Bob was conciërge geweest en had een drugsverslaving, dat was ongeveer alles wat Eickholt over hem te weten kwam. Meer hoefde niet. Ze praatten liever over niets. Herinneringen ophalen kon pijnlijk zijn. Samen schuifelden ze door Utrecht op zoek naar een plek waar ze konden rusten en opwarmen. Die eerste maanden van 2015 was het koud op straat. Zo was hun bestaan: doelloos, lethargisch. Voelde hij soms angst? ‘Wat is dat nou voor rare vraag’, grinnikt Eickholt. ‘Ik had toch de fles?’

In 2015 was hij niet in staat iets te doen aan de toestand om hem heen. Hij registreerde alleen. Hij zag hoe begeleiders en daklozen elkaar in de tang hebben. Begeleiders doen niets om de sfeer te verbeteren. Ze zijn ondergedompeld in de papierwinkel die bij hun werk hoort en als ze naar huis gaan groeten ze niet eens. Daklozen schelden op begeleiders en nemen geen verantwoordelijkheid voor hun eigen leven. Altijd leggen ze de schuld van hun situatie buiten zichzelf: bij een overheidsinstantie of een begeleider die een trut of een klootzak is.

Twee maanden zwierf Eickholt door de Utrechtse straten, toen kreeg hij een plek in Juliana Oord in Laren, een behandelcentrum voor psychiatrie en verslaving. Hij kreeg er een eigen kamer en kwam te vallen onder een strikt onthoudingsregime. Alcohol was verboden en daar hield hij zich aan, hoewel het makkelijk was drank de kliniek binnen te smokkelen. Eindelijk kon hij weer slapen. Hij merkte hoe opgejaagd hij was geweest, hoe uitgeput hij was. Hij kwam tot rust en de lethargie verdween.

Sinds die tijd heeft hij geen druppel meer gedronken. ‘De kaboutertjes in mijn hoofd die standaard brulden “drank, drank, drank” waren net zo moe als ik. Ze zijn in slaap gevallen en ik heb ze nooit meer wakker gemaakt.’ Wat hielp was dat hij steeds halve beslissingen nam. In Juliana Oord nam hij zich voor drie maanden te stoppen, daarna zou hij een gezelligheidsdrinker worden. Na die drie maanden kreeg hij een kamer bij het Leger des Heils en ging hij in therapie bij Victas, een instelling voor verslavingszorg, die hem opnieuw tot onthouding dwong. Fuck, dacht hij, nou ja, dan moet het maar, straks drink ik af en toe weer.

Halverwege de therapie, het was inmiddels augustus 2015, drong tot hem door dat hij de alcohol definitief moest laten staan. ‘Ik heb geen rem, het is gevaarlijk voor mij’, ontdekte hij. De groepsgesprekken bij Victas hielpen hem. Hij begon in te zien dat hij een leven lang theater had gespeeld: ‘Alle ogen moesten altijd op mij zijn gericht.’ Hij had geen zin meer in al dat overschreeuwen van zichzelf, dat heftige gedoe waarachter hij zich verschool.

In november 2015 kreeg hij zijn flat in de Lodewijk Napoleonbuurt. Zijn verzoek aan de gemeente om 2500 euro inrichtingsgeld werd gehonoreerd. Zijn jaren-vijftigwoning veranderde in zijn ogen in een paleis. ‘Mijn paleis’, schrijft hij in zijn boek. Hij was niet de enige dakloze die zo’n kans kreeg, maar dat het twee jaar later nog steeds goed met hem gaat, is uitzonderlijk. De meesten lukt het niet definitief aan de dakloosheid te ontsnappen. ‘Er is veel terugval’, zegt Eickholt. ‘Sommige daklozen krijgen een huis en inrichtingsgeld en wat kopen ze? Een lcd-tv en een frituurpan en dan is het geld op. Na een poosje staan ze weer op straat.’

Dat hij wel slaagde, dankt hij aan omstandigheden. Hij prijst zijn opvoeding. ‘Ik heb van mijn ouders geleerd vriendelijk te blijven, daar heb ik me aan vastgehouden. Ik heb niet gejankt dat het allemaal aan anderen lag, ik deed niet aan ellenbogenwerk.’ Bovendien bleef een klein clubje vrienden hem trouw, vriendin Moniek in de eerste plaats, die hem constant stimuleerde zichzelf aan te pakken. Had het langer geduurd, dan was hij zeker verder afgegleden. Hoe langer dakloos, hoe erger iemand afstompt – Eickholt zag het gebeuren bij anderen.

Sinds hij in zijn huisje woont, probeert hij iets te doen aan de ontmenselijking van daklozen. Hij werd vrijwilliger bij het Leger des Heils, daarna bij de Tussenvoorziening. Vaak spreekt hij daklozen aan, sommigen herkent hij nog van zijn eigen tijd op straat. Hij wijst ze erop dat ze zelf schuld hebben aan hun teloorgang. Hij wil ze bovendien laten beseffen dat ze deel uitmaken van een groter geheel. ‘Het gaat altijd om ik, ik, ik – dat wil ik eruit rammen. Het gaat niet om ik, ik, ik, maar om ons, daklozen, met z’n allen.’

Ook de daklozenbegeleiders moeten vaker de mens in de dakloze aanspreken, vindt Eickholt. Die mens mag diep verstopt lijken, hij is er nog steeds. Hij herinnert zich Patrick, een drugsverslaafde die bij het Leger des Heils prachtig kon vertellen over vissen. ‘Hij hield gewoon een theatershow. Hij beschreef dat vissen zo mooi, dat hij heel even iemand anders werd.’ Eickholt wil maar zeggen: ‘Je hebt een cocaïneverslaving, maar je bént niet je cocaïneverslaving. In ieder mens zitten talenten, ook als je op straat leeft. Haal die naar boven.’

Hij heeft tientallen plannen besproken met de begeleiders die hij ontmoet. Maak in de daklozenopvang een smoelenboek met foto’s, zodat iedereen weet wie wie is. Richt een wall of fame in waar daklozen iets kunnen ophangen waarop ze trots zijn. Kook met ze. Bedien ze aan tafel. Zet bloemen neer. Richt een schoonheidsstraat in, waar daklozen zich kunnen wassen, knippen en scheren. Groet ze als je weggaat. De begeleiders vinden het prachtige voorstellen, maar vaak is de reactie: ‘We hebben er geen tijd voor.’

Sinds hij overal als daklozenexpert wordt gevraagd, krijgt hij de vraag: ‘Hoe krijg je mensen uit de dakloosheid?’ Dan luidt zijn antwoord: ‘Stop met schrijven, ga aan het werk. Ik word voortdurend met rapporten over dakloosheid om de oren geslagen, leuk, maar ga aan het werk. Blijf jezelf verwonderen, leef niet vanuit aannames. Ik hoor alleen maar: dé ambtenaar, dé gemeente, dé dakloze, dé verslaafde. Sorry, maar iedereen heeft een naam en ik ben Wim. Spreek ménsen aan, geen clichés.’

De middag is voorbij, buiten kleurt de lucht oranje. We gaan zo door het centrum van Utrecht lopen, Eickholt wil laten zien waar hij als dakloze rondhing. De weg die we gaan is onderdeel van een wandeltocht langs alle zwerversplekken in Utrecht die hij organiseert voor de Tussenvoorziening – dat plan is wél uitgevoerd. Hij wil niet-daklozen laten ervaren wat dakloosheid is. ‘Kijk, zo slofte ik twee jaar geleden over straat’, zegt hij dan terwijl hij het hoofd laat hangen en kleine pasjes neemt. ‘Probeer maar eens hoe dat voelt.’

In werkelijkheid doet zijn onderlijf het weer, het heeft zich hersteld, net als de rest van zijn leven. Nu alleen nog een baan. Hij zou graag weer als leraar aan de slag gaan, maar dat lukt tot nu toe niet. Bij sollicitaties merkt hij dat zijn status als ex-dakloze en ex-alcoholist niet goed valt. Hij heeft gedacht: dat is kennelijk de realiteit. Dan maar zorgen dat ik mijn eigen realiteit creëer. Ik ga doen waar ik goed in ben: verhalen vertellen over een wereld die niemand kent.